Wim Oepts, Chemin de Saint-Anne, 1946. Olieverf op doek, 45 x 55 cm © Rijksdienst Cultureel Erfgoed

De schilder Wim Oepts (1904-1988), zoon van een meubelmaker, ontwikkelde zich tot kunstenaar onder de vleugels van Charley Toorop, maar de belangrijkste impuls voor zijn carrière was een verblijf in 1931 in Parijs, dat leidde tot een min of meer permanente verhuizing naar Zuid-Frankrijk. Daar ‘wemelde’ het in die jaren van de Nederlandse kunstenaars; daar zou Oepts het grootste deel van zijn leven blijven werken, met uitzondering van de Tweede Wereldoorlog, waarin hij ontkwam naar Engeland en door het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen werd aangesteld als ‘War Artist’.

Toen hij in 1946 in Frankrijk terugkeerde was de wereld veranderd, ‘alles zoop en naaide’ en de kunst begon in zekere zin op nul. De tentoonstelling toont een sleutelwerk uit dat jaar, Chemin de St.-Anne, een bescheiden landschapje zoals Van Gogh het ook zag, en eigenlijk ook zo schilderde, zonder poezeligheid of nevel, maar in heldere harde kleuren, donkerblauw op korengeel op groen, eenvoudige vlakken, weinig details, altijd trouw aan de werkelijkheid, dat straatje, dat kerkje.

Het zijn heel sterke werken. Je voelt dat de stap naar abstractie niet ver is, maar zo zat Oepts niet in elkaar. Hij werd een exponent van een groep ‘Realisten’ die meende dat er tussen de ‘oude’ figuratie en het onstuimige abstract expressionisme een ‘gulden middenweg’ te vinden moest zijn. Abstractie was volgens Oepts nodig ‘om uit een routine te komen’ en kon misschien een basis vormen ‘voor een nieuwe figuratieve kunst’, maar hij bleef de werkelijkheid graag trouw.

Kunstenaars als hij raakten in de jaren vijftig en zestig onmiskenbaar op een zijspoor, of werden daarheen gerangeerd. Een wand in de tentoonstelling toont veertien werken van Oepts’ tijd- en mentaliteitsgenoten, ook werkend in Frankrijk: Wijnberg, Nanninga, Groenestein, Wagemaker, Voskuil, allemaal capabele schilders, maar je kunt er goed aan zien waarom dat soort schilderkunst in die moderne jaren werd gezien als een vruchteloos doormijmeren op wat Renoir, Bonnard en Cézanne hadden gedaan. Bovendien werd het idee van het zonnige Franse zuiden als bron voor belangrijke kunst in de jaren zestig flink verpulpt door Toon Hermans’ Mediterranee, zo blauw, zo blauw en de onstuimige opkomst van de bistro.

Oepts zou zijn leven lang blijven twijfelen over die middenweg. Groot commercieel of publiekssucces zou hij niet behalen; hier is echter te zien dat hij niettemin werk afleverde dat bredere erkenning verdient. Het groene huis (1954) is een waar meesterwerk: realistisch in de weergave van de schilderachtig verweerde huid van een Provençaals huis, maar dan Van Gogh-achtig hard gekleurd, de gevel in groen, de lucht duister indigo, de akker korengeel, en in de compositie één stapje verwijderd van een pure abstractie. Oepts vormt zo een opmerkelijke schakel, misschien zelfs een gulden middenweg; het is passend dat deze zeer goed samengestelde tentoonstelling eindigt met werk van Jef Diederen, die het soort abstractie bezigt die direct volgt uit wat Oepts hem voordeed.

Wim Oepts en de schilders van het zonnige Zuiden. Museum Jan, Amstelveen, t/m 12 februari 2023