Het is warm in Irak

Zuid-Irak van achter de ‹abaya›

De berichtgeving over het zuiden van Irak, waar Nederlandse mariniers zijn gelegerd, komt niet verder dan de constatering dat het er warm is. Wat maakt de bevolking door achter de angstvallig gesloten deuren? Een dagboekverslag.

29 juniVanuit Amsterdam vlieg ik naar Amman, Jordanië. Ik zit naast Ahmed, 23 jaar oud, student in Århus en Irakees vluchteling die zestien jaar geleden alleen naar Denemarken is gekomen. Hij zal nu in Jordanië voor het eerst sinds zestien jaar zijn vader weer zien. Al die tijd verbleef zijn familie in Iran.

We praten wat over welk Europees land de meest mooie meisjes heeft en het goede wat Amsterdam te bieden heeft. Bij aankomst in Amman zie ik hem innig omhelst worden door een man met het uiterlijk van Osama bin Laden, zijn vader. Twee werelden komen samen.

Amman: drie jaar geleden was ik hier voor het laatst, het lijkt een maand geleden. Op het vliegveld is de «hulpindustrie» voor Irak zichtbaar. Goedgepakte heren met VN-passen om hun nek: mensen van middelbare leeftijd in vrijetijdskleding, met stickers van internationale hulporganisaties op hun tassen: de securityjongens, met hun leatherman-mes aan hun riem vastgeklikt, naast hun satelliettelefoon, reflecterende Aukley-zonnebrillen op kaalgeschoren hoofden. Beelden van eerdere bestemmingen schieten door mijn hoofd. Wegen volgepakt met witte auto’s in Kosovo en Sierra Leone.

6 juli

Na een week doorgebracht te hebben in Bagdad en Irbil, ben ik blij af te reizen naar Najaf waar ik de eerste zes weken zal doorbrengen. Bedekt van top tot teen in rok, bloes, dichte schoenen en sluier, klaar voor de regio die bekend staat als de meest conservatieve van Irak, laat ik het landschap aan me voorbij trekken.

Stoffige buitenwijken van Bagdad, gebombardeerde ministeries, brede snelwegen, overal benzineverkopers langs de weg. Een blik benzine, een stuk tuinslang en een tuit, en je hebt je eigen handeltje. Bagdad voelt niet veilig aan, veiligheidsprotocollen schrijven ons voor niet alleen over straat te lopen.

Gelukkig volgt mijn organisatie, het van oorsprong Amerikaanse International Rescue Committee (IRC), niet het veiligheidsprotocol van de VN. VN-personeel mag slechts op de compound wonen of verblijven in een van de vijf «considered safe hotels» in Bagdad. Ze worden om half negen ’s ochtends opgehaald en om zes uur ’s avonds moeten ze weer terug zijn.

Het landschap verandert; droog en stoffig wordt afgewisseld met het groen van rijstvelden, we passeren het oude Babylon, overschaduwd door Saddams paleis dat uitkijkt over de stad. Mensen vragen zich af of het een museum moet worden.

Onderweg naar Najaf zie ik gammele taxi’s, privé-auto’s en bussen met lijkkisten op het dak. Geen gelakte kisten, maar oude houten kleine kistjes. Het lijken wel sinaasappelkisten. Najaf is het religieuze centrum van de sjiïeten. Hier is imam Ali’s heiligdom, bekleed met puur goud. Hier willen sjiïeten uit de hele wereld worden begraven, immers «een nacht naast Ali is beter dan een jaar lang bidden».

In Najaf liggen meer doden begraven dan er levenden rondlopen. Ook het nabijgelegen Karbala is heilig. Daar ligt imam Hoessein begraven, de zoon van imam Ali. Hij vocht met een leger van tachtig tegen een Umma yaden-leger van tachtigduizend. Sinds de val van Saddam Hoessein komen dagelijks bussen vol pelgrims aan, versierd met voornamelijk groene, maar ook rode en gele vlaggen. Tussen Karbala en Najaf lopen groepen pelgrims, pendelend tussen de graven van imam Ali en imam Hoessein. Een soort Santiago de Compostela maar dan voor sjiïeten, een pelgrimstocht langs de snelweg in 45 graden Celsius.

De vrouwen lopen hier in abaya, een zwart, vormloos, alles-bedekkend gewaad. Zelfs slippers zijn uit den boze, tenzij men zwarte panty’s draagt. Ik voel me plotseling erg bloot met mijn blauwe sjaal die mijn hoofd, schouders en armen bedekt, maar niet mijn gekleurde kleren verhult. Ik ben duidelijk een buitenstaander. ’s Avonds neemt Denis, de coördinator voor het IRC-programma in het zuiden, ons mee voor een ritje door de oude stad. Ik ben bang. Onze witte auto’s met grote antennes vallen op. In deze religieuze stad zijn we de eerste internationale organisatie. We worden met veel achterdocht bekeken. Christenen, Europeanen, onderdeel van de coalitie — wat willen ze?

