Donald Antrim (1)

Zoon en moeder

Donald Antrim schreef met Het leven nadien een waar moeder-en-zoonboek. Waarom is de enige vrouw aan wie de mannelijke auteur zijn memoires zal wijden, zijn moeder?

DONALD ANTRIM
HET LEVEN NADIEN
Vertaald door José Rijnaarts
De Bezige Bij, 224 blz., € 19,50

Waar vrouwen met onverdroten inzet elegieën wijden aan hun overleden mannen (Lilian Blom aan Louis Ferron, Joan Didion aan John Gregory Dunne, Connie Palmen aan Ischa Meijer, om er slechts drie in een eindeloze stoet te noemen) bestaat van het omgekeerde, mannen die een ‘memoir’ schrijven over hun overleden vrouw, slechts één voorbeeld: John Bayleys recapitulatie van zijn leven met Iris Murdoch. Niets om acuut verbitterd over te doen, stel je voor, maar wel opmerkelijk, vooral gezien het feit dat mannen wel graag egodocumenten afscheiden, en er daarbij ook niet tegen opzien hun relatie met de vrouw in hun leven onder de loep te nemen, maar dat die vrouw dan toch altijd weer hun moeder blijkt te zijn.
De Amerikaanse schrijver Donald Antrim bereikt met The Afterlife, onlangs in vertaling uitgekomen als Het leven nadien, een voorlopig hoogtepunt in de zoon-moederliteratuur. Het is een liefdevol en pijnlijk eerbetoon, in naam van haar geschreven die niets liever wilde dan dat haar zoon zijn volgende boek aan haar zou opdragen. Met omtrekkende bewegingen, via de aanschaf van een bed, de herinnering aan een drankzuchtige oom, een visioen van haar kleding, een terugblik op een bezoek aan de grootouders en een gesprek met zijn vader over literatuur – zijn vader was hoogleraar literatuur – benadert Antrim het leven en de persoon van zijn moeder die ten onder ging aan tabak en alcohol. Een ongelukkige moeder die haar eigen onbegrepen geniaal kunstenaarschap graag in één lijn zag met dat van haar schrijvende zoon. Een moeder die altijd zorg behoefde, onmogelijk was op het ontoerekeningsvatbare af, en van wie je als kind dus nooit loskomt. Een moeder wier ‘spell’ blijkbaar zo sterk was dat na een scheiding de vader opníeuw met haar trouwde, met een opnieuw desastreus effect.
Het mag op zich een extreme gezinssituatie zijn die Antrim beschrijft, met verschrikkelijke ruzies en excessief drankmisbruik, zijn schrijversblik is fijnzinnig genoeg om dóór die extremen heen iets op te lichten van de eeuwige ambivalenties en emoties die zo kenmerkend zijn voor de bloedband. Zo roept hij door de bewonderende ogen van de adolescent een indringend beeld op van zijn oom, die voor hem een ideaalbeeld vertegenwoordigde van avonturier en vagebond. Als hij een tijdje met hem optrekt, valt de sluier van de magie echter weg en staat daar plotsklaps een dronken loser. De kleding die zijn moeder ontwierp en die ze zelf ook droeg – als zo’n beetje de enige – beschrijft Antrim tot in alle details maar volstrekt commentaarloos, wat een des te onthutsender beeld oplevert van idiote kimono’s met krankzinnige fladders en ornamenten.
Het geldt voor alle delen waaruit dit document is opgebouwd: de toon is ingehouden en stil, sereen zou je kunnen zeggen, met dien verstande dat sereniteit en somberte griezelig dicht bij elkaar liggen. De naakte waarheid ziet Antrim onder ogen, maar niet zonder mededogen. De moeder die het presteert op kerstavond dronken achterover te vallen en de hele opgetuigde kerstboom over zich heen te krijgen, en voor wie zijn zus en hij de volgende ochtend alle moeite doen de schijn van normaliteit op te houden en dus manmoedig het kerstontbijt prepareren, ziet hij tijdens het uitpakken van de cadeautjes opeens als wat ze is: een alcoholistisch wrak. En toch. Zoals zijn moeder vroeger de astma uit zijn jongenslichaam kneedde, springt hij na een verontrustend telefoontje in het vliegtuig om haar te helpen bij het verjagen van de draken en monsters als ze een delirium heeft.
Houvast voor de opgroeiende ‘Don’ is zijn liefde voor boeken en hun materiële vorm. Als volwassene krijgt hij de kans om in de onderaardse gewelven van de Folger-bibliotheek in Washington de verzameling vroege drukken te bekijken en te bestasten. Onder het toeziend oog van een gids slaat hij de Arcadia van sir Philip Sidney op, een laat-middeleeuws werk in proza, een blijk van hoofse liefde, opgedragen aan de zus van de schrijver. Antrim wordt getroffen door de opdracht, en citeert die in zijn geheel. Zonder dat hij het er met zoveel woorden bij vermeldt, is deze tekst, in al zijn nederige liefdevolheid, de meest passende opdracht voor zijn eigen boek aan zijn moeder. Lees het, op bladzijde 181-182, en pleng een paar tranen. De zoon heeft zijn moeder voor het laatst haar zin gegeven.