‘zritterend’

In sprookjes is voor koninginnen vaak een onaangename rol weggelegd: de stiefmoeders van Sneeuwwitje en Assepoester, de boze Sneeuwkoningin bij Andersen of de majesteitelijke heks Sirdis in Paul Biegels Tuinen van Dorr.

Echte koninginnen kom je in de jeugdliteratuur zelden tegen. Roald Dahl laat Elisabeth van Engeland optreden in de strijd van de Grote Vriendelijke Reus tegen zijn mensenverslindende collega’s. In Toon Tellegens recente kinderboekenweekgeschenk vliegt onze eigen koningin als muze voor de aankomende schrijver V. Swchwrm geheel op eigen kracht en in een blauwe robe door het luchtruim.
In haar nieuwste boek Kukel heeft Joke van Leeuwen de majesteit zelfs een glansrol toebedacht, als belangrijkste tegenspeler van het minkukelige titelpersonage. Kukel is het broertje van zeven beroemde zingende zusters. Zijn grote wens is een keer mee te mogen doen, al was het maar onzichtbaar achter hun feestelijk gejurkte ruggen, maar dat is uitgesloten. Kukel zingt vals en komt ook anderszins niet zo goed uit in de familie. Hij moet maar naar het ‘opvanghuis’.
Een boek lang is het jongetje in de weer om aan dat huis te ontkomen en een plaats te veroveren in het paleis en het hart van de koningin. Als troost voor zijn niet-gewenstheid heeft hij zich namelijk in het hoofd gezet dat hij haar geheime prinsje is. Op koninginnedag weet Kukel zich als verstekeling tussen de ladingen gehandenarbeide geschenken 'van het volk’ te verbergen en het paleis binnen te dringen. Daar wordt hij een soort gezelschapskind van de koningin, die dol blijkt op spelletjes doen en bij Kukel haar gewichtigheid even af kan leggen.
Na de ernst en de onverhulde maatschappelijke betrokkenheid van het eerder dit jaar verschenen Bezoekjaren is Van Leeuwen terug op haar eigen terrein van het absurdisme, de snelle woordgrappen en de werkelijkheid die een dusdanig slagje gekanteld is dat alles er wonderlijk uitziet maar voor de goede waarnemer nog wel herkenbaar. Zo is de koningin geen Beatrix, want ze is dun en breekbaar, weduwe en kinderloos, maar als instituut klopt ze, met haar minzaamheid, kerstboodschap en bekakte volzinnen: 'Ik kan niet zomaar zeggen dat ik rood de zritterendzde kleur vind. Ik moet er voor alle menzen zijn, en het is zeer zdorend voor mensen die rood een afzruwelijke kleur vinden, als ik zeg dat ik rood zo zritterend vind. Dan voelen die menzen zich minder van mij.’
Het verhaal is hilarisch, met name in Kukels transport naar het paleis, vermomd als staande lamp met handgebreide kap, en in zijn steeds stoutmoediger contacten met de vorstin. Die vormen het hart van de vertelling. Het is een merkwaardig duo, praktisch gezien allebei 'alleen op de wereld’, een gevoel dat vlak onder de grappige zinnetjes schrijnt en dat zichtbaar is op Van Leeuwens tekeningen. Kukel is er bijna niet: in de donkere coulissen van de schouwburg, verborgen tussen de paleisgordijnen of speldeknopklein achter de ramen van een grote stad. De koningin verdrinkt met een treurig gezicht in enorme stoelen aan eindeloze tafels. De auteur gunt ze samen een hartverwarmend avontuur, zodat de lezer, na te zijn uitgelachen, kan denken dat ze nog lang en gelukkig leefden.