Korte verhalen

Zonder wreedheid

Sanneke van Hassel

IJsregen

De Bezige Bij, 141 blz., e 16,50

Bob van der Burg

Camera

De Bezige Bij, 157 blz., e 16,50

In de korte verhalen van Sanneke van Hassel gaat het om de wensen en dromen van underdogs. In het eerste verhaal probeert het magere scharminkel Rosita W. de kerstavond door te komen. Ze heeft een lage dunk van zichzelf, denkt aan haar ouders, herinnert zich haar vriend die ooit tegen haar zei: «Wat heb ik hier, een meisje of een dopgarnaal?» In een ander verhaal gaat het om Coby die in het begin nog net niet zwerft, maar daar toch langzaam naartoe beweegt. «Haar maag trekt samen, verkrampt, ze slaat voorover. Doffe voetstappen op de tegels.»

Bij W.G. van de Hulst kwam het vroeger in dit soort verhalen allemaal goed omdat Jezus er altijd was. Hier niet. Ook niet in het verhaal IJsregen, waarin een vrouw die tijdens ijskoud noodweer haar huis niet meer uit kan, verkracht wordt en ten slotte het bos in gaat. Ik heb de neiging om bij dit soort geschiedenissen toch iets te denken van: volhouden meid, later komt het goed, of: ja, dan had je op school maar beter moeten opletten, of vroeger andere ouders moeten kiezen. Ik bedoel, de zieligheid en vertraptheid laten me in deze verhalen te weinig ruimte over om iets anders te denken dan dat het allemaal niet meevalt. Iets wat ik dus al wist en waarover ik niet ook nog een boek wil lezen. Bovendien kun je het in deze verhalen drie kilometer van tevoren aan zien komen, de uitleg staat vaak al in de eerste zin symbolisch verwoord: «Na het ontbijt is Arthur weer gaan liggen.» «Weer hou ik haar vast.» «Voor de derde keer speurt ze het plein af en loopt een rondje.» «Een dikke muis ritselt in de doos met macaroni.» «Honger maakte haar licht in het hoofd.» «De laatste dag van het jaar raakte ik je kwijt.» Et cetera.

Maar wacht even. Is dit een mislukt boek, kan Van Hassel niet schrijven? Van Hassel kan goed schrijven, haar beelden deugen meestal en bang voor een mooi geschreven uitschieter is ze ook niet. In een paar verhalen slaagt ze erin de geheimen die tussen mensen kunnen rond zoemen mooi overeind te houden. Maar er ontbreekt iets. Haar figuren zijn te eendimensionaal zielig. Ze zijn niet obsessioneel genoeg, alles overkomt hun, ze kunnen er niks aan doen en het medelijden van de schrijfster met de onderdrukten krijgt daardoor iets vrijblijvends. Kijk mij eens betrokken zijn. Misschien moet ze in een volgend boek niet meer zo veel naar anderen wijzen, maar de woede over zichzelf, of in zichzelf, eens lekker aan het woord laten komen.

Bob van der Burgs verhalen spelen zich af in hogere kringen: bedrijfskundigen, reclamemakers, plastisch chirurgen. Vaak gaat het om mannen die plotseling over zichzelf en hun bestaan aan het denken slaan, de zin er niet meer van inzien of door anderen gedwongen worden de waarheid over zichzelf te formuleren. Ontluistering is het hoofdthema. «Op een dag belt mijn oude vriend Tom», luidt de eerste zin van het eerste verhaal. Ik vind dit een prachtige zin, je ziet die vriendschap voor je: het was niks en het wordt niks. Maar bij Van der Burg gaat het niet om vertraptheid en zieligheid, maar om mislukking en de wanhoop daarover. Gefnuikte ambities en dan toch volhouden. Prachtig is het verhaal De ogen van Werner, waarin een zakenman zich zijn eerste geliefde herinnert, haar overal meent te zien, in een hotel, tijdens een diner, in een auto. Zijn leven is ineens waardeloos en Van der Burg weet dit subtiel onder woorden te brengen: «Hij hoort het krassen van een vogel en denkt: voortuin.» «Hij hoort een auto op het grind en denkt: de postbode.» Ook fraai is het verhaal Bakkertje, waarin bakkersknecht Paul ineens wordt geconfronteerd met de moeder van vriendinnetje Merel. De erotiek walmt hier van de bladzijden af, juist omdat Van der Burg het er niet over lijkt te hebben. Hij expliciteert minder dan Van Hassel, dat maakt zijn verhalen raadselachtiger en minder vrijblijvend. Je kunt erover doorpeinzen en je dan nog afvragen of je het wel helemaal tot je door liet dringen.

Beide schrijvers zijn sterk beïnvloed door de Amerikaanse schrijver Raymond Carver en daar hoeven ze zich niet voor te schamen. Wat is dat een geweldige schrijver! Hij slaagde erin het vanzelfsprekend gewone van de raarheid trefzeker onder woorden te brengen en het in te zetten bij de beschrijving van de «gewone» Amerikaan en diens illusies. Van der Burg treft Carvers zwijgzaamheid over bedoelingen en drijfveren van de personages. Van Hassel laat zich nog te veel verleiden tot uitleggen. Beiden missen het wrede van Carver, maar daar was het ze denk ik niet om begonnen.