Magistrale versie van een klassiek meesterwerk

Zotten hebben in dit land geen leven

Een fonkelnieuwe vertaling, zes toneelspelers, een kaal plankier, veel water, weinig oorlog en tweeënhalf uur toneel waar je hart van openspringt, dat is Koning Lear door de toneelspelers van ’t Barre Land.

Als je er tentdoek omheen denkt en een piste met zand en je kijkt naar Czeslaw de Wijs, een van de toneelspelers, als was hij de spreek­stalmeester van de avond, dan start bij ’t Barre Land op het moment dat we de zaal en hun speciale tribune betreden eigenlijk de circus­_versie van Shakespeare’s _King Lear. Alle artiesten komen vooraf even bij De Wijs langs en fluisteren hem iets in het oor, dat hij meteen via het microfoontje aan ons doorgeeft. Dat microfoontje is net iets te hoog opgehangen, zodat hij zich moet rekken om ons te kunnen laten horen wat hij aankondigt: komt dat zien, komt dat zien, dames en heren, verdronken torenhanen en aardschokken van donder, gedachtensnellend zwavelvuur en krakende wangen, komt dat zien, komt dat zien, dames en heren!

Wát-ie precíes zegt, doet er niet zo veel toe, het is de sfeer die hij creëert, waar ook bij hoort dat er toneelspelers en stoelen en een masker van papier-maché in grote witte jute zakken worden op en af gedragen, dat er tussen de kieren van de lappen die het ‘achterdoek’ vormen driftige verkleedpartijen zichtbaar zijn en dat twee toneelspelers zich dwars door die kieren de kleine speelvloer op katapulteren. Het is precies níet die quasi-plechtige sfeer van het verstoorde gezelschapsspel dat de openingsscène van ‘Lear’ is of in veler ogen behoort te zijn, in ieder geval grijpt die altijd sereen gespeelde openings­ruzie hier aan het begin van de voorstelling ook helemaal niet plaats. De eerste toneelspeler die begint te praten vertelt iets over bastaardzonen die dezelfde rechten zouden moeten krijgen als de kinderen die werden verwekt in legale huwelijkse sponden, en dat is niet de eerste maar de tweede scène van het stuk en niet de hoofdplot van Lear & zijn dochters maar de bijplot van Gloucester & zijn zonen. Voorkennis over het stuk is overigens niet strikt noodzakelijk: het verhaal wordt kristalhelder verteld. En dat gaat ook hier over de oude vorst Lear die zijn royale domeinen verkwanselt aan de temende teven die zijn oudste dochters zijn, hij verstoot zijn jongste kind dat verkiest hem geen stroop om de mond te smeren. De andere oude man, de graaf van Gloucester, laat zich met dan nog open ogen besodemieteren door een onwettige zoon die ruim baan voor zichzelf wil maken over de rug van de wettige zoon, die moet onderduiken voor de kosmische toorn van zijn eigen vader.

Lear en Gloucester, twee oude mannen die dwaas werden voor ze wijs hadden kunnen worden, en die via die omweg, starend in een peilloze afgrond van Niets, toch nog een melancholieke vorm van wijsheid bereiken. Een acteur heeft ooit de paradox geformuleerd over de rol van Lear: als je oud en wijs genoeg bent om hem te spelen, heb je er de fysieke kracht niet meer voor; heb je die fysieke kracht nog wel, dan mis je het inzicht om de geestelijke spelonken te kennen waar Lear (en Gloucester) in afdalen. Maar in het circus van deze avond tellen die wetten allemaal niet meer. De kwaaie zotten in de vertelling over Lear en Gloucester zijn hier leeftijdloos.

Toen William Shakespeare in 1616 stierf begonnen twee acteurs uit zijn troep, the King’s Men, John Heminges en Henry Condell, vrij snel aan het samenstellen van het verzameld werk in de zogenaamde First Folio-uitgave, die in 1623 verscheen. King Lear (uit 1606 of 1607) maakte daar vanzelfsprekend deel van uit. Kort na het verschijnen van de ‘First Folio’ dreigde het complete werk van Shakespeare in de vergetelheid te raken, onder meer door de niet-aflatende pogingen van puriteinse politici om het toneel als kunstvorm definitief de nek om te draaien, wat vanaf de late jaren veertig van de zeventiende eeuw dreigde te lukken middels de sluiting van alle stedelijke publiekstheaters.