11 juli

Toen we hier begonnen, hadden we vrij veel problemen. Briefjes waarop stond dat de buitenlanders Najaf moesten verlaten, gerichte schoten op ons huis. Nu is het gelukkig rustig. De enige die problemen veroorzaakt is de buurman. Hij verdenkt ons van het drinken van alcohol omdat hij ons gisteravond op het dak zag met blikjes lokale Kufa-cola. Een van mijn mannelijke collega’s leunde over de balustrade. Volgens de buurman was hij dronken en bespiedde hij zijn vrouwen, die ongesluierd in de tuin rondlopen. De relatie blijft gespannen. Mannen hier zijn voortdurend bang dat iemand naar hun vrouw kijkt. Ook volgens mijn Iraakse collega’s moeten vrouwen bedekt door het leven gaan, omdat ze anders continu de behoefte zouden voelen mannen te verleiden met hun lichaam, met hun haar en hun lach. En mannen, tja, die kunnen zich niet inhouden als een vrouw hen verleidt.

«Dus ligt de fout bij de man.» Dat heb ik helemaal verkeerd begrepen. Ahmed, onze logistiek medewerker, legt uit waarom hij wil trouwen met een vrouw die nog nooit een man heeft gesproken: «Als je kunt kiezen tussen twee repen chocola, eentje die al aangebroken is en eentje die nog dicht is, welke zou je dan kiezen?» Ik antwoord dat dat afhangt van hoeveel trek ik heb. «Nee», zegt Ahmed, «je wilt altijd de onaangeraakte, dat willen mannen tenminste.»

Ik gooi er ook maar een vergelijking tegenaan: «Als je speelt in een goed voetbalteam, zou je dan liever een wedstrijd spelen tegen een team dat nog nooit heeft geoefend of tegen een getraind team?» Dat vindt Ahmed geen goede vergelijking, want alles kan een vrouw van haar man leren, en het gaat toch vooral om eer en reinheid.

14 juli

Ik werk hier nu een week. Ons kantoor is een klein huis, redelijk smerig en erg warm. Het grootste deel van de dag is er geen elektriciteit, en dus geen luchtkoeling. En dat in 45 graden.

Op kantoor leer ik Zaynab kennen. Ze is 32 jaar. Toen ze twaalf jaar was, trouwde ze met haar neef, die vijftien jaar ouder is. Zaynab brengt koffie rond en maakt schoon op kantoor. Ze is de enige vrouw die bij ons werkt. Haar man, Abu Amar, is een van onze bewakers. Hij ziet er veel ouder uit; dik en groezelig, alsof hij achtenveertig uur achter elkaar in het café heeft gedronken.

Zaynab en ik praten veel. Over haar leven. Ik vraag haar hoe ze in godsnaam wist wat er van haar werd verwacht toen ze op haar twaalfde trouwde. Niets wist ze, lacht ze, maar ze leerde snel genoeg. Was wel erg pijnlijk, vertelt ze openhartig, want ze was nog zo jong en er niet klaar voor. Het duurde drie jaar voor ze haar eerste kind kreeg. Twaalf jaar, toen zat ik in de brugklas. Seks met een vijftien jaar oudere man, je eigen neef, dat kan ik me niet indenken. Leuk vond ze het niet, maar zo was het nu eenmaal, lacht ze. Ze heeft nu vijf kinderen, die ze vaak meeneemt naar kantoor.

Om vrouwen aan de praat te krijgen, zeggen we steeds: «Iedereen vraagt altijd alleen maar mannen naar hun problemen, maar wij zijn gekomen om naar de stemmen van vrouwen en kinderen te luisteren.» Het werkt. Wat een verhalen. Vrouwen in deze ultrareligieuze streek leven op dit moment volledig achter gesloten deuren, alleen hun mannen, vader en broers mogen hen ongesluierd zien. De mannen van hun zusters niet.

Met de blijvende onveiligheid, de grote hoeveelheid moorden (roofmoorden, afrekenmoorden, wraakmoorden) gaan vrouwen de deur helemaal niet meer uit. Voor de oorlog konden de meeste vrouwen tenminste nog alleen naar het gezondheidscentrum, en naar de markt. De kinderen konden toen nog naar school. Veel vrouwen stoppen met werken, zien hun familieleden niet meer. Hun sociale netwerk is dood. Ze zitten de hele dag te zweten tot de elektriciteit het weer eens twee uur doet.

Spanningen binnen gezinnen zijn enorm gestegen. Van de honderd vrouwen die ik spreek, klagen er tachtig over een toename van huiselijk geweld sinds de oorlog. De afgelopen vijf jaar, sinds 1998, toen de economische situatie zijn dieptepunt bereikte, nam het huiselijk geweld tegen vrouwen en kinderen al toe, maar nu is het geëxplodeerd. De vrouwen zeggen dat als de economische situatie verbetert, hun mannen hen beter zullen behandelen. Als er eten op tafel zou staan wanneer hun mannen terugkwamen van hun werk, of van het daarnaar zoeken, hielden ze zich tenminste rustig.

