Europese schuldencrisis

Zuid-Europa uit de euro, voor hun eigen bestwil

Na Griekenland schiet Europa nu ook Ierland te hulp. Hoewel, hulp: in werkelijkheid gaat het om staatssteun voor onze eigen banken. De wankele landen zouden er beter aan doen een eigen muntzone op te richten.

Medium kleinknecht

Wat een prestatie: eerst is er op de financiële markten grof geld verdiend met roekeloos speculeren. Vervolgens zijn ze gered door de belastingbetaler. Nu overheidsbegrotingen door de reddingsoperaties in zwaar weer verkeren, kan de financiële wereld de volgende slag slaan: afbraak van de gehate welvaartstaat. Geheel indachtig het motto never waste a good crisis!
Dat vereist wel handige framing: slim woordgebruik, waardoor de politieke tegenstander op het verkeerde been wordt gezet. Hoe groot op die manier de macht van taalgebruik is, heeft de Delftse bestuurskundige Hans de Bruijn recentelijk nog laten zien met een analyse van de retoriek rond Barack Obama. Zo werden diens gezondheidsplannen bestreden met het frame van de death panels, waarmee big government straks beslist wanneer je je laatste spuitje krijgt.
Ook bij de Europese schuldencrisis lijkt framing een belangrijke rol te spelen. De burger kan geen krant meer openslaan of hij leest dat de spilzucht van de overheid de bron is van alle euvel. De discussie draait vervolgens om de vraag hoe Europese instanties onverantwoordelijke nationale overheden moeten muilkorven. Mocht dat lukken, dan komt alles weer op orde en is de euro gered! Heus? In werkelijkheid wordt het probleem op ten minste vier punten geframed.

FRAME 1: Fixatie op de staatsschuld
De Griekse staatschuld was vorig jaar met 113,4 procent van het bruto binnenlands product (bbp) inderdaad aan de hoge kant, maar in andere probleemlanden (Spanje, Portugal, Ierland) bestaat de schuldenberg vooral uit particuliere schulden. Na hun toetreding tot de euro konden deze landen tegen een heel lage rente geld lenen. Gecombineerd met een krachtige neoliberale dereguleringscampagne leidde dit vooral op de Spaanse en Ierse huizenmarkt tot stevige zeepbellen. In het meest vergaand geliberaliseerde Ierland heeft de overspeculatie zelfs een omvang bereikt die de financiële sector aan de rand van de afgrond bracht. Zonder hulp van buiten zouden de Ierse banken instorten.
Vergeleken met die particuliere zeepbellen valt de staatsschuld mee. Volgens Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, lag de gemiddelde staatsschuld als percentage van het bbp in de eurozone in 2009 op 79,2. De Spaanse staatsschuld ligt daar met 53,2 procent ver onder. Zelfs Portugal (76,1 procent) en Ierland (65,5 procent) zitten nog onder het gemiddelde. Vergelijk dat eens met de percentages voor landen als Italië (116), België (96,2) of Japan (170,6). Is het dan niet wonderlijk dat de kredietbeoordelaren zoveel ophef maken over de overheidsschulden rond de Middellandse Zee, en zwijgen over de rest?

FRAME 2: Het is een luie, spilzieke bende!
De gangbare argumentatie luidt dat de overconsumptie in het Zuiden teruggedrongen moet worden door strenge bezuinigingsmaatregelen. Bovendien moeten ze daar onder de knoflookgrens eens wat harder en langer werken. Ook zijn hervormingen van de arbeidsmarkt nodig (lees: makkelijker ontslag) zodat de lonen (neerwaarts) flexibeler worden. Het behoort allemaal tot het cliché van de overbetaalde, luie en veel te vroeg met pensioen gaande Zuid-Europeaan.
Het is opmerkelijk hoe weinig men zich bij dit soort framing aantrekt van statistische feiten die voor iedereen toegankelijk zijn. Dat de problemen van de tekortlanden vooral aan te hoge loonkosten te wijten zijn, is nauwelijks aantoonbaar. Officiële EU-cijfers laten zien dat de loonkosten in de eurozone tussen 2000 en 2007 licht gedaald zijn: van 100 naar 96. Zetten we de loonkosten in 2000 gelijk aan 100, dan zien we voor 2007 de volgende cijfers: Griekenland 97,5; Spanje 93,5; Portugal 101,5; Ierland 100,9; Duitsland 93; en Nederland 97,6. Spanje doet het kortom even goed als Duitsland. En de Griekse loonkosten ontwikkelden zich niet slechter dan de Nederlandse.