Na de restauratie van het oude regime en de heropening van de theaters (vanaf 1660) moest het werk van Shakespeare als het ware worden uitgegraven onder het stof van vier decennia. De tekst van King Lear werd dus ook herontdekt en bezorgde menigeen schrik en afschuw over dit ten diepste inktzwarte en als pessimistisch gekarakteriseerde werk. Vanaf 1681 speelde men derhalve een optimistische bewerking van ‘Lear’ (tot 1838 in Engeland en op het Europese continent, in Amerika zelfs nog veertig jaar langer), geschreven door ene Nahum Tate (1652-1715), waarin de nar werd geschrapt, er een happy-end-achtige liefdesverhouding opbloeit tussen de ware zoon van Gloucester, Edgar en de jongste dochter van Lear, Cordelia, die in deze versie aan het slot overleeft, net als Kent, Gloucester én Lear zelf. Het origineel wordt in de negentiende eeuw weliswaar in ere hersteld, maar wel ten koste van ongeveer de helft van de tekst en ten bate van een lange speeltraditie die op z’n best romantisch en schilderachtig is te noemen en op z’n slechtst pathetisch, op het hysterische af.

Peter Brook in Engeland, Grigori Kozintsev in Rusland, Giorgio Strehler in Italië en Hans Croiset in Nederland introduceerden in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een veel kaalgeslagener stijl en vormgeving voor het stuk. Daarin mentaal en dramaturgisch ondersteund door de Poolse schrijver Jan Kott, die in zijn essay King Lear of het eindspel (1964) de verbinding legde tussen de door de essays van Montaigne geïnspireerde bespiegelingen over de afgronden van de menselijke ziel bij ­Shakespeare en de desolate twintigste-eeuwse eindtijdlandschappen van Samuel Beckett. En misschien vinden we dáár ergens de sleutel tot de versie die de toneelspelers van ’t Barre Land nu van ‘Lear’ hebben gemaakt.

Die versie begint bij een fonkelnieuwe vertaling, gemaakt door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, die eerder Hamlet en Karl Kraus’ De laatste dagen der mensheid voor het acteurscollectief vertaalden. Het vertalersduo legt in het geestige nawoord The tragicall historie of The Fools Are Mad verantwoording af, onder meer over het feit dat maar liefst dertien (!) eerdere _Lear-_vertalingen werden geraadpleegd om de weg af te leggen van Shakespeare via Burgersdijk naar deze tekst. Een voorbeeld. De nar in de eerste akte, vierde scène. Burgersdijk vertaalt in 1885: ‘Voor narren zijn de tijden kwaad/ Want wijzen zijn nu knapen/ En lijken in hun woord en daad/ Geen mensen meer maar apen.’

Henkes & Bindervoet vertalen in 2012: ‘Zotten hebben in dit land geen leven/ Als ik al de wijzen gadesla/ Die ons in knurftigheid voorbij gaan streven/ Want apen apen apen na.’ De harmonie van onze eerste grote Shakespeare-vertaler werd verruild voor kreupele verzen, overigens een kolfje naar de hand van de vertolker Martijn Nieuwerf, die er in deze voorstelling parels van milde woordkunst en woeste scheldkanonnades uit creëert. Net als Margijn Bosch. Naast Cordelia speelt zij de wettige zoon van Gloucester, Edgar, die zich op de vlucht heeft vermomd als ‘armen Tom’ bij Burgersdijk, ‘Gekke Gerrit’ hier. De driedubbele bodems in de teksten van deze gespeelde waanzinnige vormen de lakmoesproef in iedere vertaling van King Lear, hier glansrijk doorstaan: ‘Wie geeft er iets aan Gekke Gerrit? Die door de vuile viant door vuur en vlam is meegevoerd, door voorde en draaikolk, over veen en moeras; de viant die messen onder zijn kussen heeft gelegd en stroppen in zijn kerkebank; die rattekruid naast zijn soep heeft gezet, hem zo trots van hart maakte dat hij op een dravend vospaard over vier duim brede bruggen reed, om zijn eigen schaduw na te zitten als een verrader. De zegen voor je vijf zinnen op een rijtje, Gerrit heeft ’t koud.’

