Jarenlang was het tbs-systeem het kroonjuweel van de Nederlandse strafrechtspleging. Buitenlandse juristen, gedragsdeskundigen en journalisten reisden af naar ons land om hun licht op te steken over dit unieke stelsel. Het zaadje voor dit systeem werd geplant in 1884. Dat jaar legde de Krankzinnigenwet voor het eerst het onderscheid vast tussen psychisch verwarde en volledig toerekeningsvatbare daders. Twee jaar later trad het Wetboek van Strafrecht in werking. Het was tot dan toe ongekend dat een strafrechter – en niet een arts – bepaalde of iemand opgesloten moest worden achter de tralies van een gevangenis of van een gesticht.

Al snel bleken niet alle verdachten naadloos te passen in een van de twee beschikbare profielen: dat van de ontoerekeningsvatbare krankzinnige of de volledig bij zijn verstand zijnde crimineel. Eén categorie mensen viel tussen wal en schip: daders die niet volledig van de wereld zijn maar bij wie wel een steekje los zit. En bij wie er een verband bestaat tussen dat losse steekje en het misdrijf dat ze pleegden. Om ook deze categorie verdachten te bedienen werden in 1925 de ‘Psychopathenwetten’ aangenomen. Nu kon een rechter een dader wettelijk niet alleen wél, verminderd of níet toerekeningsvatbaar verklaren, maar hem ook voor de duur van twee jaar ‘ter beschikking van de Regeering stellen teneinde van Haarentwege te worden verpleegd’. Daarmee was het Nederlandse tbr-systeem een feit.

1988 is het jaar van een naamswijziging – tbr wordt tbs – en van een wetswijziging. Sindsdien kan een rechter alleen nog tbs opleggen als de dader een misdrijf heeft gepleegd waarop een gevangenisstraf van minimaal vier jaar staat. De decennia erna lijkt het kroonjuweel zijn glans te verliezen. Het aantal tbs’ers neemt toe, tot ongenoegen van de belastingbetaler. Het maatschappelijk draagvlak wankelt. Trots maakt plaats voor twijfel, vertrouwen voor wantrouwen. De vraag of het tbs-systeem effectief genoeg is, kantelt naar de vraag of het véilig genoeg is.

De sfeer slaat definitief om wanneer de tbs’er Wilhelm S. in 2005 tijdens begeleid verlof de benen neemt op het Centraal Station in Utrecht. Drie dagen later vindt de politie in het water het lichaam van de 73-jarige schipper Appie Luchies. De dader, Wilhelm S., houdt zich schuil in diens boot. Minister Donner overleeft ternauwernood een motie van wantrouwen over het vermeende wanbeleid rond verlof en de Tweede Kamer stelt een parlementaire enquêtecommissie in. De stoelendans tussen de drie doelstellingen van tbs – beveiliging, behandeling en rechtsbescherming – gaat de volgende ronde in. Wat zijn de tekortkomingen en de zegeningen van dit bijna honderdjarige systeem? Een analyse aan de hand van twee casussen en zeven gesprekken.

Tbs’ers

In 2020 legden rechters 273 keer tbs op, een lichte stijging ten opzichte van voorgaande jaren. In 167 gevallen ging het om tbs met dwang.

Op dit moment zijn er iets meer dan dertienhonderd tbs’ers waarvan zes procent vrouw. Binnen vijf jaar na ontslag van de tbs-maatregel pleegt iets minder dan dertig procent van de ex-tbs’ers een ernstig delict. Van de ex-gedetineerden is dit 47 procent (Bron: Raad voor de rechtspraak)

De jeugd van Michel B. (38) is weinig florissant. Hij is de derde in een gezin van vijf kinderen. ‘Een rotgezin’, zegt hij. Zijn vader mishandelt en misbruikt hem en de andere kinderen gedurende vele jaren. Zijn ouders gebruiken drugs en zijn vader dealt er ook in. Ze scheiden als hij vijf is. Zijn moeder hertrouwt met een man met wie ze nog eens vijf kinderen krijgt. ‘Alle tien de kinderen zijn vroeger of later uit huis geplaatst. Ik heb nog met één stiefzusje contact, de rest zie ik niet meer.’

Op zijn achtste begint Michel met roken en drinken. ‘Ik pikte sigaretten of een jointje als ik bij mijn vader was en soms een lijntje coke of een blikje bier.’ Dat ene biertje wordt al snel een kratje per dag. Zijn stiefvader mishandelt hem ook. Hij slaat hem tegen zijn hoofd en met stokken of stroomkabels op zijn rug. ‘Ik was een jongetje met veel problemen, een driftkop. Ik gooide ramen in, schold willekeurige mensen uit, vernielde spullen, stal uit winkels – soms omdat het moest van mijn vader – brak in in huizen en belandde vaak in vechtpartijen.’

Hij volgt speciaal onderwijs, een vervolgopleiding zit er niet in. Als tiener kampt hij met een forse verslaving aan alcohol, wiet, cocaïne en ghb en pleegt hij gewelds- en vermogensdelicten. Vanaf zijn vijftiende tot zijn achttiende zit hij in een gesloten jeugdinstelling. Daarna werkt hij korte tijd bij de marine, maar zijn drugsgebruik breekt hem op. Baantjes bij een fietsenmaker en in een dropfabriek volgen. Hij pleegt delicten aan de lopende band en belandt op de veelplegerslijst van de politie.

