De SER en het kabinet willen jeugdwerkloosheid aanpakken

‘Zonder werk verveel je je vet’

8 mei 2013 - De werkloosheid onder niet-westerse migrantenjongeren neemt toe: een op de drie heeft geen werk, twee keer zoveel als autochtone jongeren. Taaltrips, sollicitatietrainingen en banenplannen hebben vooralsnog weinig resultaat. ‘Vroeger werd ik boos. Waarom neemt niemand me aan?’

Medium 18590246groot

De drie jongens slenteren snackbar Celine in Hoorn binnen. Ze schuiven de stoelen wat verder af van de grote tafel midden in de zaak, ritsen hun jassen open en gaan zitten. De jongens zwijgen, ze kijken ons afwachtend aan. Op de achtergrond muziek van Sky Radio. ‘Dus jullie zijn alledrie werkloos?’ beginnen wij aan de ander kant van de tafel.

Omar Ahmed knikt. Hij zit op de kop van de tafel, is zeventien jaar, van Jemenitische afkomst en volgde de opleiding mbo bouw in Hoorn. ‘Ik heb overal op gesolliciteerd en gevraagd of ze mensen nodig hebben. Ik hoor nooit iets. Soms denk ik: doet mijn e-mail het niet?’

‘Ik heb heel veel gesolliciteerd, en ik ben ook niet verder gekomen dan sollicitatiegesprekken’, voegt zijn vriend Yassine Taibi die naast hem zit toe. Yassine is achttien jaar, van Marokkaanse afkomst, en verliet de hbo-opleiding engineering en design na drie maanden. Sindsdien zoekt hij werk tot hij in september een andere opleiding kan gaan doen. ‘Ik heb zelfs bij een kipfabriek gesolliciteerd. Bouten eraf snijden. Filet eruit halen. Ik heb een havo-diploma. Ik heb heel veel werk gezocht maar ik kon niets vinden.’

‘Het is moeilijk in Hoorn’, vindt ook Amro Ahmed, die aan de andere kant naast Yassine zit. Hij is achttien jaar, de oudere broer van Omar. Hij deed ict niveau 3 op het Horizon college. ‘Ik heb de hoop al opgegeven. Ik solliciteer al langer dan deze jongens hier, sinds mijn zestiende. Ik heb een half jaar bij DekaMarkt gewerkt. Uiteindelijk werd mijn contract niet verlengd. Sindsdien heb ik gesolliciteerd. Ik was 24/7 bezig op de computer. Websites. Bellen. Naar winkels, fabrieken. Ik ben bij twee uitzendbureaus ingeschreven in de stad, ook nog steeds niets van gehoord. Drie maanden terug heb ik bij allebei een cv ingeleverd. Nergens hebben ze werk.’

De werkloosheid onder niet-westerse migrantenjongeren tussen de vijftien en 25 jaar is opgelopen tot bijna dertig procent. Om precies te zijn: 28,4 procent in het laatste kwartaal van 2012, volgens de laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs). Bijna een op de drie migrantenjongeren – die officieel als werkzoekend staan ingeschreven – is dus werkloos. Scholieren en studenten zijn niet meegeteld. Ter vergelijking: voor hun autochtone leeftijdsgenoten bedraagt de werkloosheid in hetzelfde kwartaal 9,8 procent. Ook worden migrantenjongeren harder getroffen door de crisis. In vergelijking met een jaar eerder is het percentage werkloze migrantenjongeren met vijf procent gegroeid, bij autochtone jongeren is dat percentage 2,1 procent. Ook onder hoogopgeleiden zijn jongeren van niet-westerse afkomst drie keer zo vaak werkloos als autochtone jongeren. In 2012 zaten in totaal, volgens de cijfers van het cbs, 31.000 niet-westerse migrantenjongeren werkloos op de bank.

‘Vier jaar geleden hebben wij bij Forum al gewaarschuwd dat werkloosheid onder migrantenjongeren een snel oplopende lijn zal vertonen’, stelt Zeki Arslan die bij Forum, het instituut voor multiculturele vraagstukken, de portefeuille onderwijs en arbeid beheert. ‘Uit eerdere ervaringen in de jaren tachtig en negentig weten we dat economische schommelingen vooral voor migrantenjongeren dramatische gevolgen kunnen hebben.’