Wat Margijn Bosch, in alle eenvoud die haar grote toneelspelerstalent rijk is, hier met deze teksten uithaalt, doet pijn van schoonheid aan oren en ogen en hoort tot de talloze hoogte­punten van deze avond. Waarmee we raken aan een van de luxeproblemen van dit stuk: het bevat zoveel hoogtepunten binnen luttele uren, die zijn noch voor acteurs noch voor toeschouwers op den duur te verstouwen. Er dient dus streng gesnoeid en geselecteerd te worden. Van de twee kwaadaardige dochters is één waarlijk boosaardig en doodgriezelig creatuur gemaakt door Anouk Driessen, die ook de verstoten en in vermomming achter zijn vorst aan hollende vertrouweling Kent voor haar rekening neemt. Czeslaw de Wijs is niet slechts spreekstalmeester, souffleur en speler van passanten, maar torst de hele avond ook een proloog achter zich aan die tot slinkend en uitdijend motto van de avond wordt.

De twee protagonisten van de tragedie, Lear en Gloucester, worden vertolkt door Vincent van den Berg en Ingejan Ligthart Schenk. Ergens op driekwart van de werkelijk om vlíegende tweeën­half uur die de voorstelling in beslag neemt is er een beeld van die twee waarvan ik nu al weet dat ik het niet meer vergeten zal. Gloucester is blind gemarteld, een scène die overigens niet wordt gespeeld maar verteld. Onder begeleiding van Gekke Gerrit, zijn eigen zoon (maar dat weet hij niet en ziet hij nu ook niet meer) gaat hij op weg naar de krijtrotsen van Dover om zelfmoord te plegen. Die zelfmoord is de klassieke clownsscène die de Pool Jan Kott inspireerde tot zijn invloedrijke essay over Shakespeare en Beckett, maar dit terzijde. Hier springt clown Gloucester in de afgrond die alleen in zijn blinde verbeelding bestaat, Ingejan Ligthart Schenk valt op de platte grond. Aan de vanuit ons bezien linkerzijkant van de speelvloer valt clown Lear (Vincent van den Berg) gelijktijdig. De eerste van de drie keer dat ik de voorstelling door ’t Barre Land nu heb gezien, hield ik de adem in, de tranen sprongen me in de ogen – zoveel schoonheid, zoveel betekenis, zoveel inzicht in de verwoestende kracht van een meesterwerk uit de toneelliteratuur, gevangen in één zo’n eenvoudig, kristalhelder beeld. Het is de simpelheid die ook verscholen ligt in de wijsheid van Edgar, die bij de aanblik van de dode ogen van zijn vader zegt: ‘’t Kan altijd slechter, ’t is nog steeds niet op zijn slechtst/ Zolang je zeggen kan: ’t slechtst is dit.’

Er is in deze razende narren van Koning Lear door ’t Barre Land iets gelukt, waardoor het begrijpelijk wordt dat ze tegen het slot steeds minder van het stuk spelen of laten zien, die krankzinnige burgeroorlog uit het vierde en vijfde bedrijf al helemaal niet meer. Ook de slotscène wordt vooral uitgesteld, ik zag een avond waarop een aantal tekstversies van de laatste woorden van Edgar werd uitgeprobeerd, tot en met die van de vertaling die voor deze avond is gemaakt: ‘De trieste tijd bezwaart ons met een grote last/ Te zeggen wat je vindt en niet wat past/ De oudste heeft het meest verdragen, wie jong is, wij/ Ziet nooit zoveel noch leeft zo lang als hij.’ Alsof de acteurs bescheiden zeggen: We Rest Our Case.


Koning Lear en de narren van Shakespeare zijn kwaad is nog te zien op 14 april in Theater aan het Spui te Den Haag, 24 april in Grand Theatre Groningen en op 22 en 23 mei in Toneelschuur Haarlem. www.barreland.nl