#3

Zonnestralen

De hoopvolle zonnestralen van maart. Alsof er niets aan de hand is. De maand maart, de uitslag van de scan. ‘Ons vermoeden is MS’, spreekt de neuroloog. ‘Nu zal ik nooit kinderen krijgen’. Het was mijn allereerste gedachte. Niet veel later wordt het vermoeden bevestigd. De vanaf dat moment dreigende zonnestralen van maart. De herinnering overal in mij. Mijn lichaam weet precies wanneer het begint maar het gevoel overvalt me nog altijd. Ook als ik me erop voorbereid.

Al had het één het ander niet uit hoeven sluiten, zelf heb ik geen kinderen. Zo is het, het is goed en geeft rust. Maar wil jíj niet een kind, echt iets van jezelf? vraagt een vriendin mij, met haar spruit op schoot. Iets van mezelf, het arme kind.

Mijn zusje is bevallen. Ik heb een nieuw nichtje. Haar tweede naam vernoemd naar mij. We gaan er de volgende dag meteen naartoe, het is vlakbij. Daar aangekomen word ik in de rolstoel opgetild, de trappen op, het huis in. Haar grote zus rent naar me toe en springend rond haar moeder roept ze: ‘Sara, Sara, je moet m’n baby vasthouden’, en ik schiet vol. Even later wordt een doek op m’n benen gelegd en voor me op mijn schoot ligt mijn nichtje.

Toen een paar jaar eerder in een ander huis haar zus werd geboren, lukte het me nog om staand op m’n benen de lange, smalle trappen omhoog te klimmen om na een tijdje op m’n billen met vooruitgestrekte benen weer haperend naar beneden te gaan.

De hoopvolle zonnestralen van maart,
alsof er niets aan de hand is,
ik voel de dreiging, er is iets.

Afleiding is fijn. Het is zaterdagavond, 17 maart, St. Patricksday. Vroeger stond ik achter de bar in het stampvolle café waar op deze Ierse feestdag de guinness niet aan te slepen is. Ik mis die tijd. Ik mis mij. Maar vanavond gaan we naar Delamar, Showponies, een moderne revue met Alex Klaasen in de hoofdrol.

Bij binnenkomst van de zaal loopt de vloer licht omhoog. Geen gezond paar benen dat dit zal merken, maar voor mijn armen is het zwaar. Gelukkig word ik geduwd. Boven aan de helling is het vlak. Daar, op de helft van de zaal, is de rij waar een stoel is weggehaald zodat ik daar kan staan, op de rem. Voor de zekerheid wordt er een plank achter me gelegd zodat ik na afloop de schuinte achter mij niet vergeet en met een vaart naar beneden rol. Het is wel eens misgegaan vertelt de medewerker mij. Ik kijk over m’n schouder naar de afgrond. Best spannend. Misschien mag ik, als ik naar beneden val, als troost wel backstage. Alles gaat goed. De voorstelling is fantastisch, wat een stem.

Na afloop gaan er twee zalen tegelijk uit waardoor je beneden over de hoofden kunt lopen. Een rolstoel zie je bij drukte niet meteen. Ik zit laag en als je me ziet is het vaak te laat en struikel je eroverheen. Iedereen doet z’n best, ik wil graag weg. Veilig buiten is het snijdend koud. Zaterdagavond in de stad, dat is lang geleden. Ik zie de Weber en de Lux, de herinneringen, snel gaan we verder. Fijn om even later thuis te zijn. Al duurt chronisch ziek zijn lang, maart gaat weer voorbij.