De opkomst van de eurosceptische intellectueel

Zonder Wilders tegen Europa

Lange tijd was het vanzelfsprekend: wie hoogopgeleid en progressief is, verdedigt de Europese Unie en de euro. Sinds de crisis is een kentering zichtbaar, maar het blijft ongemakkelijk. ‘Wie steun je als je je publiekelijk tegen Europa uitspreekt?’

Medium groene europa  koen i

Krap een week voor de Europese verkiezingen kampt Jan Luiten van Zanden met een dilemma. Nee, het gaat niet over welke partij hij zijn stem moet geven. Waar de veelgeprezen Utrechtse hoogleraar in de economische geschiedenis mee worstelt, is de petitie die zijn collega-econoom en hoogleraar Arjo Klamer hem toestuurde. ‘De euro is en blijft een slecht idee’, zo begint de voorlopige versie. ‘Sinds de crisis zet de euro juist nationale bevolkingen tegen elkaar op, wakkert nationalisme en xenofobie aan en vergroot de spanningen tussen de lidstaten. De euro is daarmee van bindmiddel tot splijtzwam geworden.’ Of Jan Luiten van Zanden ook wilde ondertekenen.

‘Ik ben kritisch over de euro’, legt hij uit. Wat heet: Van Zanden behoorde tot de zeventig economen die al in 1997 hun naam verbonden aan een manifest tegen de monetaire unie. Natuurlijk was dat vóór de invoering van de euro. Er nu plotseling uitstappen als Nederland, dat zou ook volgens Van Zanden rampzalig uitpakken. Met Poetin en zijn agressieve buitenlandpolitiek voor de poorten kan Europa zich al helemaal geen nieuwe monetaire crisis veroorloven, denkt hij. Maar hét verschil met 1997, de reden dat hij toen tekende en nu twijfelde, ligt elders. Het valt samen te vatten in één woord.

Wilders.

‘We hebben de afgelopen jaren allemaal gezien dat de euro niet werkt’, constateert Jan Luiten van Zanden nuchter. ‘Alleen al die torenhoge jeugdwerkloosheid! Je kunt landen met zulke verschillende institutionele tradities simpelweg niet onder één paraplu brengen. Dat vond ik toen, en dat zeg ik nog steeds. Ik heb onderzoek gedaan naar een groot aantal muntunies uit het verleden. Geen van die experimenten houdt stand. Tenzij ze leiden tot volledige politieke integratie, maar dat zie ik in dit Europa niet gebeuren.’

Reden genoeg om serieus na te denken over een exit-strategie. Precies waar het manifest van Arjo Klamer toe oproept. Van Zanden is er desondanks niet gerust op. ‘Wie steun je als je je publiekelijk tegen de euro uitspreekt? Waar verbind je je aan? Weet je, dit is gewoon niet het juiste politieke moment. Dat heb ik ook geschreven aan Arjo. De eurokritische agenda is gekaapt door Wilders. Natuurlijk zijn er heel veel andere tegenstanders van de euro die niets op hebben met nationalisme en chauvinisme. Ik durf te beweren dat onder mijn collega-economen de meerderheid zéér kritisch is. Maar zij weten het toch heel wat minder goed onder de aandacht te brengen.’

Het is de avond van 1 juni 2005. Deze woensdag heeft Nederland zich in een referendum uitgesproken over wat in de media al snel de ‘Europese grondwet’ is gaan heten. In de maanden daarvoor hebben vrijwel alle grote partijen, plus het totale maatschappelijke middenveld, erop aangedrongen om vóór te stemmen. d66-minister Laurens-Jan Brinkhorst van Economische Zaken dreigt dat bij een Nederlands ‘nee’ het licht uit gaat. Zelfs de holocaust wordt erbij gehaald. Het mag niet baten. De bezwaren van de tegenstanders – een bont gezelschap, uiteenlopend van de SP en linkse actiegroepen, tot de kleine christelijke partijen, tot de partij van Wilders en restjes fortuynisten – hebben hun uitwerking niet gemist. Ruim zestig procent van de kiezers verwerpt die dag de Europese grondwet.