Elektriciteit zou ook helpen, de hitte werkt iedereen op de zenuwen. Drie maanden na de «bevrijding» hapert de stroomvoorziening nog steeds. Het is moeilijk te beseffen wat dat betekent voor de Irakezen, die hoopten dat het leven beter zou worden zonder dictator.

Stel je Amsterdam voor in deze bloedhete zomer, vrijwel zonder elektriciteit. Maanden achtereen. Fabrieken kunnen niet draaien, winkels blijven gesloten, waterpompen voor de landbouw werken niet. Mensen hebben geen inkomen, oogsten mislukken, er heerst grote onveiligheid. In Nederland zou dat al een ramp zijn, en dan zit Irak ook nog vol met wapens. Vanwege de hitte slaapt men hier op het dak. Door de veelvuldige schietincidenten, in alle steden, zijn al heel wat mensen het slachtoffer geworden van verdwaalde kogels, terwijl ze rustig lagen te slapen. En dan zijn de Amerikanen verbaasd over de snel groeiende ontevredenheid met de «bevrijders».

Ali, de jongste zoon van Zaynab, is acht jaar. We zijn vrienden geworden, hij komt vaak bij me zitten. Ik heb hem papier en potloden gegeven om te tekenen, wat hij niet eerder deed want Ali gaat niet naar school. Ali speelt met mijn computer en Zaynab vraagt me te zorgen dat Ali leert met computers om te gaan, zodat hij later een goede baan kan krijgen, en een beter leven dan Zaynab en Abu Amar.

Ik loop voortdurend te klooien met de sluier. Niet strak genoeg, soms te strak, en dan is opeens een stukje van mijn nek zichtbaar. Zaynab leert me hoe ik hem moet vastknopen, we lachen om mijn onhandigheid. De volgende ochtend komt ze met haar oude sluier aanzetten, een abaya, versierd met witte randen; een frivole Basra-versie. Het is een cadeautje voor mij, zodat ik me makkelijker kan begeven onder de bevolking van Najaf. Ze kleedt me aan van top tot teen en iedereen roept: «Wat ben je mooi, dat staat je goed.» En ik denk: niets van mij is zichtbaar, hoe kun je dat nou mooi vinden?

We spreken af om dit weekend samen naar de markt te gaan om een echte Najafaanse abaya te kopen. Die verandert zelfs de meest ranke vrouwen in een soort verpakte sumofiguur. De mouwen zijn wijd aan het lichaam en lopen smal toe. Aan de onderkant hetzelfde, je wordt een voetbal. We maken allerlei afspraken. Ik zal haar mijn foto’s laten zien van thuis, we zullen een foto maken van ons samen in abaya’s. Ik leen haar drie Arabische sprookjesboeken, en ben bang dat de boekjes «haram» zijn, onrein, omdat er afbeeldingen in staan van elegante, goedgevulde prinsessen.

Zaynab lacht en laat Ali de plaatjes zien. Ze komt afscheid nemen voor het weekend. «Kunera, je moet in Najaf blijven wonen, met je man. We willen niet dat je gaat, je moet onze kinderen leren computeren en Engels spreken. Ik zal je missen.»

18 juli

Ik ga naar kantoor en zie Abu Amar. We praten wat over de moeilijke financiële situatie van zijn gezin, hoewel ze nu twee verdieners zijn. Ik moet weg om te verga deren.

Na twee uur kom ik terug. Abu Amar is verdwenen. Dan hoor ik het nieuws. Zaynab is dood. Dood? Hoe kan dat nou, ik ga morgen bij haar lunchen, met haar naar de markt. Ze is 32 jaar. Dood? Hoe, in godsnaam? De andere bewaker, Haydar, vertelt me dat ze is vermoord door haar twee stiefbroers. Ze joegen 27 kogels dwars door haar lichaam, in haar eigen huis, op klaarlichte dag. Haar drie dochters waren erbij. Haar stiefbroers klopten aan, trapten de deur in. Zaynab verschool zich met haar kinderen, maar ze werd gevonden en doorzeefd.

Het is onwerkelijk. Hoe kunnen die schoften dat doen? En waarom? Volgens Haydar was Zaynab boos geworden op haar stiefbroers omdat zij niet op haar zoons feestje kwamen, maar wel naar een feestje van de buren gingen. Ze had haar broers aangevallen in het bijzijn van anderen, en hen daarmee enorm beledigd.

In tranen zit ik achter mijn bureau. Arme kleine Ali, en haar dochters, die alles hebben gezien. Ik ben bang dat het iets met ons te maken heeft. Dat het gebeurde omdat ze werkt met buitenlanders, of alleen al om het feit dát ze werkt.

Van alles spookt door mijn hoofd. Zijn wij schuldig, lopen wij gevaar? Hoe gaat het nu met Zaynabs kinderen? Wat is er met de daders gebeurd? (wordt vervolgd)