Deels ligt de oorzaak hiervan bij de jongeren zelf. Ze hebben om te beginnen een gebrekkig netwerk. De meeste jongeren komen uit een milieu van armoede en marginalisering. Hun ouders zijn vaak analfabeet en werkeloos, hebben minder wortels in de samenleving en kunnen dus ook hun kinderen minder goed op weg helpen. Ze wonen in achterstandswijken met weinig economische bedrijvigheid. Ook hun opleiding biedt weinig perspectief. Ze zijn niet alleen vaker laaggeschoold, maar kiezen ook vaak voor studies economie, handel of recht, sectoren waarin het werk schaars is. Juist studies die opleiden voor de technische sector, waar nog altijd een tekort aan personeel bestaat, laten ze links liggen. Aan deze keuze voor ‘kantoorwerk’, die vaak door de ouders en omgeving van deze jongeren is ingegeven, ligt een begrijpelijk vooroordeel ten grondslag. Hun ouders, als gastarbeiders, hebben fysiek zwaar werk verricht. Voor hun kinderen wensen ze beter en lichter werk, met meer aanzien. Die associatie hebben ze eerder met een kantoorbaan dan met een baan in de techniek.

‘Barrières’ noemt Zeki Arslan deze zwakke plekken. De arbeidsmogelijkheden van niet-westerse migrantenjongeren worden ook bemoeilijkt door hun gebrekkige soft skills, zoals dat in beleidsjargon heet. Het is een ander woord voor sociale vaardigheden, die bij deze groep jongeren tekort kunnen schieten. Het gaat hierbij vooral om presentatie. Kom op tijd bij een sollicitatiegesprek. Straal enthousiasme uit. Laat je petje thuis. Geef een stevige handdruk bij de begroeting. In oktober 2012 ging in Rotterdam een campagne van start, Jouw taal, zijn taal, die Rotterdamse jongeren er bewust van moet maken dat ze met straattaal niet ver komen op de arbeidsmarkt. Op posters die door de hele stad hingen zat een prototype werkgever (blank, oud, in pak) tegenover een prototype straatjongere (jong, migrant, leren jasje, onderuitgezakt in zijn stoel). Daaronder de tekst: ‘Ken de Nederlandse taal. Vergroot je kans op een baan.’

De drie jongens in snackbar Celine komen uit gezinnen met werkloze ouders. Kennissen die hen aan een baan kunnen helpen hebben ze niet. In hun omgeving zijn er een paar ondernemers, eigenaars van een belzaak of een groentewinkeltje, maar die reserveren de schaarse arbeidsplekken voor naaste familieleden. Een correcte sollicitatiebrief schrijven kunnen ze wel. Ze hebben ook een goed cv. Ontbreekt er misschien iets aan hun presentatie waardoor ze niet makkelijk een baan kunnen vinden?

Amro: ‘Bij mij weet ik zeker van niet. Als ik een sollicitatiegesprek in ga, dan gaat er een knop in mijn hoofd om. Dan ga ik netjes praten, stel ik mij voor, dan praat ik zakelijk, geef ik een stevige handdruk.’

Een sollicitatiebrief schrijven kunnen ze wel. Ze hebben ook een goed cv. Ontbreekt er iets aan hun presentatie?

Wij: ‘Hebben jullie sollicitatietraining gehad?’

Amro: ‘Ja, hebben we heel vaak gehad.’

Omar: ‘En ook rollenspelen gedaan. Om te kijken hoe je vaardigheden zijn.’

Amro: ‘Ik heb nu al vier jaar lang Nederlandse les over sollicitatiebrieven en sollicitatiegesprekken. Dan moet je er toch wat van hebben geleerd? Maar toch heeft het me niet ver gebracht.’

Naast de achterstandspositie van de jongeren zelf, speelt discriminatie op de arbeidsmarkt een rol. Uit de eerste publicaties in 2007 van de Discriminatiemonitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) bleek al dat ‘niet-westerse allochtonen belemmeringen ondervinden die niet alleen zijn terug te voeren op een lager opleidingsniveau, minder werkervaring en een geringere beheersing van de Nederlandse taal’. In de publicatie van 2010 is er een concretere indicatie van de mate van discriminatie op de arbeidsmarkt: ‘Autochtone sollicitanten hebben 44 procent kans een uitnodiging voor een sollicitatie te ontvangen. Vergelijkbare niet-westerse migranten hebben 37 procent kans op een uitnodiging. Niet-westerse migranten hebben dus alleen vanwege hun naam of geboorteplaats minder kans dan vergelijkbare autochtone Nederlanders om uitgenodigd te worden voor een sollicitatiegesprek.’