Maarten M. (35) groeit op als jongste van vier kinderen in een antroposofisch middenklassenmilieu. Zijn ouders zitten beiden in de hulpverlening. Zijn moeder typeert hij als zacht en spiritueel, zijn vader als gereserveerd. ‘Ik was een bang jongetje, overschreeuwde mijn angst met stoer, uitdagend gedrag. Ik denk dat daar de scheefgroei is begonnen. Ik ging ver in het uitdagen van leraren. Daar maakte ik me populair mee en dat was belangrijk voor me. Een juf werd op een gegeven moment zo woest dat ze me aan de kapstok heeft gehangen.’ Hij blijft zowel thuis als op school verstoken van de broodnodige structuur. Op zijn tiende gaan zijn ouders met hem naar het riagg. De psychiater constateert adhd en een stoornis in het autismespectrum. ‘Ik had concentratieproblemen en was snel overprikkeld maar therapie of medicijnen bleven achterwege.’

Als hij twaalf is ontdekt Maarten de geneugten van het blowen. ‘Het dempte mijn angst, vertraagde de continue gedachtestroom, en gaf me een stoer imago.’ Van de havo zakt hij af naar het vmbo en daarna wordt het niet veel meer met de opleiding. Het blowen neemt een steeds hogere vlucht en om zijn gebruik te bekostigen begint Maarten ernaast te dealen. Soft- en harddrugs. Hij is inmiddels zeventien en behalve dealer ook een grootverbruiker van xtc, speed en drank. Hij krijgt zijn eerste veroordeling voor een scooterdiefstal, er volgen er meer voor mishandeling, maar het loopt steeds met een sisser af. ‘Ik beloofde elke keer beterschap en de reclassering geloofde me op mijn blauwe ogen.’ Tot hij tijdens een bezoek aan een vriend in de gevangenis speed probeert binnen te smokkelen. Dat komt hem op een paar weken detentie te staan. Eenmaal buiten gaat hij op de oude voet verder. Uit een korte, heftige relatie worden twee dochters geboren. Maarten is dan begin twintig.

Jan-Jesse Lieftink, partner bij Bureau TBS Advocaten, vindt beide daders op een aantal punten representatief voor de populatie. Het overgrote deel van de tbs’ers is man, dertiger, verslaafd en heeft gewelds- of zedendelicten begaan. En zoals de meeste tbs’ers komt ook Michel uit een problematisch gezin. Als kind slachtoffer, als volwassene dader, Lieftink ziet het vaak. Maarten is wat dat betreft een uitzondering.

Wilko van Holten, werkzaam als geestelijk verzorger in De Voorde waar vooral tbs-patiënten met ernstige psychotische problemen verblijven, beschouwt het milieu waarin iemand opgroeit als cruciaal. Bijna altijd heeft het de patiënten in hun jeugd aan stabiliteit en structuur ontbroken en is er sprake van een of andere vorm van verwaarlozing. Dat grijpt diep in op iemands persoonlijkheid. ‘Ik ben bij bijna alle patiënten geneigd te denken: zo ben je niet geboren’, zegt hij. ‘Niemand wil dat een ander mens bang voor hem is, niemand wil verslaafd zijn.’

Vanwege zedendelicten met drie minderjarigen krijgt Michel in 2008, hij is dan 23, één jaar cel en tbs met voorwaarden, de ‘lichtere’ variant. ‘Ik moest voldoen aan ontiegelijk veel voorwaarden, me laten behandelen in een psychiatrische kliniek, geen alcohol of drugs gebruiken, geen geweld plegen.’ De voorwaarden blijken te hoog gegrepen. Na zijn veroordeling gaat hij regelmatig de fout in en lapt hij afspraken aan zijn laars. Volgens de rapporten is Michel een agressieve, impulsieve man met een IQ van beneden de tachtig. Wanneer hij op de vuist gaat met een medepatiënt zet de rechter de tbs met voorwaarden om in tbs met dwang waarbij opname in een gesloten kliniek verplicht is. De tbs kan telkens met één of twee jaar verlengd worden met als uiterste consequentie dat een dader de rest van zijn leven in de kliniek slijt.

Met tbs met dwangverpleging koop je tijd. Precies dat vindt Michiel van der Wolf, hoogleraar forensische psychiatrie, zo waardevol. Tijd biedt de mogelijkheid tot bezinning en het wegwerken van achterstallig opvoedingsonderhoud. Hij heeft tbs’ers meegemaakt van wie hij in het begin dacht: dat wordt helemaal niks, maar bij wie na een aantal jaar toch het kwartje viel.

