Romans uit de zeventiende eeuw

Zoveel jeu en toch niet te lezen

De groep mensen die zich professioneel met de oudere Nederlandse letterkunde bezighoudt mag niet groot zijn, ze is toch ook niet zó klein dat een heel genre zo lang onderbelicht zou hoeven te blijven. De zeventiende-eeuwse roman belooft genoeg voor wie zich even oriënteert: hevige liefdes, bloedstollende spokerijen en wonderbaarlijke gebeurtenissen. Waarom wil het dan toch niet? Omdat het gewichtiger is om poëzie te bestuderen? Omdat het aantal «oorspronkelijke» romans niet heel groot is? Omdat de inhoud weinig verheffend is? Of speelt er nog iets anders?

Wat is er toch mis met de zeventiende-eeuwse roman? Sinds jaar en dag klinkt de roep om meer aandacht voor dit deel van de literatuur uit de Gouden Eeuw en sinds enige tijd staat de roman op de Universiteit Utrecht ook op de onderzoeksagenda (zie het artikel van Lia van Gemert op pagina 38), maar toch zijn we nog altijd niet veel verder dan het stadium van bibliografische informatie vergaren, een paar inleidende en verkennende artikelen en enkele (facsimile-)edities. Eigenlijk komt de pornografische roman er nog het beste vanaf, met de grondige studie van Inger Leemans uit 2002 en enkele door haar verzorgde uitgaven (D’ Openhertige juffrouw, De doorluchtige daden van Jan Stront).

Maar waar blijven de analyses van de gewone romans, romantische liefdes- en avonturenboeken als de Dordrechtsche Acadia van Lambert van den Bosch en De edelmoedige Mintriomphe, vertoont in de uytmuntende vryagie van Oronto en Dianiere van Baltus Boekholt? Wie schrijft een grote studie over de invloed en navolging van Honoré d’Urfé’s Astrée in ons land? En wanneer komt er een tekstuitgave van Samuel van Hoogstratens hallucinante De gestrafte ontschaking of zeeghafte herstelling van den jongen Haegaenveld, versiert met wonderlyke bejegeningen der Hollandsche nimfen?

Ik haal voor de gelegenheid een editie van wat algemeen geldt als de belangrijkste Nederlandse schelmenroman uit de kast, Nicolaas Heinsius’ Den vermakelyken avanturier uit 1695. De typerende titel van dit internationale kassucces luidt voluit: De vermakelyke avanturier, ofte de wispelturige en niet min wonderlyke levens-loop van Mirandor, behelsende verscheidene klugtige en vermakelyke bejegeningen, wonderlyke toevallen, aangename amourettes ofte vryeryen, en nuttelyke aanmerkingen op den hedendaagschen werelds-loop; strekkende tot aanwysing, en bestraffinge der meest in swang gaande lasters, swakheden en sotternyen van veelderley stands-persoonen.

Er steekt een bladwijzer uit het boek bij bladzijde 172. Daar, op tweederde, ben ik kennelijk ooit gestrand. En dat terwijl editeur Van Gorp toch het nodige heeft gedaan om de moderne lezer ter wille te zijn – en zijn uitgever die een redelijke omvang eiste: hij heeft flink gesnoeid en de twee oorspronkelijke delen tot ongeveer de helft teruggebracht, verder zijn er beknopte maar adequate toelichtingen. En toch was dat kennelijk niet voldoende.

Den vermakelyken avanturier vertelt, zoals de titel aangeeft, het levensverhaal van een zekere Mirandor, een Hollander van lage afkomst, die na de dood van zijn gewelddadige vader het huis van zijn al even vreselijke moeder ontvlucht. Hij begint een zwerftocht door Noordwest-Europa, beleeft tal van avonturen en enkele «amourettes», waarbij het lot hem keer op keer beentje licht.

De ruwe opzet van dit verhaal kwam niet helemaal uit de lucht vallen. De auteur, Nicolaas Heinsius jr. (ca. 1656-1718), een kleinzoon van de bekende geleerde Daniël Heinsius, leidde zelf een vergelijkbaar woelig leven. Zijn thuissituatie was, net als bij Mirandor, verre van ideaal: zijn vader, de filoloog Nicolaas sr., verwekte hem bij een losbandige domineesdochter. Hij bleef weigeren het kind te erkennen, zelfs toen de moeder na jaren van procederen hem dwong met haar te trouwen. De jonge Nicolaas studeerde medicijnen, maar een rustige praktijk zat er niet in. Op zijn twintigste maakte hij zich schuldig aan doodslag. Hij sloeg op de vlucht en zwierf vervolgens achttien jaar rond door Europa; de kost verdiende hij onder meer als lijfarts van Christina van Zweden. Naar verluidt heeft Heinsius voor zijn roman royaal geput uit eigen ervaring.