Die avond is het feest. Ook voor veel aanhangers van de linkse en progressieve partijen, zo zal later blijken uit de stemanalyses. Om hun bezwaren in één zin samen te vatten: met deze grondwet was een ander Europa – democratischer, socialer, groener – verder dan ooit uit zicht geraakt. Zo was het de bedoeling het systeem van de vrije markt in de grondwet op te nemen. Onaantastbaar voor democratische besluitvorming. Het referendum is daarmee voor veel mensen een noodrem geworden, om de voortdenderende trein van de Europese eenwording te stoppen. Dat zo’n forse meerderheid van de Nederlanders zich hier tegen uitspreekt, is reden voor hen tot juichen. Toch?

De sfeer slaat om als de Grote Blonde Leider op televisie verschijnt. Wilders roept zichzelf uit tot overwinnaar van de referendumstrijd. Natuurlijk, dat doen politici. Maar wat erger is: zijn interpretatie van het Nederlandse ‘nee’ wordt klakkeloos overgenomen, zowel die avond op televisie als de volgende ochtend in de kranten. Over de kritiek op het ondemocratische, asociale karakter van Europa hoor je in de weken daarna vrijwel niemand meer. In plaats hiervan probeert elke partij – ook de voorstanders – met de uitslag in de hand haar gelijk te halen. De vvd ziet een mandaat voor minder contributie aan ‘Brussel’. De kiezer zou zich ook uitgesproken hebben tegen toetreding van Turkije, en premier Balkenende neemt zich voor om op Europees niveau nog hardnekkiger op te komen voor het eigen, nationale belang. Hoe verder het referendum achter de rug is, hoe krasser het wordt. Inmiddels lijkt het soms wel alsof de keuze op die eerste junidag van 2005 tussen Europa en Wilders ging. En wie behoorden er tot zijn electoraat? Precies: óók die linkse tegenstemmers. De nuttige idioten van Geert Wilders.

‘Vóór Europa zijn, betekent tégen de eigen-volk-eerst-nationalisten zijn. Het is een antikeuze’

Negen jaar na het referendum is de twijfel over het Europese project er niet minder op geworden. Helaas geldt dat ook voor het ongemak van de niet-nationalistische eurosceptici. ‘Pro Europa zijn hoort bij de lifestyle van hoogopgeleiden’, analyseert René Cuperus, medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, de denktank van de pvda, én criticus van de Europese eenwording. We zitten in de felle zon op het terras bij een Van der Valk-hotel aan de A1. De volgende dag gaat hij op vakantie naar Venetië, maar op deze vijfde mei heeft hij nog tijd gevonden om zijn Europa-standpunt toe te lichten. ‘Laten we eerlijk zijn. Europa interesseert ook de hoogopgeleiden geen reet’, meent Cuperus. Ze weten er heel weinig vanaf, vinden het complex en saai. ‘Maar vóór Europa zijn, betekent tégen de eigen-volk-eerst-nationalisten zijn. Tegen Wilders en zijn vrienden. Het is een antikeuze. Ik heb wel eens gezegd: Europa is de irrationele onderbuik van hoogopgeleiden. Dat heeft alles met klasse te maken, met identiteit. Het is culturele afbakening.’

Daar komt bij dat de nadelen van ‘Europa’ vooral gevoeld worden aan de onderkant van de arbeidsmarkt. ‘Een Poolse loodgieter kan concurreren met een Nederlandse loodgieter. Een Poolse arts niet. Die moet hier dan weer eerst naar de universiteit. Ik vind dat unfair. Veel hoogopgeleide beroepen zijn afgeschermd van buitenlandse concurrentie.’ Provocerend: ‘Laagopgeleiden hebben de wereld beter door dan hoogopgeleiden. We leven in een tijd waarin laagopgeleiden de avant-garde zijn. Dáár begon het rumoer rond integratie en de islam. En ja, ook tegen Europa. Veel laagopgeleiden voelen haarfijn aan dat de EU in het slechtste geval wel eens een perverse race to the bottom kan opleveren. Een dramatische afkalving van onze democratie én onze verzorgingsstaat.’