In 2012 pakte het scp het nog grondiger aan met een grootscheepse praktijktest. Twintig acteurs tussen de 22 en 23 jaar oud, met een verschillende etnische achtergrond maar nagenoeg dezelfde cv’s, legden in totaal 460 bezoeken af aan uitzendbureaus. Ze spraken alle twintig perfect Nederlands. Ze waren geïnstrueerd om op dezelfde manier een uitzendbureau binnen te lopen, er representatief uit te zien en in dezelfde bewoording te solliciteren naar een baan. Dit zou de onderlinge verschillen zo klein mogelijk houden. Wat bleek? Van de niet-westerse werkzoekenden die bij een uitzendbureau langsgingen, kreeg 28 procent een baan aangeboden, tegenover 46 procent van de autochtone Nederlanders met precies hetzelfde cv. ‘Opnieuw is aangetoond’, aldus de onderzoekers van de Discriminatiemonitor, ‘dat discriminatie niet-westerse migranten op achterstand zet op de arbeidsmarkt.’

Niet-westerse migrantenjongeren hebben vooral te maken met ‘statistische discriminatie’, verklaart Jaco Dagevos, een van de medeauteurs van de discriminatiemonitoren. Denk hierbij aan Marokkaanse jongens die snel met het stereotype ‘kut-Marokkaan’ worden vereenzelvigd of een werkgever die iemand niet aanneemt omdat hij vervelende ervaringen op de werkvloer heeft gehad met werknemers uit dezelfde etnische groep, of een werkgever die liever een autochtoon aanneemt omdat die beter bij de bedrijfscultuur zou passen. ‘Statistische discriminatie is het grootst op het niveau van de laaggeschoolde banen’, zegt Dagevos. ‘Daar zijn relatief veel niet-westerse migranten van afhankelijk.’ En het neemt toe in tijden van crisis, als de arbeidsmarkt ruim is en werkgevers makkelijker iemand kunnen kiezen die op hen lijkt of waarmee ze de minste problemen denken te krijgen. Het neemt pas weer af als het economisch beter gaat en de arbeidsmarkt krap is. Een werkgever kan het zich dan minder makkelijk veroorloven om op etniciteit te selecteren.

‘Je hebt bedrijven waar je gaat solliciteren waar het economisch slecht gaat’, zegt de achttienjarige Amro Ahmed, ‘Maar je hebt ook bedrijven waar je gewoon wordt gediscrimineerd.’

Een keer liep Ahmed een supermarkt binnen waar op een A4’tje bij de ingang om nieuw personeel werd gevraagd. Ahmed bood zich aan bij de manager, maar kreeg van hem te horen dat de vacature al vergeven was. Twee weken later liep Ahmed weer langs de supermarkt en zag het A4’tje met de vacature nog steeds bij de ingang hangen. ‘Hier klopt iets niet’, dacht hij. Nog bonter maakte een eigenaar van een horlogewinkel het. Toen Ahmed bij hem aanklopte voor een baan en nul op het rekest kreeg, vroeg Ahmed meteen daarna een autochtone vriend om ook naar een baan in de horlogewinkel te solliciteren. De autochtone vriend liep de winkel binnen en kwam even later naar buiten met een sollicitatieformulier in handen.

‘Ik ben niet zo’n type dat heel boos gaat worden’, zegt Ahmed over de voorvallen. ‘Ik heb zulke dingen heel vaak meegemaakt. Ik denk: weet je wat, het maakt niet uit, gewoon doorlopen en kijken of je ergens anders wat kunt vinden.’

‘Op zijn twaalfde staan Mohammeds geringe kansen op de arbeidsmarkt al vast’

Yassine heeft ook meegemaakt dat hij solliciteerde op vacatures waarvoor hij meer dan voldoende gekwalificeerd was, maar toch niet aangenomen werd. Hij kan het niet hard maken, maar als deze vacatures ook na zijn sollicitatie niet vervuld worden, kan het niet anders of hij is op discriminatoire gronden gepasseerd.

Ze zijn er alledrie gelaten onder dat hun arbeidspositie bemoeilijkt wordt door discriminerende werkgevers.

Yassine: ‘Je kunt er toch niets tegen doen, dus waarom zou je je er druk over maken?

Amro: ‘Ik was vroeger wel boos. Ik dacht: waarom word ik niet aangenomen. Ik was niet boos op mezelf. Meestal op het feit dat ik geen werk kan vinden. Je wordt dus boos op niets. We hebben ermee leren leven.’

Wij: ‘Waar leren jullie precies mee leven?’