Toch is Den vermakelyken avanturier geen autobiografie, maar een roman, dat kan geen lezer ontgaan. Het boek wemelt van de literaire verwijzingen en knipoogjes en daarbij zijn de beschreven gebeurtenissen te ongeloofwaardig voor een echte levensbeschrijving. De Avanturier bestaat uit een schier eindeloze aaneenrijging van wonderlijke voorvallen, avonturen, lotswisselingen, liefdesgeschiedenissen, omzwervingen, ingevlochten verhalen, kloppartijen en wel heel toevallige ontmoetingen. In het eerste deel hebben die nog bijna allemaal betrekking op Mirandor zelf, in het tweede deel van de roman komen daar allerlei zijdelingse verhaallijnen bij (juist die heeft Van Gorp weggelaten). Maar zelfs voor de roman in besnoeide vorm geldt dat de lezer van goeden huize moet komen wil hij of zij de draad op een gegeven moment niet kwijtraken, of de belangstelling verliezen.

Den vermakelyken avanturier is niet uniek in de wijze waarop het boek is opgebouwd. Ook in andere schelmenromans vinden we deze episodische structuur, die ook wel wordt aangeduid als de «saucijzenstructuur». Het verschijnsel is zelfs nog veel algemener, je vindt het in een groot aantal zestiende- en zeventiende-eeuwse romans, min of meer onafhankelijk van het genre. Of het nu heroïsch-galante romans, herdersromans of griezelromans zijn, ze kennen allemaal een vergelijkbare opbouw. Ook de vraag of het om een roman of een romanpastiche gaat doet er niet toe: steeds worden losse voorvallen en ontmoetingen aaneen geregen met een dun verhaallijntje. Daarbij heeft men een voorkeur voor wonderlijke zaken, onwaarschijnlijke ontmoetingen en buitengewone verschijnselen.

Het bracht Te Winkel tot de verzuchting dat Van Hoogstratens roman Haegaenveld behoorde tot «de zonderlingste gewrochten, die eene breidelooze verbeelding heeft kunnen scheppen. Met zijne talrijke avonturen der vele onnederlandsche personen, die er echter vrij gezochte Nederlandsche namen dragen en wier ongevallen ook grootendeels in Den Haag en aan ons zeestrand plaats hebben, levert de roman zulk een bont mengelmoes van gebeurtenissen, dat er moeielijk in een kort bestek eenig verslag of zelfs maar eenig begrip van te geven is.»

Deze algemene tendens komt vandaag de dag de leesbaarheid niet ten goede, waarbij het de vraag is wat de meeste problemen geeft. Misschien is dat niet eens de ongeloofwaardigheid, hoe storend soms ook, maar toch eerder de verbrokkeling. De boeken hebben geen plot, geen spanningsboog die het geheel bij elkaar houdt.

Een sterke plot mag dan ontbreken, dat neemt niet weg dat anderzijds de afzonderlijke verhalen en episodes in deze romans vaak kostelijk zijn. Heinsius’ Avanturier bevat meesterlijke staaltjes van spot met het heroïsch-galante genre, in dat opzicht lijkt het boek in de beste passages op die wereldberoemde voorganger, Cervantes’ Don Quichot – beroemder, klassieker en onaantastbaarder kan bijna niet. Het is een vergelijking die mij andermaal in de biechtstoel drijft, want ja: ook uit mijn Don Quichot steekt halverwege een bladwijzer… Een snelle rondvraag in mijn omgeving (je gaat toch aan jezelf twijfelen) leert echter dat ik lang niet de enige ben die op een gegeven moment is afgehaakt. Velen hebben Don Quichot op de plank, vaak in buitengewoon fraaie, al dan niet «gouden» uitgaven, en er is met plezier in gelezen, maar nooit van kaft tot kaft. Er bestaat kennelijk een soort verzadigingspunt, een maximumaantal losse avonturen en rare toevalligheden dat een lezer kan hebben.