Toch lijkt zelfs onder hoogopgeleiden – bij het referendum in 2005 de groep die het vaakst ‘voor’ stemde – een kentering gaande. Nog altijd staat een meerderheid positief tegenover Europa. Onder laagopgeleiden is dat precies omgekeerd. Het Sociaal en Cultureel Planbureau concludeerde eerder dit jaar dat die kloof nergens in Europa zo groot is. Het verklaart waarom een academici-partij als d66 het in de peilingen voor de Europese verkiezingen zo goed doet.

Maar de glans is eraf. Voor progressieve intellectuelen was het lange tijd vanzelfsprekend dat zij het Europese project te vuur en te zwaard verdedigden. Vorig jaar nog riep voorzitter José Manuel Barroso van de Europese Commissie in dramatische bewoordingen de dichters en denkers van het Avondland op om een ‘nieuw verhaal voor Europa’ te bedenken. ‘Jullie kunnen onze gemeenschappelijke wortels opsporen en getuigen van onze gemeenschappelijke culturele identiteit’, stelde de Portugees. ‘Europa richt zich tot jullie en je collega’s omdat niemand ons verhaal zo goed kan vertellen. Europa heeft jullie nodig omdat we mensen niet kunnen laten denken dat Europa technocratisch of bureaucratisch is. Europa heeft een ziel.’

Die ziel kwam er uiteindelijk. Vier kantjes, ondertekend door een handvol prominenten als Rem Koolhaas. Maar het feit dat vrijwel geen Europeaan hier weet van heeft, geeft al aan dat het onderwerp weinig hartstochtelijke gevoelens meer oproept. Integendeel. In Frankrijk denken linkse intellectuelen hardop na over de mogelijkheid van ‘demondialisering’. Door de globalisering een halt toe te roepen en internationale kapitaalstromen te ontvlechten zou nationaal, democratisch gelegitimeerd economisch beleid weer mogelijk moeten worden. Zelfs uit Duitsland komen voorzichtig sceptische geluiden. ‘Je kunt hier maar moeilijk zeggen dat het de verkeerde kant op gaat met de Europese integratie’, zei de prominente Duitse eurocriticus en socioloog Wolfgang Streeck vorig jaar in een interview met dit blad. ‘Europa wordt gezien als een waarde an sich. Je kunt immers ook niet zeggen dat God de verkeerde richting op gaat.’ Zulke uitspraken leveren hem forse kritiek op van onder anderen Jürgen Habermas. Maar anders dan Habermas geloven mensen als Streeck niet langer dat het mogelijk is om het democratische en sociale tekort op te lossen met ‘meer Europa’.

De opkomst van zulke kritiek hangt ongetwijfeld samen met gebeurtenissen als de ‘Big Bang’, de razendsnelle uitbreiding van de Europese Unie in 2004 van vijftien naar 25 lidstaten (en later zelfs 28). De mislukte referenda over de Europese grondwet een jaar later zullen evenmin hebben bijgedragen aan de populariteit van Brussel. Maar van doorslaggevend belang is de eurocrisis die de afgelopen vijf jaar heeft huisgehouden op het continent. Voor die tijd mocht Europa lauwe gevoelens oproepen; het leverde in elk geval welvaart op. Sinds de eurocrisis is zelfs dat niet langer onomstreden.

Medium groene koen ii

Een van die mensen voor wie de eurocrisis een omslagpunt betekende, is Ewald Engelen. In het Amsterdamse café de Ysbreeker, op loopafstand van zijn werkplek, vertelt de hoogleraar financiële geografie en _Groene-_columnist over zijn opvallende Werdegang. ‘Ze zeggen dat tijdens crises het kapitalisme zijn ware gezicht toont. Nou, ik ben nogal geschrokken van wat ik zag. Tot 2007, toen ook bij mij de eerste twijfels ontstonden, heb ik me te veel in de luren laten leggen door de hosanna-verhalen die verteld werden over het ontketende, vederlichte kapitalisme van voor de crisis. Ja, dat is ook een mea culpa.’