Yassine: ‘Dat zij een betere kans hebben op de arbeidsmarkt.’

Omar: ‘Dit is hun land. Dat is gewoon zo.’

In 2007 schreef de Sociaal Economische Raad (ser) al in een advies dat de positie van allochtone jongeren op de arbeidsmarkt ‘dringend’ moest verbeteren. Deze roep klonk in een tijd dat het Nederland economisch voor de wind ging. Dit gold niet voor niet-westerse migrantenjongeren die, ondanks een relatieve verbetering, met een structureel hoge werkloosheid worstelden. Het ser-advies ging gepaard met tal van aanbevelingen aan onderwijsinstellingen, gemeenten, uitzendbureaus, werkgevers en het kabinet. ‘Een van de opgaven voor de komende periode is hen stevig toe te rusten op duurzame arbeidsdeelname’, concludeerde de ser in 2007. Toenmalig staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Ahmed Aboutaleb nam dit advies ter harte en stelde enkele initiatieven voor om eindelijk werk te maken van dit probleem. Zo werden afspraken gemaakt met gemeenten en werkgevers om regionale banenplannen op te stellen. Het kabinet zou een breed programma ontwikkelen om de taalachterstand en schooluitval onder niet-westerse migrantenjongeren tegen te gaan. En er werd het voornemen uitgesproken om nog steviger aandacht te schenken aan de sociale vaardigheden en sollicitatievaardigheden van deze groep.

‘De aanbevelingen zijn maar ten dele geïmplementeerd’, begint Mirjam van Praag, kroonlid van de ser en hoogleraar ondernemerschap en organisatie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Er is te weinig gebeurd. Er zit een gat in zowel het beleid van de overheid als van de werkgevers.’ Weliswaar is er op sommige punten vooruitgang geboekt. Vooral in het onderwijs: migrantenjongeren zijn steeds hoger opgeleid en stromen vaker door van vmbo naar havo of vwo, ook is de schooluitval sterk verminderd. Maar het levert hen geen betere positie op de arbeidsmarkt op. Sterker nog: het probleem is juist veel groter geworden. De werkloosheid is beduidend hoger dan onder autochtone jongeren, en is sinds het advies uit 2007 gestegen. Ook hebben migrantenjongeren vaker een flexibele of tijdelijke baan en zijn dus kwetsbaarder voor economische schommelingen. Daarom heeft de ser besloten zelf actie te ondernemen – wat uitzonderlijk is voor dit adviesorgaan – door een werkgroep in te stellen die zich inzet om de belemmeringen van migrantenjongeren op de arbeidsmarkt aan te pakken: Benutting Arbeidspotentieel Migrantenjongeren (Bam). Aan het hoofd ervan staat Van Praag. Het devies: concrete acties ontplooien, om concrete resultaten te boeken.

Van Praag erkent dat statistische discriminatie een grote rol speelt bij deze groep. Werkgevers moeten daarop worden aangesproken: ze moeten inzien, benadrukt Van Praag, dat diversiteit juist goed is voor een organisatie of bedrijf. Maar de aandacht van de werkgroep-Bam gaat toch vooral uit naar het versterken van de migrantenjongeren zelf. Je moet aan beide kanten tegelijk werken, vindt Van Praag. De werkgroep wil niet het wiel opnieuw uitvinden, maar aansluiting vinden bij de tal van organisaties die al aan de slag zijn met de achterstand van niet-westerse migrantenjongeren. Het gaat bijvoorbeeld om organisaties die zich inzetten voor de verbetering van de sociale vaardigheden van deze jongeren en hun studiekeuzes, of om projecten waarbij succesvolle jongeren als ambassadeurs worden ingezet voor technische beroepen, of waarbij oudere meisjes als coach dienen voor jongere meisjes. Veel van deze projecten zijn goedbedoeld, kleinschalig en lokaal. RadarAdvies, een onderzoeksbureau voor sociale vraagstukken dat in 2010 in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoek naar enkele van deze initiatieven deed, concludeerde dat de projecten vaak tijdelijk zijn en de resultaten niet voldoende duurzaam. ‘Er is blijvende aandacht en follow-up nodig om de resultaten te verankeren’, schreven de rapporteurs. Bam wil de projecten die er op dit gebied al zijn ondersteunen en waar mogelijk succesvoller maken. In het najaar zal de ser een plan van aanpak presenteren. ‘Wij willen nu echt gaan helpen, zodat er werkelijk iets gebeurt.’

