Zorgvuldig geplande vrijheid

Bij suspension of disbelief denken we niet in de eerste plaats aan muziek, maar zonder een minimum aan cultuurhistorisch mimicry zal geen 21ste-eeuwse luisteraar de orkestrale inleiding van Haydns oratorium Die Schöpfung ook maar enigszins naar waarde kunnen schatten. ‘Die Vorstellung des Chaos’ staat erboven in de partituur. Pardon?

Dwalende akkoorden, onbestemde melodieën, oké. Sfeervol en een beetje geheimzinnig, zeker. Maar chaos? Als dit al chaos is, hoe moet je de unendlich op drift geraakte melodieën van Wagner dan wel niet noemen, om nog maar te zwijgen van de God noch gebod kennende muziek die ouderwets-modernistische ijzervreters à la Xenakis honderd jaar later zouden componeren. Zelfs als we chaos niet als bedoelde wanorde definiëren maar als de onbedoelde afwezigheid van orde, blijft het een tour de force om in Haydns onschuldige toonschildering iets te herkennen wat zelfs maar in de verste verte met de duisternis van de voortijd in verband te brengen valt. Iets meer kans van slagen zou alleen een uitvoering hebben die in plaats van te beginnen eindigt met het voorspel. Na anderhalf uur heb je namelijk zo’n overkill aan muzikaal koek-en-ei achter de kiezen dat de rondtastende klanken van het openingsdeel je inderdaad een beetje van je apropos zouden kunnen brengen.

Haydns chaos is weliswaar bedoelde chaos maar gestileerd binnen de grenzen van de classicistische betamelijkheid. Aanstootgevend is pas onbedoelde chaos, al zijn de opvattingen over de precieze samenstelling van de oersoep mettertijd ingrijpend veranderd en vooral versoepeld. In het Lexicon of Musical Invective van Nicolas Slonimsky, sinds jaar en dag een onuitputtelijke bron van zelfvoldaan vermaak (want zo bekrompen denken wij, moderne verlichte mensen, gelukkig niet meer), neemt Chaos niet toevallig een prominente plaats in tussen de A van Aberratie en de Z van Zoo. Van Beethoven tot en met Wagner kan elk beetje grootheid bogen op een plaats in het register van deze bloemlezing. Het buitengewone opgewonden-standjes-gehalte van de musicografie in vroeger eeuwen maakt het verleidelijk om uitvoerig te citeren uit de filippica’s van weleer. Ik volsta met een enkel zinnetje uit de Moskouse Mededelingen van 1888 waarin Moesorgski wordt gehouden voor ‘een van de flagrantste voorbeelden van de geestelijke chaos waarin ons incompetente onderwijs de intelligentsia heeft gestort’. Over de jongste generatie Nederlandse componisten heb ik, ondanks de staat van het vaderlandse onderwijs, zoiets nog niet horen beweren.

Over Moskou gesproken: echt grimmig werd het toen ruim een halve eeuw en oneindig veel bloedvergieten later een anoniem redactioneel in de Pravda verscheen, een cause célèbre in de geschiedenis van de muziekkritiek. ‘Chaos of muziek?’ stond er boven het artikel dat de opera Lady Macbeth van Mtsensk en in één moeite door zijn schepper Dmitri Sjostakovitsj naar de vuilnisbelt van de geschiedenis verwees. Niet toevallig had twee dagen eerder Stalin een bezoek aan de opera gebracht. Citaat: ‘Dit is linkse chaos in plaats van echt menselijke muziek.’ Hé, klinkt hier een voorecho van een momenteel in zekere politieke kringen actueel gedachtegoed? Moet ‘orde’ wel heel extreem zijn om voor verdacht door te gaan, wie ‘chaos’ zegt, zegt onvermogen of onzin. Tenzij die ‘chaos’ zelf weer wordt ingelijfd in een bepaalde orde, zoals de ook door componisten wel toegepaste wiskundige chaostheorie. Maar eigenlijk telt dat niet, aangezien het hier om een heel speciaal soort chaos gaat die nu juist als schijn wordt ontmaskerd. Dat ‘chaos’ als waardeoordeel nogal uit de mode is geraakt, is naar ik vrees een kwestie van afstomping en naar ik hoop van inzicht. Eerst de afstomping: er is de afgelopen halve eeuw zo veel muziek gemaakt waarvan de veronderstelde ordening voor oningewijde en zelfs ingewijde oren onbevattelijk is gebleken dat professionele en niet-professionele luisteraars een voorkeur voor negeren boven afwijzen hebben ontwikkeld. Nu het inzicht: handelingen die musici op het podium verrichten kunnen weliswaar resulteren in klanken die de indruk van betekenisloosheid wekken maar het loutere feit dat ze een begin, een midden en een eind hebben, dat ze in zeer precieze instructies zijn vervat (de partituur), exact herhaalbaar zijn en tot op de split second op elkaar afgestemd, veronderstelt een minimum aan orde, hoe extravagant ook. Op het oor kunnen de successieve klanken van een door toevalsoperaties tot stand gekomen compositie van John Cage nog zo weinig met elkaar te maken hebben, ze weerspiegelen onmiskenbaar een orde, die in elke gewetensvolle en geconcentreerde uitvoering manifest is. Dat we die orde eventueel als triviaal of zelfs zinloos kunnen afwijzen doet hier niet aan af. Met chaos heeft het niets te maken.

Echte chaos is zeldzaam, maar kan zo prachtig zijn, mits uitbundig gevierd en, ja, zorgvuldig gepland. Mijn eerste grote chaoservaring dank ik aan Charles Ives, die er in een tijd dat korset­ten en boorden nog akelig knelden één groot feest van maakte. Eerst was er het explosieve crescendo in Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, maar korte tijd later bleek dat kinderspel verge­leken bij het kortstondige pandemonium van botsende muzieken dat Ives in The Fourth of July (1912!) uit mijn luidsprekers deed ­knallen. Én fluisteren. Want als een God die licht en duister scheidt laat Ives uit de luidruchtigste ketelmuziek ooit verzonnen op de valreep een van de stilste aller stilten ontstaan. Toen hij de partituur schreef was hij vervuld van het gevoel van vrijheid dat hij als jongen op de jaarlijkse feestdag had, ‘een jongen die alles wil doen waar hij zin in heeft’.

Happy chaos in zijn zuiverste vorm.