De toekomst van het platteland ligt in de stad

Zorgboerderijen op de mesthopen

Volgende week moet over het lot van de Nederlandse landbouw worden beslist, op een congres dat minister Veerman heeft georganiseerd om het maatschappelijk debat te kanaliseren en zijn politieke keuze te funderen. Eén ding staat al vast: de toekomst van het platteland ligt in de stad.

Nu er op de markt eten in overvloed is, is de strijd tussen stad en land beslist. De burgers en buitenlui bepalen de vraag. De boeren leveren het nieuwe aanbod. «Het is een teken aan de wand dat door de bank genomen de wat jongere boeren op de wat grotere bedrijven nu hun bedrijfsvoering verbreden. Ze zijn hoog opgeleid en hebben een partner die actief op het bedrijf meewerkt. Daar heb je vier ingrediënten die aangeven dat dit geen stuiptrekking uit het verleden is maar een prelude op de toekomst», aldus Jan Douwe van der Ploeg, professor rurale sociologie in Wageningen.

Van der Ploeg is enthousiast over de toekomst van de Nederlandse landbouw. Maar dan moeten de bakens worden verzet. Veel agrariërs zoeken naar nieuwe inkomstenbronnen. Boeren richten zich steeds meer op de veranderende wensen van de (stedelijke) consument. Ze verhuren appartementen of bieden kampeerruimte aan. Ze proberen streekproducten zelf op de markt te brengen of combineren hun landbouwbedrijf met het verzorgen van gehandicapten of het beheren van natuur. Van der Ploeg: «Er ontstaat zoiets als de multiproduct-firm. Bedrijven kunnen met dezelfde set productiefactoren een breder arsenaal aan goederen en diensten leveren. De ‹economy of scale› staat tegenover de ‹economy of scope›. Het tragische van Nederland is dat het hele debat over de landbouw en het platteland al jaren wordt gedomineerd door de intensieve veehouderij en dat de rest van de landbouw niet het debat krijgt dat het verdient. Het is zelfs zo dat de publieke middelen in hoge mate weglekken naar de intensieve veehouderij. Ik geef je op een briefje dat over vijftien jaar een parlementaire enquête wordt gehouden. Net als in de RSV-enquête zal de vraag dan zijn hoe het mogelijk is dat er honderden miljoenen zijn gestoken in de varkenshouderij.»

Minister Cees Veerman van Landbouw is zich daarvan ook bewust. Voor maandag heeft hij een nationaal congres georganiseerd, dat het sluitstuk vormt van een serie openbare debatten over de toekomst van de intensieve veehouderij. Naar eigen zeggen verwacht Veerman van het congres «een aanzet voor de vernieuwing van de intensieve veehouderij sector en wie daarvoor aanspreekbaar is». Want in de media verwijt hij de consumerende burgers hypocrisie. In de winkel, stelt hij, telt voor hen alleen de prijs en is dierenwelzijn of milieuvriendelijkheid al snel vergeten.

Nu de supermarkten prijsvechtend over straat buitelen, vraagt menigeen zich af wie die dalende prijzen gaat betalen. Voor de minister is dat een weet. De supermarkten zullen de kosten verhalen op de leveranciers. De boeren zijn de dupe. Minister Veerman wil dus nu al de consument verantwoordelijk maken.

Maar klopt dat? In de intensieve veehouderij heeft de modernisering geleid tot een enorme winstgeoriënteerde productie van dieren. Milieuorganisaties stellen deze praktijk aan de kaak en bespelen de publieke moraal. De succesvolste burgerorganisaties in Nederland zijn «groen», zoals Milieudefensie, Natuurmonumenten, Wakker Dier en de stichting Varkens in Nood, die prominenten (eerst Paul Cliteur, nu Jan Terlouw) als boegbeeld naar voren schuift.

Ook vanuit het buitenland wordt aan de poten van de sector gezaagd. De kippen vliegen vanuit Thailand en Brazilië als het ware over de tariefmuren heen. Bovendien zijn de milieuproblemen van de intensieve veehouderij niet meer te overzien. Vorige maand nog bleek hoe Nederland worstelt met zijn mest. Het Europese Hof veroordeelde toen de mestpraktijken: we rijden te veel mest en dus stikstof uit over het land.