Ook Hyacinthe van Bussel, directeur van tbs-kliniek de Rooyse Wissel en voorzitter van TBS Nederland, beschouwt het als de kracht van de maatregel dat hij bij aanvang zonder einddatum is. De dagen afstrepen op de muur is er niet bij. Bij de gemaximeerde tbs plaatst ze een kanttekening. Velen zitten die ongemotiveerd uit – het zal hun tijd wel duren. De voorwaarden zijn soms te hoog gegrepen waardoor ze die overtreden, zoals Michel, en alsnog tbs met dwang krijgen. Verspilling van tijd en verlies van vertrouwen.

‘De confrontatie met de slachtoffers maakte diepe indruk op me. Een van hen kon zijn beroep niet meer uitoefenen, was getekend voor het leven’

Jan-Jesse Lieftink is juist groot voorstander van tbs met voorwaarden, omdat je de behandeling kunt toesnijden op de patiënt. ‘Je hebt mensen die passen prima in een confectiepak, maar wanneer iemands benen te lang of armen te kort zijn heeft hij een maatpak nodig. Tbs met dwang is dat confectiepak, tbs met voorwaarden dat maatpak.’

Die onbepaalde duur van tbs is Lieftink een doorn in het oog. Graag zou hij zijn cliënten bij de keuze tussen gevangenisstraf of tbs een vette worst willen voorhouden. Ze vertellen dat tbs een prachtsysteem is. Ze aanraden mee te werken aan onderzoek en behandeling omdat ze dan een tweede kans krijgen. Dat zou hij het liefst doen, maar hij doet het niet. ‘Omdat ik weet dat door die onbepaalde duur sommige jongens vijfentwintig, dertig jaar in de tbs zullen zitten en dat wil ik niet op mijn geweten hebben.’

Motivatie voor behandeling is volgens Lieftink verbonden met perspectief. Juist het onthouden daarvan vindt hij gevaarlijk. Voor de instelling én voor de maatschappij. Hij is als advocaat betrokken bij de laatste tien incidenten in de tbs en die zijn allemaal veroorzaakt door mensen zonder perspectief. Het lijkt hem een beter idee om de dwang van de tbs aan een bepaalde duur te koppelen.

Geestelijk verzorger Wilko van Holten werkt met mensen op de long care: patiënten die dertig, veertig jaar in de kliniek verblijven, er soms hun laatste adem uitblazen. Vanwege de psychische kwetsbaarheid van deze mannen en vrouwen gaat het herstelproces in De Voorde langzamer dan in de reguliere tbs. Van Holten heeft onlangs afscheid genomen van een patiënt die bijna dertig jaar in de kliniek zat. ‘Hij had tien jaar nodig om te beseffen dat de medewerkers het weleens goed met hem zouden kunnen menen. Toen pas kon zijn behandeling beginnen. Hij moest aan de slag met zijn alcoholprobleem, zijn agressie. Dat heeft hem vanwege zijn psychotische kwetsbaarheid een kleine twintig jaar gekost. Nu is hij zover dat hij de maatschappij weer in kan.’

Niet alle patiënten bereiken dat punt. De meesten van hen leggen zich erbij neer dat ze de rest van hun leven in de long care zullen slijten en dat is volgens Van Holten niet eens zo’n slecht bestaan. Ze krijgen zorg, maken deel uit van een gemeenschap. ‘Perspectief kan dan ook zijn dat je een rol vervult in de kliniekraad.’

Het is juni 2010 als Maarten na een nacht doorhalen met drank en drugs op straat een woordenwisseling krijgt met twee willekeurige voorbijgangers. Hij steekt de een in de buik en de ander in de hartstreek. Wonder boven wonder overleven beide mannen. Maartens advocaat raadt hem na zijn arrestatie af om mee te werken aan psychologisch onderzoek, daarmee riskeert hij tbs. Maar Maarten heeft genoeg van zijn oude leventje. Hij weet uit ervaring dat detentie weinig meer behelst dan de tijd doden, sterke verhalen vertellen, beetje blowen. En dat, zodra hij vrij is, alles weer van voren af aan zal beginnen. Het roer moet radicaal om, niet in de laatste plaats vanwege zijn kinderen.

Dus werkt hij mee aan onderzoek. De diagnose: een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en ontwijkende trekken en adhd. De rechtbank veroordeelt hem voor mishandeling en poging tot doodslag tot een jaar cel en twee jaar tbs met voorwaarden. ‘De rechtszaak maakte diepe indruk op me door de confrontatie met de slachtoffers’, vertelt Maarten. ‘Een van hen kon zijn beroep niet meer uitoefenen, was getekend voor het leven.’

Ongeveer twee derde van de tbs-populatie kampt met een of meerdere verslavingen. Onder dwang een verslaving behandelen is volgens Hyacinthe van Bussel een paradox, want motivatie is een vereiste om af te kicken. De lakmoesproef volgt pas in het vervolgtraject. Tijdens een eerste, tweede, laatste verlof. Dat doorstaat lang niet iedereen. Daarbij helpt het niet dat het witte poeder en de bruine plakken de kliniek binnenkomen, controlepoortjes en visitaties ten spijt. Mensen zijn nu eenmaal inventief.