‘Maar als we werk zouden krijgen zouden we zo kunnen overschakelen naar op tijd wakker worden en op tijd zijn’

‘Op zijn twaalfde staan Mohammeds geringe kansen op de arbeidsmarkt al vast’, begint Daniel Roos, oprichter en directeur van Jinc. Jinc is een van de grootste organisaties die hoopt ondersteuning van de ser te krijgen. Het richt zich op acht- tot zestienjarigen jongeren uit achterstandswijken om hen ‘op weg te helpen naar een goede start op de arbeidsmarkt’. Kinderen uit achterstandswijken hebben volgens hem op hun twaalfde zo’n kleinere woordenschat, dat ze dan al achterlopen op hun witte, kansrijke klasgenootjes. Ze gaan daardoor naar een lagere vervolgopleiding, volgen ook daar vaak de lessen niet, raken hun motivatie kwijt, kiezen verkeerd en zijn op hun zestiende werkloos. ‘Als je op je zestiende een achterstand hebt, kun je er eigenlijk nog maar weinig aan doen’, zegt Roos. ‘Je moet beginnen met kinderen van acht jaar om die woordenschat bij te spijkeren.’

‘Hoe heet dat, dat wat je daar in de muur ziet?’ vraagt de taalgids tijdens de zogenoemde taaltrip van Jinc voor groep zes van basisschool Nellestein uit Amsterdam Zuidoost. Waniya, Vikaash, Nigel, Rofeyda, Luciano en Chamara kijken gespannen omhoog naar de buitenmuur van het Amsterdam Museum. De kinderen, van voornamelijk Surinaamse afkomst, komen zelden in het centrum van Amsterdam. Waniya, het ijverigste meisje, kijkt daarna op haar lijstje met woorden. Het moet een daarvan zijn, maar ze heeft geen idee. ‘Dat is het wapen’, antwoordt de taalgids ten slotte zelf. Daarna lopen de zes kinderen opgewonden door de steeg – ook een woord dat kan worden afgestreept. Op de binnenplaats – ook een woord op de lijst – van het Amsterdam Museum legt de taalgids uit dat dit vijfhonderd jaar geleden een weeshuis was. De kinderen luisteren ademloos. De taalgids loopt verder, maakt een rondje door het centrum van Amsterdam. Ze moeten nog doen de woorden: kinderkopjes, toerist, armoede, het gilde, liefdadigheid…

‘Het gaat erom het woord in de context te kunnen zien’, zegt Daniel Roos. Na zo’n taaltrip, die speciaal is ontwikkeld door Jinc, hebben kinderen dertig tot vijftig woorden bijgeleerd. ‘Leg maar eens uit wat “bereikbaar” betekent. Op Schiphol – waar ook een taaltrip wordt gehouden – is dat makkelijk en daarna vergeten ze het nooit meer.’ Hij weet ook dat een taaltrip hun kansen op de arbeidsmarkt later niet ineens vergroot. Maar de bedoeling is dat deze kinderen een speciaal ontwikkeld, op onderzoek gebaseerd, traject doorlopen: op de basisschool een taaltrip en acht bliksemstages bij een bedrijf, daarna op de middelbare school sollicitatietraining, studiekeuzebegeleiding, een grote stage. Ze leren veel praktische dingen: een telefoongesprek voeren, niet direct boos weglopen als je baas kritiek heeft, leren om beleefd om vakantiedagen te vragen. Kortom: sociale basisvaardigheden. Maar bovenal moeten ze een reëel beeld krijgen van de arbeidsmarkt. ‘Als ze hbo zorg kiezen, hebben ze morgen een baan’, benadrukt Roos. Maar het punt is dat ze dat niet kiezen. ‘Vaak komen die jongeren uit arme migrantengezinnen, ze willen hogerop en dat gaat dan vooral over geld verdienen.’

Jinc wordt grotendeels gefinancierd door het bedrijfsleven. Zo’n zevenhonderd bedrijven dragen bij. Sinds de oprichting in 2003 in Amsterdam is Jinc flink gegroeid. De organisatie zit nu ook in Utrecht, Haarlem en Rotterdam, werkt samen met talloze basisscholen en vmbo-scholen in achterstandswijken en bereikt daarmee al tienduizenden jongeren. Roos droomt ervan dat tien grote werkgevers zich zouden aansluiten bij Jinc. ‘Dan zouden we dit echt op grote schaal kunnen implementeren. We willen nog meer kinderen bereiken, groter worden. Dat verdienen deze kinderen. Er gebeurt veel te weinig.’

