Zofia Nalkowska, Medaillons

Zonder wierook en tranen

Zofia Nalkowska

Medaillons

Uit het Pools (Medaliony, 1946) vertaald door Martin Hulsenboom

Aldus uitgevers, 61 blz., e 9,95

Zofia Nalkowska (1885-1954) was toen zij deze oorlogsverhalen schreef de grand old lady van de Poolse literatuur. De medaillons zijn portretten zoals zij die al eerder schreef, maar voor deze putte zij uit gesprekken die zij met ooggetuigen had als lid van een naoorlogse onderzoekscommissie naar Duitse oorlogsmisdaden. Zo laat zij een jongen aan het woord die door professor Spanner in het kamp Stuthof te werk werd gesteld in de stokerij van het anatomisch instituut, waar lijken werden geprepareerd. De titel Het kerkhofvrouwtje slaat op een vrouw die hoorde wat er achter de muur van het getto gebeurde maar, vooral bang voor de wraak van de joden later, feiten met geruchten verwarde. Een ander kampverhaal begint aldus: «Ik heb niets tegen de joden. Net zoals ik niets heb tegen mieren en muizen.» En er is een jonge jood die zo sterk was dat de Duitsers hem niet wilden doodschieten, maar hem zijn familie in en uit de gasauto van Chelmno liet dragen.
Omdat Nalkowska in 1945 bang was van overdrijving beticht te worden, voegde zij een informatief slothoofdstuk toe waarin ze de geopolitieke en economische betekenis van het kampsysteem uiteenzet. Daar zegt ze ook: «Deze uitgekiende en ook verwezenlijkte onderneming was het werk van mensen. Zij waren de uitvoerders én het object. Mensen hebben mensen dit lot bereid.» Het laatste is een slagzin, die zij evenwel nuanceert door het niet alleen over de sadisten te hebben – de daders die hun opdracht met fantasie invulden – maar ook mensen die slachtoffers hielpen, zoals een kamparts. Verrassend is de ingehouden toon van de meteen na de oorlog geschreven verhalen, bijzonder is ook de aandacht voor details. De medaillons zijn miniaturen, beknopt en toch veelomvattend. Desondanks is er iets wat mij nu aan de uitgave stoort. Dat had ik in 1994 niet, toen het boek speciaal voor scholieren in Brabant werd vertaald. Het nawoord is afkomstig uit een Poolse uitgave uit 1984 en hangt van superlatieven en adjectieven aan elkaar: de lezer moet gewaarschuwd en gespaard; hem wordt bezworen dat het hier om grote zo niet de grootste kunst gaat. Zo nuchter als de verhalen zelf zijn, zo hooggestemd en devoot celebreert het nawoord «de blijvende artistieke zeggingskracht» en wordt er gegoocheld met het woord «waarheid». Deze verhalen – en de lezer – kunnen het heus zelf wel af, zonder wierook en tranen.