‘Europa wordt gezien als een waarde an sich. Je kunt immers ook niet zeggen dat God de verkeerde richting op gaat’

Tekenend voor zijn toenmalige denken is het aan de vooravond van de crisis verschenen boek Het bange Nederland. Daarin zette Engelen samen met twee collega-academici de kritiek op de neoliberale globalisering weg als een ‘angstneurose’. Ook de eurosceptici moesten het ontgelden: ‘Door de EU steeds weer op te voeren als boosaardige deus ex machina die het comfort van de Nederlandse verzorgingsstaat bedreigde, holde men langzaam maar zeker de legitimiteit van het Europese project uit.’

‘Ik dacht dat de internationalisering van de economie ertoe zou leiden dat de Augiasstal van de polderboys eindelijk schoongespoten zou worden’, blikt Engelen terug. Het bleek anders. De economie is gekaapt door het grootbedrijf, constateert hij nu. Dat maakt het zichzelf gemakkelijk ten koste van gewone huishoudens en het mkb. ‘De Europese Unie heeft dat mogelijk gemaakt. Vandaar mijn euroscepsis.’

Dat een ander, progressiever Europa mogelijk is, daar heeft ook Engelen steeds meer zijn twijfels bij. ‘Neem het programma voor de Europese verkiezingen van GroenLinks. De uitgangspunten vind ik absoluut loffelijk. Belastingparadijzen aanpakken, een Europees minimumtarief voor de vennootschapschapsbelasting: prima. Maar dan de tactiek. Partijen als GroenLinks geloven nog altijd dat het mogelijk is om zowel de EU als de euro in een andere richting te sturen. Bij de EU gaat dat heel misschien nog, al zijn de obstakels enorm. Maar voor de monetaire unie koester ik die hoop niet langer. Het idee van een sociaal Europa staat haaks op de interne logica van de euro. De mogelijkheid om op nationaal niveau een progressief – lees keynesiaans – begrotingsbeleid te voeren zijn we gewoon kwijt. Dan krijg je dus beleid dat niet inzet op groei of sociaal, maar op afbraak, flexibilisering, meer marktwerking en begrotingsdiscipline.’

Net als Cuperus maakt Engelen zich misschien nog wel de grootste zorgen om de uitholling van de democratie. ‘Neem zoiets als het nu ingevoerde “Europese semester” – wat trouwens een gruwelijke term is. Begrotingsbeleid is daarmee niet langer politiek. Het wordt een kwestie van bestuur. Dáár gaat het mij om. Ik wil keuzemogelijkheden. Alternatieven. Europese politici hebben hun mond vol van de Verlichting. Maar dit zijn toch de waarden waar de Verlichting voor staat?’

Zijn felle kritiek heeft tot vervreemding geleid van het politieke milieu waarmee hij zich van oudsher verwant voelt. Op uitnodiging van de Partij voor de Dieren is Engelen daarom bij de komende Europese verkiezingen lijstduwer, samen met andere prominenten als Mensje van Keulen, Paul Cliteur en Eddy Terstall. pvda’er Cuperus ziet meer in de ChristenUnie. ‘Dat is de partij die qua Europa-analyse vermoedelijk het dichtst bij mij staat. Zij proberen een goede balans te zoeken tussen nationale democratie en waar nodig Europa.’ Dus hij stemt ChristenUnie in plaats van pvda op 22 mei? ‘Dat hoor je mij niet zeggen.’ Lachend: ‘Maar ik vind het een heel fijne partij!’