Zeki Arslan zucht. Hebben we het weer over wat er allemaal niet deugt aan deze jongeren. Die barrières, of gebrekkige soft skills, zijn voor hem gesneden koek. Forum doet er al jaren onderzoek naar. ‘Natuurlijk zijn er verbeterpunten, zoals op het gebied van studiekeuze. Maar allochtone jongeren die nu werkloos zijn hebben echt geen boodschap aan dit soort initiatieven. Er moet iets concreets voor ze komen. Ik wil gewoon een banenplan voor deze jongeren.’

Arslan vindt dat de dramatische werkloosheidcijfers onder migrantenjongeren een specifiek en activistisch beleid rechtvaardigen, omdat zij onevenredig hard worden getroffen. Het hoeven geen voltijdse, dure banen te zijn. In gesprekken met jonge niet-westerse migrantenjongeren probeert hij ze ook uit het hoofd te praten dat ze direct een droombaan vinden. Daartegenover moet staan dat de samenleving juist deze kwetsbare groep voor verdere marginalisering behoedt. Vooral de publieke sector moet de poorten voor deze groep openzetten. Bij Forum hebben ze nu een banenpool gecreëerd met vijftig à zestig werkloze jongeren die af en toe een tijdelijke baan of opdracht krijgen toegeschoven. Arslan: ‘Als wij van het kleine Forum al zoiets kunnen regelen, dan moeten grote gemeenten dit soort dingen ook kunnen.’

Om de jeugdwerkloosheid in het algemeen tegen te gaan, stelde het kabinet afgelopen maand vijftig miljoen euro extra beschikbaar. Een deel van de aanpak richt zich op het motiveren van mbo’ers om door te leren en te kiezen voor een opleiding met een goede kans op werk. Daarnaast is Mirjam Sterk door de ministeries van Sociale Zaken en Onderwijs aangesteld als ambassadeur aanpak jeugdwerkloosheid. Een van haar opdrachten is om ‘op zoek te gaan naar de belemmeringen die niet-westerse migrantenjongeren nu ervaren bij het vinden van een baan’, zoals minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de Tweede Kamer onlangs zei. Sterk is zich op dit moment nog aan het oriënteren en heeft daarom nog niets te zeggen, zo laat haar woordvoeder weten. De overheid komt in ieder geval niet met een specifiek plan van aanpak voor deze groep jongeren.

De drie vrienden in snackbar Celine zoeken elkaar dagelijks op. Meestal komt Yassine naar het huis van Omar en Amro, daarna gaan ze de straat op. ‘We blijven meestal in onze eigen buurt, Grote Waal’, verklaart Amro. ‘Hier heb je meer ons soort mensen: Marokkanen, Turken, Antillianen, Surinamers.’

Ze hebben een dagelijkse routine. ‘Je wordt wakker. Je weet niet wat moet doen, je hebt geen school, geen werk’, zegt Amro. ‘Je hoeft nergens heen, dus je gaat rustig douchen, thee drinken, je doet de tv aan. In het begin denk je: “Ik heb rust.” Maar daarna ga je je vet vervelen, je hebt geen mensen om je heen, je hebt geen inkomen, je hebt gewoon helemaal niets. Dan ga je met vrienden om. Uiteindelijk heb je niets bereikt, dan ga je eten, ga je weer slapen, en de volgende dag hetzelfde verhaal.’

Omar voegt er snel aan toe: ‘Maar als we werk zouden krijgen, dan zouden we zo kunnen overschakelen naar op tijd wakker worden en op tijd zijn.’

Amro: ‘Er is altijd wel iemand in mijn familie die zegt dat ik werk moet zoeken. Maar ja, zij zeggen dat wel, maar zij hebben vaak zelf ook geen werk, ze weten niet hoe het is om overal te gaan solliciteren en geen werk te vinden. Zij denken dat we vrijwillig thuis zitten, maar dat willen we helemaal niet.’

Yassine: ‘We hebben van alles geprobeerd en het is niet gelukt. Alle hulp is welkom.’


Beeld: In 2012 zaten volgens het CBS 31.000 niet-westerse migrantenjongeren werkloos op de bank (Reyer Boxem / HH)

Update 30 juli 2014: Discriminatie op de arbeidsmarkt is al jaren een hardnekkig probleem. Dat bewijzen cijfers van het Europese statistiekbureau Eurostat vandaag. In de EU is de werkloosheid onder allochtonen afkomstig uit een niet-EU-land meer dan twee keer zo hoog als onder autochtonen, en in Nederland is dat verschil nog groter.