Rechter Anja van Holten signaleert anderszins dat bij sommigen op een bepaald moment toch het vuur gaat branden, al ontbreekt de intrinsieke motivatie. ‘Ze snappen dat ze zichzelf moeten gaan aanpakken willen ze verder komen en dan is dat de stok achter de deur.’ Een gebrek aan motivatie kan ook samenhangen met de problematiek van de dader. Zo is het voor zwakbegaafde mensen moeilijk om oorzaak en gevolg te onderscheiden, toekomstgericht te denken, te begrijpen wat ze moeten doen om verder te komen. Het is niet iedereen gegeven om te zien welke keuze het beste uitpakt. Een verstandelijke beperking, psychotische kwetsbaarheid, een persoonlijkheidsstructuur, het speelt allemaal mee.

Michel komt terecht in een kliniek in het midden van het land. De structuur daar doet hem zichtbaar goed. Aanvankelijk werkt hij constructief mee aan zijn behandeling, maar in de loop van de tijd zwicht hij voor de negatieve sociale druk van medebewoners en voor de verleiding van drugs. Hij gedraagt zich dwingend en ongeduldig. Het gaat beter met hem als hij medicijnen krijgt voor zijn adhd. Daar wordt hij rustig van, minder opvliegend. Het vinden van een vervolgplek is door de combinatie van zijn zedenverleden, agressieprobleem en zwakbegaafdheid een ingewikkelde puzzel.

Uiteindelijk wordt het een forensisch psychiatrische afdeling in het oosten van het land. Een gelukkige keuze voor wat betreft behandeling, want de afdeling heeft de expertise in huis die nodig is. Een minder gelukkige keuze gezien de 160 kilometer tussen de kliniek en zijn huis, waar hij een nacht per week slaapt en waar zijn echtgenote met kind woont – Michel is inmiddels getrouwd met een van zijn vroegere slachtoffers en vader geworden. ‘In die tijd ging het goed met me. Het vaderschap veranderde me. Ik had een vrouw en een kind om me voor in te zetten. En de behandelaars in die kliniek begrepen me beter. Zij zeiden: “We zijn er voor je, wij willen je helpen.”’

Het vinden van een vervolgplek kan een lastig punt zijn vanwege de complexe problematiek van een tbs’er, zoals bij Michel. Veel instellingen schromen om bepaalde doelgroepen op te nemen. Er is een gebrek aan vervolgplekken voor bijvoorbeeld patiënten met een verstandelijke beperking. Gevolg: lange wachtlijsten. Maar vervolgplekken, met minder begeleiding en beveiliging, zijn onontbeerlijk voor een volgende stap in het behandeltraject.

Een ander knelpunt is de personele bezetting. Er is sprake van hoog ziekteverzuim, een onderbezette staf en te weinig ervaren medewerkers. Die problemen zijn sinds de moord op Anne Faber in 2017 alleen maar toegenomen. Rechters legden vaker tbs op en de klinieken stroomden vol. Maar het water stónd het personeel al tot aan de lippen. Geestelijk verzorger Wilko van Holten zou het een groot goed vinden wanneer groepsleiders langer op hun post blijven; senioriteit is cruciaal. Jonge medewerkers moeten kunnen rijpen aan oude rotten in het vak, vindt ook Anja van Holten. Zij is als gastdocent verbonden aan het expertisecentrum van het Willem Pompe Instituut en geeft les aan behandelaars die ter zitting moeten rapporteren. Elke keer weer is ze diep onder de indruk van hun gedrevenheid. Ze gaan ervoor: voor dat zware werk, die moeilijke groep, de lange adem. Maar het zijn precies ook die aspecten die de medewerkers weer de kliniek uit jagen.

Advocaat Jan-Jesse Lieftink haalt een rapport uit 2020 aan, Geen kant meer op kunnen, waarin de Inspectie Justitie en Veiligheid stelt dat er op dit moment in de klinieken personeel werkt dat niet is toegerust voor zijn taak. ‘Er zijn een aantal capabele krachten maar die hebben weer te veel mensen onder hun hoede om alles goed in de gaten te kunnen houden. En dat is link. Het is wel op de werkvloer waar de risicotaxaties worden gemaakt.’

Voor de volgende fase in zijn behandeltraject gaat Michel naar een forensisch psychiatrische afdeling in het noorden van het land. Het probleem van de afstand is daarmee geslecht, maar nu schiet de weegschaal door naar de andere kant: de afdeling is niet toegesneden op zijn problematiek. ‘Het personeel wisselde steeds, ik zag om de haverklap nieuwe gezichten, maar ik vertrouw iemand pas als ik hem een beetje heb leren kennen. En de behandelaars gaven me geen ruimte. Dan word ik recalcitrant en ga ik jennen.’ Hij is aangemeld voor agressietraining maar daarvoor is een wachtlijst. Wat ook niet helpt is dat de psychiater met goedvinden van Michel besluit de medicatie voor adhd stop te zetten. Als de kliniek na een incident zijn verlof intrekt, is voor Michel de maat vol. ‘Ik ben over het hek geklommen.’ In minder dan 24 uur is hij alweer terug, maar zijn actie heeft terugplaatsing naar de eerste kliniek tot gevolg. Tegen de regels in maakt niemand melding van zijn escapade waardoor Michel op verlof mag.