Beroep is niet mogelijk. De landbouw moet dat probleem dus oplossen. Maar daar is de intensieve veehouderij in het bijzonder en de Nederlandse landbouw in het algemeen al jaren mee bezig: problemen oplossen. In maart 1997 werd in Wilp de diagnose BSE — overgebracht op mensen veroorzaakt BSE de ziekte van Creutzfeldt-Jacob — gesteld. Twee weken geleden werd in Hoogezand-Sappemeer het 36ste geval in zes jaar geconstateerd. In februari 1997 brak ook al de varkenspest uit. Miljoenen dieren werden gedood. In mei 1999 bleek dat er vervuild vet in Belgisch veevoer was verwerkt. Dioxinekippen deden hun intrede. In het voorjaar van 2001 werden runderen en andere gehoefde dieren bij duizenden preventief geruimd om de verspreiding van mond- en klauwzeer tegen te gaan. In Kootwijkerbroek raakten boeren slaags met de politie en ruimers. Ze hadden geen begrip voor het Haagse ruimingsbeleid. In februari van dit jaar teisterde vervolgens de vogelpest de pluimveehouderij. Na drie maanden waren er al 25 miljoen vogels gedood. En onlangs waren uiteindelijk ook de kalkoenen aan de beurt. De verklikkippen die werden ingezet om te testen of een stal «vogelpestvrij» was, brachten volgens kalkoenhouders de Zwarte Koppenziekte hun stallen binnen.

De afgelopen jaren is zo het beeld ontstaan van de kwakkelende boer die wordt uitgeperst door de consument op een internationale markt. De schaalvergroting en modernisering, ten tijde van de Nederlandse eurocommissaris Mansholt, hebben geleid tot industrialisatie en uiteindelijk tot overproductie. Boeren is geen pretje meer. Het is bekend: dalende prijzen en stijgende kosten, groeiende internationale concurrentie, falend Europees subsidiebeleid en toenemende milieuregelgeving. Bovendien staan de Europese subsidie- en beschermingstelsels op de helling. Eurocommissaris Fischler van Landbouw zag in juni van dit jaar zijn jarenlange strijd beloond met een akkoord. De productiesteun verdwijnt en wordt omgezet in plattelandsontwikkeling. De productiewijze en de aandacht voor natuur en milieu worden belangrijker dan hectoliters en tonnen. Dat spoort met het gedrag van de consumenten, die steeds duidelijker niets willen weten van bulkproductie en fabrieksmatig slachten van varkens en kippen die voor de reis naar de slacht nooit in de buitenlucht zijn geweest.

Sterker, de aandacht van consumenten voor het platteland neemt toe. De stedelingen hebben het ontdekt. Tot het laatste kwart van de twintigste eeuw was het platteland de woonplaats van voedselproducerende boeren en rentenierende rijken. Tegenwoordig is landelijk wonen voor velen het einddoel van de carrièreplanning. De binnenlandse vakantie, lange tijd een ondergeschoven kindje, is vandaag een moreel en economisch verantwoorde variant voor de jungletocht in Thailand of de cultuurreis naar Egypte.

De randstedeling heeft bovendien de keuken gevonden en zodoende ineens aandacht voor zijn eten gekregen. In de in landelijke stijl opgetrokken keuken worden hoge eisen gesteld aan de spruitjes (zie De Groene Amsterdammer van 18 oktober). De hippe Engelse kok Jamie Oliver gaat toch ook altijd op zijn witte scooter zijn vaste leveranciers langs om er zeker van te zijn dat het beste op de borden van zijn gasten verschijnt? Deze trend gaat nog verder. Wandelverenigingen exploreren het platteland en de Nederlandse Spoorwegen ontwerpen routes van het ene rustige station naar het andere. Amsterdammers verkennen aan de hand van de wandelcolumns van John Jansen van Galen in Het Parool de rurale gemeentes rond de stad. En fietsfabrikanten zien de verkoop van duurdere toerfietsen al jaren stijgen.