De episodische structuur, de roman als een rits saucijzen, is geen uitvinding van de zestiende eeuw. In feite is ze zo oud als het genre roman zelf, want al in de Griekse romans uit de eerste eeuwen na Christus zien we vergelijkbare patronen. In idealistische liefdesromans als Chaireas en Kallirhoë van Chairiton en Leukippe en Kleitoon van Achilleus Tatios draait het om twee geliefden die van elkaar worden gescheiden en vervolgens ieder een reeks wonderlijke avonturen doorstaan. Keer op keer wisselt hun lot en lijkt hun situatie hopeloos, soms zijn ze zelfs schijndood en begraven, maar uiteindelijk komt alles goed en overwint de liefde (wie een indruk wil krijgen kan, behalve bij de klassieke romans zelf – die allemaal vertaald zijn – ook terecht bij Paul Claes, die in 1993 het romantype reanimeerde in De sater). Het genre vraagt erom geparodieerd te worden, en dat gebeurde dan ook al in de Oudheid zelf: het bekendst zijn Petronius’ Satyricon en Apuleius’ Metamorphosen (beide romans bieden overigens meer dan spot alleen).

Ook in de middeleeuwse versroman zijn vergelijkbare verschijnselen aan te treffen. Een tekst als Floris ende Blanchefloer vertoont duidelijke overeenkomsten in bouw met de klassieke idealistische liefdesromans: ook hier twee geliefden die van elkaar gescheiden worden en elkaar zoeken, waarbij ze een reeks van avonturen doorstaan. Veel ingewikkelder wordt het in de enorme Lancelotroman. Hier gaat het niet meer om een eenvoudige saucijzenstructuur, een aaneenrijging van losse verhalen: het weefsel wordt hier echt ingewikkeld. De samensteller/verteller laat in zijn verhaal verscheidene gebeurtenissen tegelijkertijd plaatsvinden. De verdwijning van Lancelot kan bijvoorbeeld aanleiding zijn voor een groep ridders om hem te gaan zoeken. Ieder van hen beleeft vervolgens zijn eigen avonturen, die niet allemaal tegelijkertijd verteld kunnen worden.

Om dat op te lossen gebruikt de dichter of samensteller een techniek die bekend staat als «entrelacement». Een groot aantal verhaallijnen gaat daarbij parallel lopen, soms kruisen ze elkaar, soms komen ze weer bijeen. De dichter zou via de lengte van de verschillende verhaallijnen het belang van elk van de personages aangeven.

Maar het belangrijkste doel van de structurering volgens het entrelacementprincipe lijkt toch wel de verdeling van het omvangrijke stofcomplex in kleinere, hanteerbare eenheden. En dat brengt ons bij een cruciale vraag: hoe las men dit soort middeleeuwse romans eigenlijk? Of, misschien juister, hoe las men ze voor? Niet als geheel, zoveel is duidelijk, maar in meerdere voordrachtsessies. Tijdens een voordracht las men gemiddeld vijftienhonderd tot tweeduizend verzen. Dat betekent dat men voor korte teksten als Karel ende Elegast aan één avond genoeg had, voor de Reinaert aan twee, maar de Lancelotroman vergde minstens veertig bijeenkomsten.

Elke dag een episode dus, en de structuur van de tekst is hierop toegesneden. Voor wie erop gespitst zijn de bewust aangebrachte breuken eenvoudig te herkennen. Tal van beroemde klassieke teksten zijn verdeeld in porties (dat geldt voor de populaire grote raamvertellingen, zoals De verhalen van duizend-en-een nacht, Chaucers Canterbury Tales, Boccaccio’s Decamerone), of laten zich eenvoudig verdelen. Het is onmiskenbaar dat dit principe ook nog van toepassing is op de zestiende- en zeventiende-eeuwse romans en prozawerken. Ook die blijken uitermate geschikt om in kleine porties te worden (voor)gelezen, hetzij door hun episodische structuur (de schelmenromans), door hun opzet als raamvertelling (in de Nederlandse, pornografische roman van Pieter Elsevier, De doorluchtige daden van Jan Stront, vertellen de personages bijvoorbeeld om de beurt over hun seksuele escapades), of door een nog lossere opbouw (de populaire bundels met novellen, kluchtige anekdoten en wonderbaarlijke geschiedenissen).