Hoe veiliger de samenleving, hoe groter de intolerantie voor onveiligheid. De media genereren steeds meer aandacht voor incidenten terwijl die er minder zijn

Hoogleraar forensische psychiatrie Michiel van der Wolf is nuchter over de fouten die worden gemaakt in behandeltrajecten. Niet alleen patiënten hebben de onvoorspelbaarheid van een mens, ook behandelaars zijn feilbaar. Het systeem is zo goed als het wordt uitgevoerd. Omdat de uitvoering aan mensen is, zijn verkeerde inschattingen inherent aan het systeem. En zelfs als behandelaars geen steken laten vallen leiden de beperktheden van het diagnostisch instrumentarium soms toch tot missers. Overigens vooral ten koste van mensen die onterecht het stempel gevaarlijk krijgen. Veel minder vaak zal iemand onterecht het predicaat ongevaarlijk krijgen, maar alleen dat laatste haalt het nieuws. Foute beslissingen horen bij een stelsel waarvan risicotaxatie de corebusiness is.

De relativerende manier waarop Van der Wolf dit stelt, staat in schril contrast met de opgewonden toon die de media vaak aanslaan als het gaat om tbs. De ophef over incidenten ziet hij als iets van de laatste decennia. De samenleving heeft het idee dat het de verkeerde kant op gaat, het tegendeel is waar. De forensische zorg presteert beter en de recidive is minder, maar dat is de veiligheidsparadox: hoe veiliger de samenleving, hoe groter de intolerantie voor onveiligheid. De media genereren steeds meer aandacht voor incidenten terwijl die er minder zijn. Dat leidt tot scheve beeldvorming.

Geestelijk verzorger Wilko van Holten vergelijkt tbs met het openbaar vervoer. ‘Als alle treinen op tijd rijden hoor je niemand erover, maar als er eentje vertraging heeft zijn de rapen gaar. Maar in 0,016 procent van de 70.000 verlofbewegingen per jaar gaat er iets mis, en dat kan ook zijn dat iemand een paar uur te laat terugkeert van verlof.’

Dé oplossing om de beeldvorming om te buigen is volgens kliniekdirecteur Hyacinthe van Bussel de media actief opzoeken. En mensen informeren, bijvoorbeeld door ze de kliniek binnen te halen. Zo heeft de Rooyse Wissel een theatervoorstelling gemaakt met buurtbewoners. ‘De eerste keer vinden ze het reuze spannend. Ze zijn op hun hoede voor die gevaarlijke boeven. Dan neemt iemand hun jas aan, biedt iemand anders hun een kopje koffie aan en pas in tweede instantie realiseren ze zich dat dat die gevaarlijke boeven zijn. Twee uur later lopen ze de deur uit en wensen ze hun nieuwe kennissen sterkte en geluk in de toekomst.’

Van der Wolf vindt dat alle zeilen bijgezet moeten worden om het vertekende beeld van tbs bij te stellen door mensen voor te lichten. Hij vindt het niet erg als mensen tbs een slecht systeem vinden. Wel als ze het een slecht systeem vinden op basis van verkeerde informatie, en dat is volgens hem de laatste decennia het geval. Daar ligt een taak voor de media én voor de politiek. Want over een ding zijn de geïnterviewden het roerend eens: de politiek heeft boter op het hoofd. Die reageert op de temperatuur in de samenleving, niet op wat er feitelijk gebeurt, en laat zich meezuigen door de emotionele toon van de berichtgeving in de media. ‘Dat de tbs nu onderdeel is van het overgepolitiseerde veiligheidsbeleid maakt het tot speelbal van Den Haag’, zegt Van der Wolf. ‘Incidenten leiden tot symboolpolitieke maatregelen die de balans uit het systeem halen.’

Zo voerde toenmalig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven in 2011 de maatregel in dat een tbs’er die te laat terugkwam van verlof een jaar niet naar buiten mocht. Het tegenovergestelde van maatwerk. Het bemoeilijkte en vertraagde de behandeling, de kosten schoten omhoog. Ook de afschaffing van de Fokkensregeling – een gedetineerde met tbs kon na een derde van zijn straf aan zijn behandeling beginnen – laat zijn sporen na. ‘Wat is het voor flauwekul’, zegt Jan-Jesse Lieftink, ‘om iemand eerst achttien jaar in de gevangenis te gooien en pas daarna te behandelen? Het is nu helemaal hip, maar het slaat nergens op.’

Volgens Michiel van der Wolf bewijzen alle studies dat vroeger investeren in behandeling de samenleving op de lange termijn veel narigheid bespaart, alleen heeft de politiek zo haar eigen logica. In zijn ogen is het beleid ten aanzien van strafrecht en veiligheid enorm populistisch geworden. Het is veiligheid wat de klok slaat. Geen partij zal iets in haar verkiezingsprogramma zetten wat daar tegenin gaat. Er is maar één visie: hard zijn en beveiligen. Een andere koers varen vergt moed.