Fijn of niet, in de berichtgeving over de Europese verkiezingsstrijd blijven de eurosceptici van de kleine christelijke partijen, de Partij voor de Dieren en zelfs de veel grotere SP doorgaans onzichtbaar. Of misschien wel erger: ze worden op één grote hoop geveegd met extreem-rechts. In de ogen van ‘Brussel’ zijn het allemaal populisten en extremisten. Het Financieele Dagblad vatte dat frame al in 2006 samen in een hoofdredactioneel commentaar: ‘Ieder op hun eigen manier strijden zij tegen de open samenleving die wordt afgedwongen door de Europese eenwording en de krachten van globalisering. De SP koestert de oude beschermwallen van de verzorgingsstaat, de ChristenUnie de eigen religieuze identiteit en Wilders wil de Nederlandse cultuur verdedigen door niet-westerse buitenlanders categorisch te weren.’

Hoe hardnekkig dat beeld is, blijkt uit een recent artikel in The Guardian. Onder de kop ‘The Enemy Invasion’ berichtte het progressieve Britse dagblad over de opmars van eurosceptische partijen. Aan het woord kwamen politici van uiteenlopende partijen als het Front National, de Nederlandse SP en de Vijfsterrenbeweging van Beppe Grillo. Hoewel de verslaggever ook aandacht besteedde aan hun onderlinge verschillen ontkom je als lezer niet aan de indruk van één, gemeenschappelijke noemer. Hier komen de bange, boze mannen – plus Marine Le Pen. Boven het stuk prijkte een foto met brullende aanhangers van de Griekse neonazi-partij Gouden Dageraad.

Het probleem, geeft zowel Ewald Engelen als René Cuperus aan, is dat je als euroscepticus ook daadwerkelijk snel te maken krijgt met politiek onfrisse types. Beiden spreken uit ervaring. Ze behoorden tot de initiatiefnemers van het Burgerforum EU. Die groepering wist in korte tijd ruim zestigduizend handtekeningen op te halen. Daarmee dwong ze de Tweede Kamer om te discussiëren over een nieuw EU-referendum. Dat zou moeten gaan over de enorme soevereiniteitsoverdracht richting ‘Brussel’ die sinds het uitbreken van de eurocrisis heeft plaatsgevonden.

‘Moeten wij onze mond houden omdat Wilders de discussie over Europa heeft gekaapt? Het lijkt de PVV wel!’

Kort na het debat in januari stapten Engelen en Cuperus uit Burgerforum EU. ‘Van mijn kant was het een enorme tactische blunder om daarin te gaan zitten’, oordeelt Ewald Engelen nu. ‘Voor de eurofielen was het Burgerforum eigenlijk een godsgeschenk. Progressieve en conservatieve eurocritici op één hoop! Sindsdien merk ik dat het heel moeilijk is om de rest van de wereld duidelijk te maken dat er binnen dat eurosceptische kamp totaal verschillende argumenten zijn, bijvoorbeeld tegen de euro. Mijn effectiviteit in het publieke debat is daardoor danig afgenomen. Je argumentatie wordt niet meer serieus genomen. Dat is zonde.’

‘Ik heb er geen spijt van’, blikt Cuperus terug. ‘Ik vond dat Kamerdebat zeer onthullend. De Tweede-Kamerleden gaven beschaamd, maar volmondig toe dat ze veel grip op het geniepige Europese integratieproject zijn kwijtgeraakt.’ Toch zie je dat zich bij de anti-establishmentkritiek op Europa rare mensen aandienen, vertelt Cuperus. Zo ook bij Burgerforum EU. ‘Officieel betrof dat initiatief alleen de ondertekenaars van de eerste oproep die in NRC Handelsblad verscheen: “Ook wij willen een referendum”. Negen hoogleraren waren dat. Mensen als Ad Verbrugge, Arjo Klamer, Paul Cliteur, maar ook een paar staatsrechtgeleerden, met belangrijke constitutionele bezwaren. Een tamelijk gemêleerd gezelschap. Thierry Baudet had dat bij elkaar gescharreld. Maar naast die frontstage bleek er ook een backstage te zijn: dat was de website waar een veel extremere groep critici bij elkaar kwam. Radicaal anti-EU. En ja, daarover voel ik me achteraf wel belazerd.’