Deze aandacht heeft meer voeten in de aarde dan een dagtripje van de NS. De moderne stedeling voelt zich betrokken bij het platteland en stelt nieuwe eisen. Het platteland moet goed, veilig en goedkoop voedsel produceren: zonder bureaucratische, corrumperende en geldverslindende subsidies, zonder tolmuren, op milieuvriendelijke wijze en landschappelijk verantwoord. Het platteland dient voornamelijk in de recreatiebehoeften van burgers te voorzien. Dat betekent bossen, plassen en vergezichten. Koeien horen natuurlijk in de wei, want dat kleurt mooi met het karakteristieke kleurenpalet van grasgroen met daarboven hemelblauw. Bovenal mag het niet stinken. En omdat op vakantie wordt uitgeslapen, mogen de combines ook niet te vroeg uitrijden.

De boer ontdekt ondertussen op zijn beurt eveneens de stad. Medio september was er de Week van het Platteland. Het startschot voor deze week vol fietstochten, open-boerderij dagen, zelfpluktuinen en streekmarkten viel samen met de oprichting van een nieuwe stichting, Vrienden van het Platteland. Mevrouw Van Ruijven-van Leeuwen, oud-gedeputeerde voor het CDA in Zuid-Holland, is de voorzitter: «Om de toekomst van het platteland en de landbouw als haar economische drager veilig te stellen is een coalitie van burgers en boeren nodig.» De stichting is een initiatief van de boerenbelangenorganisatie LTO Nederland en wordt mede gefinancierd door de Rabobank. Met een magazine, een website en een tv-programma ontketent ze een waar charmeoffensief richting vakantiegangers, zondagmiddagwandelaars of culinair geïnteresseerden die echt Zeeuws willen eten, net zoals de francofiel graag echt Franse boeuf bourguignon eet.

Professor Van der Ploeg: «Het interessante is dat de regio wordt ontdekt als een economische entiteit. Een van de weinige gemeenten van Nederland waar het aantal melkveehouders gelijk blijft en het totale productievolume stijgt is Schiermonnikoog. Op Schiermonnikoog, ooit een zorgenkindje omdat alles per schip moest worden aan- en afgevoerd, hebben al die bedrijven prachtige appartementen in de verhuur en verbreden ze hun taken naar natuurbeheer. Ze produceren hoogwaardige producten en vermarkten die zelf via de Vereniging Waddenproducten. Zelfs in Flevoland ontdekt men nieuwe kansen. Eén bedrijf produceert er melk, verwerkt de zuivel en zet het ook zelf af. Aan het bedrijf is een manege gekoppeld. De paarden van particulieren lopen er op gepachte grond van Staatsbos beheer. De paardenhouderij was bijna weg in de jaren zestig, het hoogtepunt van de modernisering, maar de sector heeft nu een omzet die volgens mij misschien wel groter is dan die van bloembollen en slachtkippen.»

Daarbij blijft het niet. Nederland telt inmiddels 2500 «campings bij de boer». Veel boeren proberen hun producten, al dan niet biologisch, af te zetten via landwinkels of verkopen ze vanaf de eigen boerderij. Vier op de tien boerderijen versterken op een dergelijke manier het inkomen. Een sterk groeiend aantal boeren vormt de boerderij om tot zorgboerderij. Zij combineren het agrarisch bedrijf met de verzorging van verstandelijk gehandicapten, verslaafden of demente bejaarden of ze bieden een trainingstraject voor langdurig werklozen. Lisan Beijer van de stichting Landbouw en Zorg, die zich hiervoor inzet: «Soms blijft landbouw de hoofdmoot van het inkomen, maar er zijn ook bedrijven die zich geheel in dienst van de zorg stellen. In totaal zijn er 380 zorgboerderijen bekend. Kleinschaligheid is hun kracht. De boerderij is een veilige plek. Langdurig werklozen bijvoorbeeld hoeven op een boerderij niet te werken omdat de baas het zegt maar omdat de koe honger heeft. Dat geeft ze veel meer voldoening. Maar het is moeilijk een zorgboerderij economisch levensvatbaar te krijgen. Wanneer geld een reden is om een zorgboerderij op te starten, haken de mensen af.»