Tbs-advocaat Lieftink zegt dat het voor het optimaal en stabiel laten functioneren van het systeem van belang is om de verantwoordelijkheid zo veel mogelijk bij de politiek weg te halen. Hij stelt voor om die macht bij onafhankelijke instanties als de rechterlijke macht of de inspectie neer te leggen. ‘De minister is slechts een passant en ook nog eens met een politieke kleur.’

Rechter Anja van Holten trekt op dit punt aan de bel. Ze wijst erop dat het staatsrechtelijk gezien een lastig punt is om de verantwoordelijkheid weg te halen bij de minister. Want die ‘passant’ is wel verantwoordelijk voor alle penitentiaire zaken. De Tweede Kamer kan hem erop aanspreken en dat gebeurt ook. ‘Probleem alleen is dat die Tweede Kamer vol zit met mensen die te weinig weten’, zegt ze.

Na een jaar op de gesloten afdeling mag Maarten naar de open afdeling waar rehabilitatie centraal staat. Dramatherapie, groepsgesprekken, lichaamsgerichte sessies helpen hem om inzicht te krijgen in de stappen die bij hem voorafgaan aan het gebruik van geweld. ‘Agressie had in mijn geval veel te maken met angst en onzekerheid. In essentie wil ik gewoon controle over de situatie. Nu ik me zekerder voel is die controlebehoefte minder.’

Hij krijgt een baantje bij de groenvoorziening en brengt met een vrachtwagentje van de ggz medicijnen en wasgoed rond op de verschillende afdelingen. Na ongeveer een half jaar oriënteert hij zich op een woning en een dagbesteding. Hij vindt al snel een antikraakpand waar hij voor een klein bedrag kan wonen en schrijft zich in voor een mbo-opleiding internationale handel. Die bevalt hem niet. ‘Te glad, te commercieel.’ Na een test die hij met goed gevolg aflegt maakt hij de overstap naar een studie psychologie.

Hyacinthe van Bussel wijst niet alleen met een beschuldigende vinger naar de politiek. Ze steekt ook de hand in eigen boezem. ‘Wij hebben het in het verleden slecht gedaan door van de tbs een gesloten wereld te maken. Als er iets gebeurde was het devies: wie geschoren wordt moet stilzitten. We hielden de lippen stijf op elkaar.’ Wanneer zich nu een incident voordoet zet ze het in principe direct op de website. Dat tempert de opwinding in het medialandschap. Ze vindt dat je een incident niet moet verdoezelen, niet bagatelliseren, maar ook niet opkloppen tot een sensationele mediagebeurtenis.

De ontsnapping van Wilhelm S. in 2005 ziet ze als hét moment waarop de paniek bij de verschillende partijen toesloeg. ‘Als vóór die tijd iemand niet terugkeerde van verlof, gingen we na twee dagen om de tafel zitten om te kijken wat we zouden doen. Wanneer daarna iemand een half uur te laat was, begon de politie meteen met opsporing.’ Niets mocht meer fout gaan.

Patiënten konden pas veel later op verlof waardoor de duur van de gemiddelde tbs-behandeling explosief steeg, van gemiddeld zes naar gemiddeld elf jaar. Tot ongenoegen van rechters en advocaten. Bij hen groeide het wantrouwen tegen het systeem. Op een gegeven moment rees de vraag of de lengte van de tbs nog in verhouding stond tot het delict. Nee, luidde het antwoord van veel raadsheren, met als gevolg dat het aantal tbs-opleggingen drastisch slonk. Vanaf 2012 kon een aantal klinieken de deuren sluiten.

Op initiatief van TBS Nederland staken advocaten, rechters, het OM en de klinieken in 2013 de koppen bij elkaar om tot een oplossing te komen. De eerste van een reeks conferenties in Lunteren was een feit. Gezamenlijk schetsten ze op de tekentafel een schema om de gemiddelde duur van tbs te bekorten tot acht jaar en verlof te vervroegen. ‘De Lunterenconferenties waren vruchtbaar’, vertelt Lieftink. ‘Heldere afspraken zorgden ervoor dat er schot in zaken kwam.’

‘Burgers zouden een tbs’er in de wijk kunnen opnemen of hem werk kunnen aanbieden. Dat is constructiever dan verontwaardigd te zijn na een incident’

Een zaak waardoor het roer weer radicaal om ging was de moord op Anne Faber in 2017. Paradoxaal genoeg werd dader Michael P. tegen wil en dank pleitbezorger van het systeem. Na zijn weigering om mee te werken aan gedragskundig onderzoek kreeg hij alleen gevangenisstraf. Ineens klonk het van alle kanten: ‘Mensen als hij horen in de tbs.’ Sindsdien zijn een aantal zaken vanzelfsprekender onderdeel van de dagelijkse praktijk. De psychiatrische observatiekliniek het Pieter Baan Centrum neemt ook verdachten ter observatie op die gedragskundig onderzoek weigeren. Er is meer kennis bij rechters en officieren van justitie over de mogelijkheden om tbs op te leggen aan weigeraars. Zo kan een stoornis ook worden vastgesteld op basis van bevindingen van de politie, verklaringen van familieleden, een rapportage van jeugdzorg of het gedrag op een zitting.

