Zoveel maan is zeldzaam

B. ZWAAL
ZOUTTONG
Querido, 48 blz., € 17,95

Vanaf fiere miniature uit 1984 bestaan de dichtbundels van B. Zwaal uit twee soorten vormen van concentratie. Ze openen met korte en stokkende gedichten die iets weg hebben van haiku’s en eindigen in wijdlopende taferelen die aan het theater doen denken. In Zwaals gedichten zijn intimiteiten verzelfstandigd. Enerzijds dwalen zijn regels rond de erotiek, anderzijds de nautica, en vaak lijkt het een het ander te verbeelden. Niet zelden worden begrippen gepersonifieerd en natuurelementen lichamelijk. Zwaal drijft dat tot in het absurde door, zo lijkt het, maar wie nauwgezet leest ziet dat wat malle onzin lijkt feitelijk uit heel precieze en uitgekiende beelden bestaat. In dat debuut vielen de lange gedichten op: de wind die moe is en de mensen die omvallen juist als de wind ophoudt, twee oevers met koeien en gras rond een veer met een bel, een brug die alleen maar bestaat uit voetstappen.
Het werk van B. Zwaal is enigszins verwant aan dat van Anneke Brassinga. Beiden schrijven een grillig en inmiddels uitgebreid oeuvre dat raakvlakken in zowel het verleden als het heden heeft en feitelijk al verscheidene generaties verbindt. Beiden hebben een welluidend en geprononceerd gevoel voor taal. Maar Zwaals register lijkt strakker. In zijn tweede bundel bos in ’t rot (1986) staat een gedicht van vier pagina’s waarin niets anders gebeurt dan dat in een kamer een vrouw op kussens ligt en dat in die kamer een vlieg rondvliegt. Ook zijn er de ‘magenta agenten’ die je dwingen te blozen net als je het toneel op moet. loofhut morelle (1988) kent een prachtig gedicht over de ontmoeting tussen een warme hand en een ijskoude voet, die wegloopt zoals in een tekenfilm. dwang parasang (1990) heeft vrolijk korter werk: ‘drenk klei// zaai zeeland’ en ‘als bomen’ ruis/ peppel is zij’, en ook het toepasselijke ‘tafeldame begeert het bestek en mij negeert zij niet’. In deltha methusalem (1993) staat de klassieker ‘een ster noemde zich zon en wij hadden het maar te geloven’. Pas in dat vat – ‘het is het water zelf/ dat vat’ – (1996) lijkt het verloop van korte naar lange gedichten opgeheven. Er volgen twee fraaie bundels: zee bestookt (1999) – ‘vaar weer// veer van licht// veer van water// veer van later// komt nog niet’ – en een drifter (2004): ‘jij bent het water de zee// jij was het water de zee’. In de Zeeuwse Slibreeks verschijnt datzelfde jaar vers vee: ‘zoveel maan is zeldzaam’. En nu is er de tiende bundel, zouttong.
B. Zwaal was decennialang artistiek leider van het Bewegingstheater BEWTH, een groep die van telkens verschillende gebouwen de architectuur benadrukte door de spelers er doorheen te laten bewegen en op gezette momenten ook het publiek te verplaatsen. Ik herinner me dat ik als kind een immense lichtbal zag die op ons af kwam in een pakhuis waar nu het Veem-theater is. BEWTH bracht geen desoriënterend effect teweeg, maar verscherpte juist het grafisch bewustzijn: het liet zien hoe de lijnen in kerken en raadhuizen liepen. Kwam je na een voorstelling het Dudok-raadhuis in Hilversum uit, dan zag je precies hoe een fietser door een zijstraat ging, je tekende scherp de lijn uit die hij tussen twee rijen geparkeerde auto’s maakte.
Een dergelijk fundamenteel minimalisme zit ook in Zwaals poëzie. Zijn gedichten moet je wel langzaam lezen, anders zeil je er zo doorheen. Pas door nadruk en beklemtoning wordt duidelijk wat er staat. Zo is ook de voordracht van B. Zwaal. In zouttong staan korte en lange gedichten door elkaar, en toch is er opnieuw een verloop van stokkend naar vloeiend. ‘zee kerkt/ tegen rotsen’ laat in al zijn beknoptheid een torenvormige golf zien. ‘zout kuipt zij haar zoetsel’ klinkt als woordspel, maar niets is zomaar spel bij Zwaal. ‘de rivier lijdt aan/ zeeschroom’ opent hetzelfde gedicht, en als je bedenkt dat de zouttong de laag zeewater is die blijft liggen na het stutten van een rivier door een zeedijk krijgt al die welklinkendheid een logica. Er zijn woorden bij Zwaal waar ook de Van Dale niet helpt: ‘alschaam’, ‘grebbe cunera’, ‘kooiblommen’, ‘teleblommen’ en ‘oskoe’, eerder associatievermogen of een atlas, zoals bij de verzameling riviertjes genaamd dieën die ons uiteindelijk niet verder dan tot Holysloot brengt. Meisjesnamen worden boten en hooggebergtes liggen op zeebodems. Net als in het echt, of andersom:

slokjes tintelen de lippen
rood gezogen
bes vat kou

de sneeuwvlok dempt
het klokje

meer bevroren strak
spat vrouw

Aangrijpend is een gedicht over een stem die nog wel water kan vragen, maar die verder helemaal ‘allene’ door moet. Ze ‘weet dit wel kan dit door haar wil wel begrijpen’. Hier zijn het opnieuw lichaamsdelen, de vragende hand, de reikende hand, het oor, die het verhaal vertellen. Soms is Zwaal gewoon even flauw (‘land/ overvloeiende van/ melk en auto’). Geslaagd is een lang gedicht waarin een figuur in het water wil springen – maar dat blijkt een fata morgana –, vervolgens ter verkoeling varens in rolt en de volgende ochtend door dieren bekeken wordt als ‘een korte gast die zo uit de boom vallen zou’. Af en toe stuurt de dichter de lezer met plezier met kluit het riet in. Zo blijken elevatoren helemaal geen liften, maar een bepaalde losinrichting voor steenkolen. Pas op de laatste drie pagina’s van zouttong verandert B. Zwaal van toon en lijkt hij mee te gaan zingen in het koor van Hans Groenewegen en Samuel Vriezen, met wie hij vaker optreedt. Cursieven, letterlijke herhalingen, dat zijn me daar ongewenste noviteiten in het werk van een dichter die al 24 jaar en tien bundels lang zijn beheerste eigen koers vaart! Houd je roer recht, Zwaal. Het zal mij niet verbazen als deze gedichten veel langer gelezen blijven worden dan die van menige andere dichter.