FRAME 3: Praat niet over handelsoverschotten!
Terwijl alle aandacht uitgaat naar staatsschulden en loonkosten blijven de werkelijke problemen onderbelicht. Griekenland, Spanje en Portugal kampen sinds de invoering van de euro met hoge en groeiende importoverschotten. Een blik op de statistieken leert dat deze importoverschotten vooral samenhangen met fikse exportoverschotten in Duitsland en Nederland. Ruim tien jaar geleden waren deze import- en exportoverschotten nog vrij klein. Sinds de invoering van de euro zijn ze fors gestegen. Dit geldt in iets mindere mate voor Ierland, maar ook daar heersen importoverschotten van één tot vijf procent van het bbp.
Wat is er aan de hand? Vroeger werden import- en exportoverschotten in toom gehouden doordat de drachmes, peseta’s en escudo’s van tijd tot tijd werden afgewaardeerd. Tegelijkertijd werden Duitse marken en Hollandse guldens regelmatig opgewaardeerd. Afwaardering van bijvoorbeeld de drachme ten opzichte van andere munten maakt de Griekse export goedkoper, en de import duurder. Bij opwaardering gebeurt het omgekeerde. Dankzij op- en afwaarderingen van de munten streefden de handelsbalansen bijna automatisch richting evenwicht. Door de komst van de euro is dit mechanisme weggevallen.
Met als resultaat grote handelsoverschotten en dito problemen. Als een land stelselmatig veel meer importeert dan exporteert, dan heeft dat namelijk twee vervelende consequenties. Ten eerste neigt het land tot de-industrialisatie. Bedrijven rond de Middellandse Zee moesten de afgelopen jaren mensen ontslaan omdat ze niet meer konden concurreren met de overvloed aan importgoederen uit Noord-Europa. Gevolg: minder banen. De werkloosheid in Spanje ligt al boven de twintig procent, onder jongeren zit zelfs veertig procent zonder werk. Gelukkig heeft Nederland met vijf procent een lage werkloosheid. Maar zonder het forse exportoverschot zou dit cijfer aanzienlijk hoger zijn. Ook de recente opleving van de Duitse economie is bijna uitsluitend gedreven door hogere exportoverschotten.
Helaas, in een wereldeconomie is het exportoverschot van het ene land altijd het importoverschot van een ander. Met andere woorden: met ons agressieve exportbeleid stelen wij banen in het Zuiden. In dit geval is stelen overigens bijzonder onethisch, want hier jatten de rijken van de armen. Is het doelbewuste framing, of puur toeval dat hierover in de media zo zuinig wordt geschreven?
De importoverschotten van met name de landen rond de Middellandse Zee liggen de laatste jaren tussen de vijf en vijftien procent van hun bbp. Dit heeft nog een tweede negatieve consequentie. Als je als land voortdurend meer goederen ontvangt dan je levert, moet dat verschil op de een of andere manier worden vereffend. Dat gebeurt in de praktijk voornamelijk door uitgifte van schuldtitels: stukken papier met de toezegging om later te betalen. Het kan om schuldtitels van bedrijven gaan of om overheidsschuld. Daarbij draagt de reeds beschreven massieve importpenetratie en de-industrialisatie ook weer indirect bij aan de schuldenopbouw. De overheid vangt minder belasting van een haperend bedrijfsleven en moet meer werklozen onderhouden. Nederland heeft met een bescheiden werkloosheid al moeite om het overheidstekort in bedwang te houden. Wat zou er gebeuren als het werkloosheidspercentage tien of twintig bedroeg?

FRAME 4: Ze moeten wel dankbaar zijn dat we hen helpen!
Met het hulppakket voor Griekenland is eerder dit jaar een noodverband aangelegd. Hier komt nu hoogstwaarschijnlijk ook steun voor Ierland bij. Interessant is daarbij opnieuw de framing. Er wordt steevast gesproken over een ‘hulppakket’ voor Ierland en Griekenland. Onze belastingbetalers brengen een offer voor de Ieren en de Grieken, en daar horen zij dankbaar voor te zijn! In werkelijkheid gaat het hier om een vorm van staatssteun voor onze banken. Vooral Franse, Duitse, Engelse en Nederlandse geldhuizen hebben in het verleden met grote lichtzinnigheid Griekse schuldtitels gekocht. Met even lichtzinnige leningen hebben zij de zeepbel op de Ierse huizenmarkt aangejaagd. Onze banken mogen zich nu gelukkig prijzen dat deze twee landen het hulppakket inderdaad accepteren. Hadden ze zich failliet verklaard, dan was in Europa een tweede bankencrisis losgebarsten. Nieuwe rondes van reddingsoperaties voor banken waren vermoedelijk duurder uitgevallen dan de 'hulppakketten’.

Zijn de problemen van de tekortlanden hiermee dan in elk geval opgelost? Geenszins. Om ooit nog buitenlandse schuld te kunnen terugbetalen, zouden deze staten meer moeten exporteren dan importeren. Met hun verdiensten uit de netto export zouden ze dan hun buitenlandse schuld kunnen aflossen. Interessant is dat de diverse topontmoetingen helemaal niet gingen over de vraag hoe hun importoverschotten te veranderen in exportoverschotten. Dit taboe is niet verrassend: de Duitse en Hollandse exportoverschotten zijn heilig. En mocht het Nederlandse exportoverschot ooit onder druk komen te staan, dan staan we zo weer klaar met een extra rondje loonmatiging: eigen werklozen eerst!
Intussen gaan de Middellandse Zee-landen monter door met het boeken van importoverschotten. Deze overschotten moeten straks weer worden gefinancierd. Het is dus een kwestie van tijd voor het schuldenprobleem opnieuw de kop opsteekt.
Zeker voor de Grieken, Spanjaarden, Portugezen, en in iets mindere mate de Ieren zou het in deze situatie het beste zijn om uit de euro te stappen en een eigen muntzone op te richten. Wie met vrienden als de Duitsers en de Hollanders in een muntunie zit, heeft immers geen vijanden meer nodig. Het is ook niet aannemelijk dat Duitsland en Nederland hun gedrag beteren en andere staten niet meer in de problemen zullen brengen met hun agressieve exportbeleid.
Alleen een flexibele wisselkoers tegenover het Noorden kan deze kloof verkleinen. Hadden de tekortlanden een eigen munteenheid, dan konden ze deze afwaarderen ten opzichte van de euro en vervolgens hun producten gunstiger uitvoeren. Hoe lang gaat het nog duren voordat de zuidelijke lidstaten erachter komen dat het verlaten van de eurozone voor hen geen strafmaatregel is, maar hun eigen belangen dient?


Alfred Kleinknecht is hoogleraar economie van innovatie aan de TU Delft. De afscheidsrede van Alfred Kleinknecht vindt plaats op woensdag 6 november om 15.00 uur, in de Aula van het Congresgebouw van de TU Delft.

Beeld: Kim Haughton / Polaris / HH