Uiteindelijk is het zulke beeldvorming die blijft hangen. Cuperus herinnert zich nog het moment dat ze de handtekeningen kwamen aanbieden voor het Tweede-Kamerdebat. ‘De hele pvv-fractie spoot uit de coulissen en viel meteen over ons heen. Camera’s erbij, totaal getimed. De andere partijen kwamen er schoorvoetend achteraan.’

‘Noem ons Eurofiel, Eurofreak of Eurofool’, zo begint de ‘liefdesverklaring voor Europa’ die GroenLinks-politicus Jesse Klaver vorige week publiceerde. ‘Het is bon ton om de Europese Unie te bashen. Chagrijnig zijn op Europa en haar einde verkondigen lijkt de mode. Je zou je bijna schamen om Europeaan te zijn. Het is genoeg geweest! Wij steken onze liefde voor Europa niet langer meer onder stoelen of banken en roepen anderen op dat ook niet meer te doen. Wij komen uit de kast als trotse Europeanen.’

Het is de vraag of de hoogopgeleide voorstanders van Europa ooit een geheim hebben gemaakt van hun voorkeur. Het omgekeerde lijkt eerder het geval. Overdonderd door Wilders, en bang voor praktijken als rond het Burgerforum EU, besluiten veel progressieve eurosceptici hun bezwaren voor zich te houden. Ja, ze maken zich zorgen over de richting waarin de Europese Unie zich beweegt. Over de euro zijn ze al helemaal kritisch. Maar ze kiezen ervoor nog even niet uit de kast te komen.

‘Ik begrijp die angstvalligheid onder mijn collega’s niet’, laat Arjo Klamer over de telefoon vanuit Turijn weten. ‘De bezwaren die we voorafgaande aan de invoering van de euro hadden, zijn toch uitgekomen? Het is zelfs allemaal nog veel erger dan we toen konden bevroeden. Onder Amerikaanse economen is zulke kritiek op de euro volstrekt vanzelfsprekend. Maar hier in Europa word je als nationalistisch weggezet. Ik ben helemaal geen nationalist!’ Het zijn drukke weken voor de Rotterdamse econoom. Zojuist is een nieuw boekje van hem verschenen – De euro valt! En wat dan? – en hij is beëdigd als parttime-wethouder voor de SP in zijn woonplaats Hilversum. Alsof dat niet genoeg is, probeert hij ook nog eens zo veel mogelijk wetenschappers ertoe te bewegen een nieuw manifest tegen de euro te ondertekenen. Maar anders dan in 1997 haakt deze keer de een na de ander af.

‘Ik hoor drie bezwaren’, vertelt Klamer. ‘Ten eerste is er natuurlijk de angst om in het pvv-kamp te worden geplaatst. Zeker voor collega’s die in kringen van d66 of GroenLinks verkeren, speelt dat een grote rol. Daar hangt nauw mee samen, en dat is een tweede argument, dat velen vinden dat je je voor Europa moet uitspreken. Kritiek op de euro wordt als ongepast gezien. En het derde bezwaar is natuurlijk dat de euro nu eenmaal een feit is. De Europese munt is ingevoerd en we moeten er maar het beste van maken. Ik ben het daar vanzelfsprekend niet mee eens. De euro valt mijns inziens niet te redden. Dus kunnen we maar beter alvast beginnen met het debat over de mogelijke alternatieven.’

Natuurlijk, ook Klamer ziet dat Wilders de discussie over Europa kaapt. ‘Maar moeten wij daarom maar onze mond houden? Het lijkt de pvv wel!’ grapt hij. Dan, serieuzer: ‘Er lijkt een vacuüm te ontstaan rond dit onderwerp. En nee, dat is geen goede zaak in een democratie.’

Het zijn overwegingen die ook in Utrecht bij Jan Luiten van Zanden spelen. Hij twijfelt nog steeds. Je uitspreken tegen de euro, uitgerekend op dit moment, kan Wilders in de kaart spelen. Maar door niets te zeggen, versterk je het monopolie van de xenofobe rechtse partijen op eurokritiek, geeft hij toe. ‘Ik weet het ook niet’, eindigt hij met een diepe zucht. ‘Wat zou jij doen?’