Zonderling

De aardigste van mijn hoogleraren was Loenen. Eerst leraar oude talen was hij na de oorlog naar de Universiteit van Amsterdam gehaald voor de leerstoel oude geschiedenis. Vanwege wetenschappelijke verdiensten (waaronder Eugeneia, een studie naar ‘adel binnen de Atheense democratie’), maar ook dank zij een politiek zuiver verleden als mede-oprichter van het Comite van Waakzaamheid. Hij had iets boers, contactgestoords en hij kon uitermate mal uit de hoek komen. Tentamen werd bij hem thuis afgenomen en toen de huishoudster mijn jack had aangenomen, reikte hij me de hand en noodde me binnen, zeggend: ‘U stinkt tenminste niet.’ Ik was verbijsterd en vermoedde later dat hij iets aardigs over frisse rode wangen vanwege vrieskou had willen zeggen, maar, in een verlegenheid die de mijne evenaarde, een wat merkwaardige formulering koos. Resultaat was dat het me door de gedienstige aangereikte kopje thee prompt over het tapijt ging waarop wij met steeds rodere koppen opboden in excuses en wegwuiven daarvan. Toch geslaagd, dank u.

Zijn vraagmethode was origineel: de inhoud van de pillen Bury en Cary (zijn dat nog standaardtitels?) had hij op fiches en om de zoveel tijd viste hij, blind, een kaartje uit de stapel: nieuw onderwerp. Het afscheidscollege was vooral onvergetelijk omdat hij na zijn laatste woorden in snikken uitbarstte wat me, sentimenteel als ik ben, nog meer voor hem innam. Als ik het haal, zal het mij net zo vergaan. Het verhaal ging dat hij het gymnasium en het persoonlijk contact met leerlingen miste (toen al, terwijl ze nu met honderden in die zalen zitten).
Verhalen gaan wel vaker, maar dit is plausibel gezien het feit dat hij, als enige, de gewoonte had alle eerstejaars ter kennismaking thuis te noden. En omdat de jaargang ‘57 buitengewoon omvangrijk was (naar schatting 25) kwamen we in twee ploegen. Natuurlijk waren geschutter en gesmiespel niet van de lucht. Waande ik me in het huis van m'n lerares Nederlands, waar we kwamen voor toneelrepetities, al in een paleis, hier werd een Heilige Hal betreden. Met saamgeknepen billen schuifelden we langs zijn kunstvoorwerpen. Legers dominees marcheerden voorbij omdat ook hij sociaal gemak niet tot zijn talenten kon rekenen. Toen sprak hij de historische zin: 'Als u nu langzamerhand spontaan een plaatsje zoekt’, waarop wij neerstortten waar we stonden.
Buiten thee en sherry herinner ik me niets. Behalve de verlate komst van een van ons. Was die vertraging al niet comme il faut (na collegebegin waagde geen mens het binnen te komen, terwijl ze tegenwoordig vrolijk koutend door je verhandeling over de wording van de verzorgingsstaat heen wandelen), hij had ook nog eens minuten nodig om zich uit zijn motorkleding te pellen. Het had iets bizars. Hij was en bleef een buitenstaander van wie wij, in jeugdige bekrompenheid, geen hoge verwachtingen koesterden. Ik was dan ook veel later verbaasd te horen dat deze licht zonderlinge collega zich had ontwikkeld tot een van de aardigste boekengekken des lands, bekend van radio en tv. Dit stukje daarom als welkom aan Martin Ros, sinds kort mijn buurman op deze pagina.