Popmuziek

Zonder zonnebril

Popmuziek: U2

De prijzen waarvoor kaartjes voor de drie optredens van U2 op de zwarte markt worden verkocht, doen vermoeden dat er slechts een handvol in omloop zijn. In tegendeel: het zijn er 150.000. Maar U2 is al jaren de grootste stabiele factor in de popmuziek.

Dat is knap, maar nog knapper is dat het, samen met Bruce Springsteen, de enige al langer meelopende stadionact ter wereld is die niet teert op haar verleden. U2’s meest recente album How to Dismantle an Atomic Bomb is geen meesterwerk, maar wel een album met een geestdrift en frisheid die weinig bands in deze fase van hun carrière nog kunnen opbrengen. Openingsnummer Vertigo heeft niet de uitbundige energie van een jonge hond, maar juist de gedoseerde energie van de ervaring. Dat album is vervolgens ook niet slechts de aanleiding om rond te touren met een overzicht van hits, het is de rode draad door de show.

In Brussel bleek een paar we ken geleden tijdens het openingsconcert van deze tournee dat U2 bovendien live slaagt in het haast onmogelijke: stadionbreed klinken en tegelijk subtiel blijven. Bands die stadions vullen, gaan doorgaans al snel klínken als stadionbands. In de poging ook de goedkoopste vakken van de tweede ring te bereiken, die mensen die vele honderden meters verderop naar vertraagde videobeelden kijken, ligt de verleiding van de bombast op de loer. Opeens staan er dan achtergrondzangeressen op het podium, extra gitaristen, blazers en nog een drummer. Om alles dicht te smeren en zo ieder gaatje van dat stadion te vullen.

Ook U2 heeft de naam een bombastische band te zijn. Dat was ooit waar, maar is alweer enkele jaren een onterechte (dis)kwalificatie. Goed voorbeeld is de single City of Blinding Lights, een van de hoogtepunten van deze tournee. Het is een typisch U2-nummer: broeierig ingeleid door gitarist The Edge, die geen diarree aan akkoorden nodig heeft om binnen drie seconden herkenbaar te zijn. Opzwepend ook, dit nummer, vanwege de schijnbare aankondiging van een explosie die vervolgens achterwege blijft. Het zijn nummers die euforie oproepen, maar zelf beheerst blijven. Hoe groot die prestatie is, bleek toen Nederlands populairste rockband Kane een aantal jaren geleden een tourtje deed ter ere van U2. Kane coverde avond aan avond U2 en kon de verleiding van de grand finale niet weerstaan. U2-nummers ronkten opeens, werden opgeblazen, en het bleek funest: als ballonnen spatten ze uit elkaar. U2 zelf blijft live transparant: de muziek klinkt als het samenspel van de klassieke bandbezetting drums-bas-gitaar-zang, maar ook de afzonderlijke onderdelen daarvan zijn te onderscheiden.

Opmerkelijk is dat het aantal politiek geladen nummers dat U2 tegenwoordig speelt gering blijft, terwijl de liveshow juist intens politiek is. Drie thema’s lopen erdoorheen: het credo dat één mens het verschil kan maken – en er kan veel worden gezegd van Bono, maar niet dat hij niet leeft naar dat motto –, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (die komt zelfs integraal voorbij) en de bekende verzoenende op vatting dat alle religies uiteindelijk naar hetzelfde streven en er per saldo maar één God is, die toevallig een paar namen heeft. Zo subtiel als de muziek blijft, zo massief is de wijze waarop die boodschappen worden gebracht.

Toch komt U2 ermee weg. Om dat niet valt vol te houden dat de zanger van de band het bij preken houdt, maar vooral: omdat hij dat preken niet hoorbaar doet. Alleen zichtbaar: de boodschappen spelen zich op de schermen af en op de zweetband rond Bono’s hoofd. Als doorlopende commercials, maar dan ideologische.

Het meest ontroerende mo ment is het meest persoonlijke. Sometimes you can’t make it on your own, waarin Bono zingt over de relatie met zijn vader: «I don’t need to hear you say/ That if we weren’t so alike/ You’d like me a whole lot more.» Het is de tekst, vol liefdevol mededogen van de zoon die de man bezingt op wie hij meer lijkt dan ze beiden zouden willen toegeven. En het is Bono’s inmiddels wat versleten stem, die soms perslucht nodig heeft om eruit te komen, die het stadion op dit moment doodstil krijgt. Intimiteit op de grootst mogelijke schaal. Maar wel de zelfbewuste intimiteit van de wereldster: tijdens dit nummer zet Bono zijn zonnebril af, zodat zijn ogen op de grote schermen, opeens in melancholisch zwart-wit, goed zijn te zien. Bij het volgende nummer zet hij die zonnebril weer op. Want niemand weet zo goed hoe massacommunicatie werkt als Bono, of hij nu pleit voor schuldenverlichting of zijn vader be zingt. Dat hij op het nieuwe album zingt: «Some things you shouldn’t get too good at/ Like smiling, crying and celebrity/ Some people got way too much confidence, baby», het kan niet anders worden uitgelegd dan als zelfspot.

U2 speelt 13, 15 en 16 juli in de Amsterdam Arena (uitverkocht)