Na Michael P. nam het aantal tbs-opleggingen opnieuw een hoge vlucht. Probleem was dat de capaciteit niet meegroeide. Daardoor raakte het stelsel verstopt. De instroom en doorstroom stokten omdat bepaalde groepen patiënten, zoals vreemdelingen zonder papieren of mensen met een verstandelijke beperking, moeilijk uitstromen. Inmiddels zijn volgens Jan-Jesse Lieftink na acht jaar de afspraken van de Lunterenconferenties in de praktijk zo goed als losgelaten. Op dit moment regeert de angst, zegt hij. Angst bij de minister voor incidenten, angst bij de klinieken voor incidenten, angst bij beide om onder het vergrootglas van de samenleving gelegd te worden.

Dat leidt bij de minister tot emotiepolitiek en bij de klinieken tot een weinig ontvankelijke houding voor kritiek. ‘De oordelen van de inspectie zijn soms snoeihard’, zegt Lieftink. ‘Dan zegt de directie gewoon: “Daar zijn wij het niet mee eens. Wij leven in de film, u maakt slechts een foto.”’ Hij wil niet alle klinieken over een kam scheren, maar over de hele linie viert de krampachtigheid hoogtij. Al begrijpt hij ook wel dat je als behandelaar extra voorzichtig wordt als een cliënt van je tijdens verlof een moord pleegt.

Vreemdelingen in de tbs

Een specifiek probleem is de positie van vreemdelingen in de tbs. Ze raken vanwege de veroordeling hun verblijfstatus kwijt. Daardoor mogen ze niet op verlof. En niet op verlof betekent: niet resocialiseren. Na een half afgeronde behandeling krijgen ze een enkeltje richting land van herkomst. Wanneer dat land de grenzen voor ze gesloten houdt, zijn ze gedoemd levenslang in de tbs te blijven, waardoor het systeem de komende jaren verder zal verstoppen.

Anja van Holten schetst hoe deze patstelling voor haar en haar collega-rechters een dilemma met zich meebrengt. Als ze vreemdelingen tbs opleggen betekent het voor degenen die niet terug kunnen keren naar hun vaderland, dat ze tot aan hun dood in de kliniek moeten blijven. Als ze geen tbs opleggen keert na gevangenisstraf iemand met een onbehandelde stoornis terug in de maatschappij. Zou het een oplossing kunnen zijn om deze vreemdelingen hun verblijfstatus niet te ontnemen wanneer ze in de tbs belanden? Van Holten: ‘Zeker, maar dat doorkruist de dominante politieke opvatting dat zij niet meer welkom zijn in ons land.’

Omdat de verwachting is dat de tbs in mei 2019 voorwaardelijk zal worden beëindigd gaat Michel naar een resocialisatieafdeling. ‘Eerder werkte ik in een klussenteam en volgde ik een opleiding tot assistent-schilder, maar op deze afdeling had ik niks te doen. Er was ook geen structuur, terwijl ik die wel nodig heb.’ In de week voor zijn proefverlof speelt een rechtszaak over zijn dochter. ‘Ik dreigde het gezag te verliezen. Verloor dat ook daadwerkelijk. Als behandelaar vraag je je dan toch af of het slim is om mij een paar dagen later alleen op verlof te laten gaan. Hadden ze het niet beter kunnen intrekken? Of een begeleider mee kunnen sturen?’

De communicatie tussen de reclassering en de kliniek is schimmig. Ze spelen elkaar de bal toe als het gaat om de vraag wie eindverantwoordelijk is, waardoor uiteindelijk niemand de verantwoordelijkheid neemt. Het door een sociotherapeut gesignaleerde risicovolle gedrag blijft onvermeld. Eind april volgt het proefverlof. Enkele dagen daarna vindt de recherche in een flat het levenloze lichaam van een 72-jarige man. Hij is bestolen, gedrogeerd en gewurgd. Nog dezelfde week volgt de aanhouding van twee verdachten, een voormalige tbs’er en Michel. ‘Ik was niets van plan, wou het goed doen, maar die maat praatte me om. En ik ben makkelijk over te halen. Ik stond er niet bij stil.’

De rechtbank veroordeelt hem tot achttien jaar cel en opnieuw tbs. In hoger beroep komt het hof tot eenzelfde uitspraak. ‘Een domper. Ik moet eerst twee derde van mijn straf, tien jaar, de gevangenis in. Misschien zeg ik tegen de tijd dat ik aan behandeling mag beginnen wel: zoek het maar lekker uit.’

Volgens Maarten scheelt eerder inzetten op behandeling een hoop ellende. Hij weet uit ervaring dat je van een gevangenisstraf eerder een betere boef dan een beter mens wordt. Hij heeft niets dan lof voor het tbs-systeem. ‘Ik heb er mijn tweede leven aan te danken. Ik ben nu zoveel zelfverzekerder en stabieler. Ik ging naar binnen met een onderontwikkelde persoonlijkheid, vloog alle kanten op. Toen ik uit de kliniek kwam kon ik meer op mezelf vertrouwen, al was het nog fragiel. Ik was niet meer delictgevaarlijk, maar ik moest wel aan de slag met mijn angst. In het resocialisatietraject ben ik echt naar mezelf gaan kijken. Ik durf me nu ook kwetsbaar op te stellen. Die antisociale persoonlijkheid is door de jaren heen een beetje weggesleten.’