Teksten die bedoeld zijn om beetje bij beetje gelezen te worden, moeten vanzelfsprekend aan specifieke structuureisen voldoen én ze vereisen een specifieke leeshouding. Wat betreft de structuureisen zal het duidelijk zijn dat de plot helemaal niet zo belangrijk is. Er is wel een rode lijn, maar de voortgang daarvan is niet een hoofddoel. Het gaat juist om elk van de losse verhalen binnen die plot.

De vereiste leeshouding voor een zeventiende-eeuwse roman is dan ook totaal anders dan voor een moderne roman. Beetje bij beetje lezen, dat doen wij nu nog met poëzie en met verhalen, voorzover we nog poëzie en verhalen lezen. Maar aan romans lijken we toch andere eisen te stellen. Wij zijn gericht geraakt op page turmers, boeken die «lekker weglezen», die «je niet weg kunt leggen», of zelfs «in één ruk uitleest», positieve oordelen die men in de zeventiende eeuw vermoedelijk niet herkend zou hebben. We zijn het ontwend om een boek in kleine porties tot ons te nemen, zo lijkt het. In elk geval is het literaire feuilleton dood.

Dat betekent niet dat daar niets voor in de plaats is gekomen, of dat we het «lezen» volgens dit oude principe zijn verleerd, we hebben het alleen in een andere vorm gegoten. De vergelijking is vaker gemaakt, en terecht: de klassieke en ook de zeventiende-eeuwse roman heeft alles weg van een soap. Soapseries zijn ook niet bedoeld om ononderbroken te bekijken: zelfs fans worden appelig na een paar uur non-stop As the World Turns, terwijl het in gedoseerde hoeveelheden, een half uur of drie kwartier per dag, juist verslavend werkt.

Wat betekent dit nu voor wie de oude romans toch weer aan de man willen brengen? Natuurlijk moet er een mooi boek geschreven worden over het verschijnsel als zodanig, de rijkheid van het materiaal, de wijze waarop dit soort boeken gelezen moet zijn en wat erin gewaardeerd werd. En daar hoort dan een fraaie, omvangrijke bloemlezing bij met lezenswaardige passages. Juist bij die oude romans is het niet raar om er stukken uit te lichten, het gaat immers niet om de plot van het geheel, maar om het plezier dat een kleiner gedeelte daaruit verschaft: een curieus verhaal, de superieur ironische passage, of wat dan ook.

In feite geven we daar ook aan toe, wanneer we een deel uit een omvangrijk werk (een roman of een andere tekst) lichten om het als zelfstandige tekst uit te geven, zoals gebeurd is met het verhaal over Amor en Psyche uit Apuleius’ Metamorfosen, met Het hert met de witte voet uit de Lancelotroman of met het Spaans heydinnetje uit Cats’ Trou-ringh. Ook Heinsius’ Vermakelyken avanturier is al eens op die manier onder handen genomen: Jan ten Brink gaf in 1895 enkele «aaneengeschakelde tafereelen» uit.

Maar is er ook nog hoop voor complete zeventiende-eeuwse romans? Wel wanneer die een beperkte omvang hebben: dunne boekjes als Wonderlicke avontuer van twee goelieven of De Walcherse Robinson houden ondanks hun saucijzenstructuur de aandacht wel vast. Het zijn de omvangrijker teksten, zoals Heinsius’ Avanturier, die het moeilijk krijgen.

Eén optie is om die teksten terug te snoeien tot een spannend verhaal, ze zo te bewerken dat er wel een spanningsboog ontstaat die de aandacht vasthoudt van begin tot eind. Dat is de aanpak die Van Gorp koos toen hij Den vermakelyken avanturier bewerkte – maar of hij helemaal bereikte wat hij wilde is de vraag. Daarom is het nog niet zo gek om het ook eens andersom te proberen en juist de zeventiende-eeuwse structuur te handhaven en daar dan het geijkte medium bij te kiezen. En dat wordt dan geen boek of andere vorm van leesvoer. Een hoorspel zou kunnen: ondanks het wat belegen imago van het hoorspel heeft de radioversie van Voskuils Bureau bewezen dat het nog kan. Maar gezien de hoeveelheid actie ligt het in het geval van Heinsius’ roman toch veel meer voor de hand om het eens in soapvorm te proberen. Thijs Römer als «de vermakelijke avonturier» dagelijks een half uur op tv. Iets voor Talpa? * Johan Koppenol is hoogleraar Nederlandse letterkunde van de Gouden Eeuw