Zorg thuis!

De versobering van de AWBZ die het kabinet voorstaat, raakt aan het gelijkheidsbeginsel. En straks gaat de gemeente bepalen wie de boodschappen moet doen voor oma. Vrijwillig.

Gelijkheid is een kostbaar principe. Letterlijk in dit geval. Het kost geld. In de langdurige zorg zelfs heel veel geld. Voor wie de cijfers niet op zijn netvlies heeft, daarom eerst de bedragen die zijn gemoeid met de awbz waaruit die lang­durige zorg wordt betaald. Die cijfers zijn namelijk de motor achter de plannen die staatssecretaris Martin van Rijn van Volksgezondheid vorige week heeft gepresenteerd.

Een goede veertig jaar geleden kostte de awbz jaarlijks 275 miljoen euro, inmiddels is dat bedrag gestegen naar ruim 25 miljard euro, een jaarlijkse groei van gemiddeld meer dan een dikke acht procent. Sinds de eeuwwisseling is die groei weliswaar lager dan dat gemiddelde, maar nog altijd fors hoger dan de economische groei. Steeds meer geld uit de publieke middelen gaat daardoor naar de awbz.

Dan zijn er een paar mogelijkheden. De staatsschuld laten stijgen zodat binnen de awbz alles bij het oude kan blijven. Als overheid minder uitgeven aan onderwijs, cultuur, schone energie of andere zaken om de awbz toch maar te sparen. Meer vragen van de inkomens van alle Nederlanders waardoor u zelf minder kunt uitgeven aan onderwijs, cultuur, schone energie of andere zaken zodat toch maar niet hoeft te worden ingegrepen in de awbz. Of de awbz versoberen. Waar zou u voor kiezen?

Het kabinet van vvd en pvda kiest voor het laatste, en die versobering raakt aan het gelijkheidsbeginsel. Maatwerk wordt het credo. Niet langer zal op een standaardlijst worden aangevinkt waarop een oudere of gehandicapte gezien zijn lichamelijke beperkingen volgens de regels recht heeft, voortaan zal de gemeente per individu bekijken waar de partner, kinderen, buren of vrienden kunnen helpen: boodschappen halen, een keertje rijden, de ramen wassen, een bakkie doen. Ook het eigen inkomen en vermogen gaan een rol spelen. Wie geld heeft, zal zijn traplift zelf moeten betalen. Voor de goede orde: beide gelden niet voor de verpleegkundige hulp.

Als gevolg van deze ingrijpende hervorming zullen twee ouderen met identieke lichamelijke problemen niet hetzelfde ‘krijgen’, dat zal afhangen van hun netwerk en hun portemonnee. Maar zelfs als ook die identiek zijn, zal het gaan voorkomen dat ouderen toch verschillend worden behandeld: als ze niet in dezelfde gemeente wonen. Gemeenten krijgen een grote rol bij de beoordeling welke externe hulp nodig is. Na decennia van ‘u-hebt-recht-op’ zal die ongelijkheid even wennen zijn.

Een paar weken geleden vroeg de vice-president van de Raad van State, Piet Hein Donner, in zijn jaarverslag aandacht voor die ongelijkheid. Hij vindt dat de vraag moet worden beantwoord of er in het belang van de rechtseenheid grenzen zijn aan verschillen in beleid, aanspraken en aanpak tussen gemeenten. Waar ligt de grens tussen maatwerk en willekeur? Bij de uitwerking van en politieke discussies over de plannen van Van Rijn zal het interessant zijn om te volgen of de angst voor willekeur toch zal leiden tot strakke criteria waaraan de gemeenten zich moeten houden. Met bij de gemeenten dan de angst dat ze niet zullen uitkomen met het toch al gekortwiekte bedrag dat ze gaan krijgen voor deze nieuwe taak: omdat ze dan toch weer met een lijst in de hand moeten gaan aanvinken.

Er is nog een ander cijfer dat eveneens een motor is achter de plannen van de pvda’er Van Rijn. In 1980 woonde 63 procent van de ouderen boven de tachtig jaar in een verzorgings- of verpleeghuis, drie jaar geleden was dat nog maar 24 procent. Daaruit blijkt dat Nederlanders liever zelfstandig blijven wonen als ze oud of gehandicapt zijn. De meeste ouderen en gehandicapten die hulp nodig hebben, zullen straks dus aankloppen bij de gemeenten. Er zal heel wat maatwerk moeten komen.

Daadwerkelijk maatwerk leveren kan alleen als gemeenten de mogelijkheid krijgen om allerlei voorzieningen, middelen en bevoegdheden als het ware op één hoop te gooien, zodat ze creatiever kunnen zijn dan nu. Niet alleen de gelijkheid waar we aan gewend waren, verandert daardoor, volgens Donner dreigt verandering ook bij de scheiding van machten: gemeenten kunnen immers zelf regels gaan opstellen, gaan die vervolgens zelf uitvoeren en dan ook nog eens zelf handhaven. Waar moet een burger dan terecht als hij klachten heeft of zich misdeeld voelt? Donner ziet twee mogelijkheden: óf er komen normen en extern toezicht, óf de gemeenten zullen steeds vaker worden gecontroleerd door de rechtspraak.

Als gevolg van Van Rijns plannen verandert er nog iets: de manier waarop we solidair zijn met elkaar. Ook hier eerst een cijfer. Uit onderzoek blijkt dat van de ouderen boven de 85 jaar vijftig procent zich eenzaam voelt. Gezien de vergrijzing – steeds meer ouderen, die ook nog eens steeds ouder worden – dreigt heel wat eenzaamheid.

Enigszins gechargeerd gezegd kopen we de solidariteit nu af met geld. In ruil daarvoor krijgen we hulp, zorg en aanspraak. Dat was ook het ideaal, geen afhankelijkheid meer van liefdadigheid. Straks moeten we ook solidariteit tonen door voor de buurvrouw boodschappen te doen of bij haar langs te gaan voor een praatje. In ruil waarvoor? Dat laatste klinkt berekenend, en gelukkig is het in veel families, buurten en vriendenkringen heel normaal om elkaar te helpen, maar zonder wederkerigheid gaat het ook daar niet.

Meer betrokkenheid in de samenleving is dan ook, naast de financiële, een doelstelling achter deze hervorming. Maar krijg je die betrokkenheid door deze als overheid van bovenaf te vragen, ook al komt er geen wettelijke zorgplicht? Sluit deze vorm van solidariteit aan bij een trend in de samenleving die wijst op minder individua­lisme? Of doen we eigenlijk al veel voor elkaar en gaat dit toch vooral om het geld? Ik ben daar nog niet uit. Maar zorg thuis! U krijgt er wat voor terug.