Als hij dan toch één kanttekening mag plaatsen; wat meer aandacht voor de toekomst tijdens de behandeling zou welkom zijn. ‘Ik was gewend om mijn geld te verdienen met dealen. Daar kreeg ik waardering voor, dat was mijn identiteit. Als daar geen nieuw perspectief, geen nieuwe identiteit voor in de plaats komt, red je het niet.’

Advocaat Jan-Jesse Lieftink ziet hoe een deel van zijn cliënten worstelt met dat gebrek aan perspectief bij terugkeer in de samenleving. ‘Re-integreren in de maatschappij is een hels karwei. Ze vinden geen werk, krijgen geen woning, hebben geen vriendin meer of een vriendin met problemen. De samenleving zit niet op hen te wachten. Daar is het ieder voor zich. Niks touwtje uit de brievenbus. Terwijl burgers heel goed hun steentje zouden kunnen bijdragen door een tbs’er in de wijk op te nemen, hem werk aan te bieden of te begeleiden als buddy. Dat is constructiever dan die heilige verontwaardiging na weer een incident.’

Hoe pakt de balans uit tussen tekortkomingen en zegeningen van het systeem? Volgens hoogleraar forensische psychiatrie Michiel van der Wolf zeggen de meeste tbs’ers dat ze óndanks de tbs op het goede spoor zijn gekomen. Dat vindt hij mooi. Kennelijk hebben ze zelf de verantwoordelijkheid genomen, maar zonder de kaders van de tbs hadden ze die kans niet gekregen.

In de ogen van geestelijk verzorger Wilko van Holten is binnen die kaders één factor allesbepalend: ‘Ik stel mijn patiënten standaard de vraag: “Wat heb je tot nu toe aan je behandeling gehad?” Nooit zegt iemand: “Ik heb goed aan mijn dynamische risicofactoren kunnen werken.” Of: “Ik ben nu een stuk veiliger voor de samenleving.” Altijd zeggen ze: “Het was die ene sociotherapeut, die ene behandelaar, die ene werkmeester die me zag staan.” Erkenning, dat is de crux.’

Voor Van der Wolf heeft het kroonjuweel van de tbs zijn glans niet verloren, ondanks de paar doffe plekken hier en daar. ‘Zonder zouden we een stuk slechter af zijn. Het houdt ons veilig en het is humaan. We zeggen niet zoals sommige populistische partijen: sluit die gevaarlijke gekken op en gooi de sleutel weg.’ Hij zou in het buitenland geen stelsel weten dat beter scoort. De tbs vangt veel problematiek op die de gevangenis en de psychiatrie niet aankunnen. Het systeem kost een hoop, maar bespaart op de lange duur vele malen meer.

Het ministerie ziet de kosten uitdijen en zoekt krampachtig naar manieren om de hand op de knip te houden, maar dat vergroot volgens Van der Wolf de risico’s. De oogst van tbs, recidivevermindering, verschraalt als je klinieken gaat afknijpen. Je kunt niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Zijn advies: ‘Wees gul, geef het veld meer verantwoordelijkheid en laat het systeem politiek en beleidsmatig met rust. Dan zal het alleen maar beter gaan.’

Ondanks zijn kritiek onderschrijft ook tbs-advocaat Jan-Jesse Lieftink de kracht van het systeem. Zowel de overvaller als de moordenaar als de verkrachter kunnen een behandeling ondergaan, leren van hun fouten, kunnen een nieuw leven beginnen. Hij gelooft niet zo in een tweede kans na gevangenisstraf maar wel na tbs. Mits zonder onbepaalde duur. Hyacinthe van Bussel is trots op ‘ons’ tbs-stelsel. ‘Een systeem met veel uitdagingen en een grote politieke gevoeligheid, maar onder de streep ontegenzeggelijk effectief.’

Verzorger Wilko van Holten introduceert een beeld uit de katholieke theologie. Ieder mens heeft nog iets uit te boeten voordat hij of zij geschikt is voor de hemel, zo zegt hij. Hij beschouwt tbs als een soort vagevuur waarin iemand serieus moet kijken naar de schade die hij veroorzaakt heeft. Pas daarna is hij geschikt om weer vrij en verantwoordelijk te leven.

Ook Michel gelooft in tbs, blijkens zijn uitspraak voor de rechtbank dat hij daar thuishoort. ‘Ik weet dat ik behandeling nodig heb. Die krijg ik niet in de gevangenis. Ik heb nu mijn gevoel uitgeschakeld, maar het is maar helemaal de vraag of die knop over tien jaar nog om kan.’

En Maarten? Die verheugt zich op zijn toekomst als forensisch psycholoog in een tbs-kliniek. ‘Een behandeling kan zo veel opleveren. Ik zou het fantastisch vinden als ik andere jongens zou kunnen motiveren om die tweede kans te pakken.’


Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Steunfonds Freelance Journalisten en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl. De echte naam van Maarten is bij de redactie bekend