Dat laatste is nu net een probleem, meent Wim Thus. Hij is hoofd landbouw van Rabobank Nederland, een bank die is voortgekomen uit de Raiffeisenbank en de coöperatieve Boerenleenbanken. Thus: «Ze werken op zorgboerderijen dag en nacht. Wanneer die arbeid wordt doorberekend, kan het vaak niet uit. Het is daarom moeilijk om personeel aan te nemen. Bovendien is voor verbreding, niet alleen naar zorgboerderijen, ondernemerschap van hoog niveau nodig. Het zijn niet alleen succesverhalen. De markt raakt snel verzadigd. Het aantal kampeerboerderijen kan niet blijven groeien, het zal altijd een nichemarkt blijven.»

Hoe verder? In Wageningen discussieert men daar driftig over. De jarenlange klachtenregen vanuit de landbouwsector inspireerde Peter Vereijken, onderzoeker bij het onderzoeksinstituut Alterra, tot een zwanenzang. Volgens Vereijken zal de Nederlandse landbouw op termijn geheel verdwijnen. Op een discussiebijeenkomst in Wageningen zei hij vorige week: «Nederlandse boerenbedrijven staan zwak in hun schoenen aan de vooravond van een jaren durende prijzenslag. Ik snap niet dat anderen ondanks alles zo positief blijven.» LTO Nederland-voorzitter Doornbos, dé voorman van de boeren, reageerde fel: «Natuurlijk gaat de landbouw niet verdwijnen. De agrosector exporteert jaarlijks voor een bedrag van 646 miljoen euro. Nederland is de tweede agro-exporteur ter wereld. Het onderzoek van Vereijken is volstrekte flauwekul. Tweederde van de landbouw ontvangt geen subsidie. Bovendien zal de liberalisering van de handel nieuwe marktverhoudingen veroorzaken. De omstandigheden in Nederland zijn daarvoor ideaal. Nederland heeft water in overvloed, een gunstig klimaat en vakkundige boeren. De Nederlandse logistiek is met Rotterdam en Schiphol uitstekend.»

Van Engelsdorp Gastelaars, geograaf van de Universiteit van Amsterdam sloot zich in Wageningen bij Doornbos aan: «De claim van de stedeling op het platteland is groot, maar zelfs in de meest absurde prognoses zal de stad nooit meer dan dertig tot veertig procent van het land gebruiken. Stedelingen willen samen recreëren, samen naar een pretpark. De snelst groeiende files bevinden zich in het duingebied. Dit betekent dat het grootste deel van Nederland leeg blijft. Dat gebied blijft uitermate geschikt voor de landbouw. Ik zie vooral een belangrijke rol voor de landbouw als ruraal agrarisch decor voor de stedeling.»

Verbreding dus. Maar dat vereist ook politieke beslissingen. Van der Ploeg: «Welke keuze zal Veerman maken? Concurreren in het lage kostensegment van de markt door schaalvergroting en verdere modernisatie, of inzetten op de hogere marktsegmenten en kwaliteitsproducten? Zoals het er nu naar uitziet investeert het overheidsbeleid enorm in de intensieve veehouderij. Die sector is een macroproject dat doordendert als een machine, net als Schiphol en de Betuwelijn. Wat er in feite gebeurt, is dat er met publieke middelen bedrijven verplaatst worden die over vijf tot zeven jaar toch failliet gaan.»

Rabobankier Wim Thus ziet wél toekomst: «In het begin had ik mijn bedenkingen bij het zoveelste debat. Maar de economie heeft een groter aandeel gekregen dan in de afgelopen tien jaar. Nu stelt men: er is ook een verplichting voor de groothandel en de consument. Een varkenshouder heeft de zekerheid van een afzetmarkt nodig wanneer hij zijn productie radicaal wil omgooien. Anders ziet hij van de dure onzekere omslag af.»

Hoe dan ook, het lot van de Nederlandse boer ligt in de stad. De consument moet worden veroverd. Als patiënt voor zorgboerderijen, als toerist voor de kampeerboerderij of als bewust consument van hoogwaardige milieu- en diervriendelijke producten. Als Nederlanders een duurzame milieuvriendelijke landbouw willen, moeten ze daarvoor betalen.