Het dogma van het kabinet-Rutte

Zuiniger dan Colijn

Het kabinet knijpt de economie af met het bezuinigingsbeleid. Méér krimp en méér werkloosheid zijn het gevolg. ‘Economisch primitivisme’, menen drie topeconomen. Zelfs in de Grote Depressie van de jaren dertig investeerde de overheid meer dan nu.

Medium zuinig

Op een zonnige najaarsdag in november fietste Jaap van Duijn van Maassluis naar Wassenaar om zijn vriend en collega-econoom Johan Witteveen, 91 inmiddels, te bezoeken. Het gesprek kwam al gauw op het beleid van het kabinet-Rutte II. Met oud-imf-voorzitter en vvd–­minister van Financiën Witteveen deelde Van Duijn, gepensioneerd topman van vermogensbeheerder Robeco, onbegrip en ongeloof over een overheid die leidend is in het creëren van werkloosheid en krimp van de economie.

‘Met zijn huis-tuin-en-keuken-beleid sluit het kabinet de ogen voor alle inzichten in de werking van een macro-economie’, luidde in Van Duijns woorden de conclusie van een middagje bomen met zijn oude vriend. ‘Dit is gewoon economisch primitivisme.’

Van Duijn gebruikt het beeld van een huis-tuin-en-keuken-beleid bewust. Volgens hem beschouwt het kabinet de overheid ten onrechte als een huisgezin, met inbegrip van de mores dat het huishoudboekje op orde moet zijn, een euro maar één keer kan worden uitgegeven en de volgende generaties niet met onze schulden mogen worden opgezadeld. ‘Dat spreekt de mensen aan, maar het is volkomen onjuist’, luidt ook het oordeel van Witteveen. ‘Het kabinet denkt niet helder na. Het miskent dat de overheid een eigen rol in de economie heeft, onvergelijkbaar met die van een gezin.’

120 kilometer verderop, in Bennekom, komt oud-cda-politicus Bert de Vries tot dezelfde conclusie: ‘Het is een misvatting dat wat goed is voor een gewoon huisgezin ook goed is voor de overheid. Door haar dominante positie in de economie heeft de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid om een krimp van de economie tegen te gaan, door de bestedingen op peil te houden. De schuld die de overheid daarvoor op zich moet nemen is iets heel anders dan een privé-schuld. Voor mensen is het verstandig om aan het einde van hun leven hun schulden te hebben afgelost. De staat heeft daarentegen het eeuwige leven.’

Sinds de dagen van Adam Smith (1723-’91), een van de grondleggers van het kapitalisme, luidt de overheersende opvatting onder economen dat de overheid de rol van corrigerende factor toekomt. Voorzover mogelijk herstelt zij de onevenwichtigheden die andere economische actoren, zoals bedrijven en gezinnen, veroorzaken. Naar het oordeel van Van Duijn, Witteveen en De Vries zou de overheid in de crisis van nu tegenwicht moeten bieden aan de krimp van de economie, het gevolg van de dalende koopkracht van gezinnen en het lage investeringsniveau van bedrijven. In plaats daarvan veroorzaakt de overheid juist méér krimp en méér werkloosheid, door haar eigen bestedingen terug te schroeven.

De overheid investeert nu verhoudingsgewijs minder dan ten tijde van de Grote Depressie, in de jaren dertig. In een beeld gevat is Rutte daarmee zuiniger dan Colijn.

Met dit krimpbeleid vermindert ook het uitzicht op een draai ten goede. De Nederlandse economie bevindt zich sinds het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 voor de derde keer op rij in een recessie. Vorig jaar zakte ze met 0,9 procent in, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek deze dagen. Ten opzichte van een jaar eerder lag de consumptie van huishoudens in het vierde kwartaal van 2012 2,3 procent lager. De investeringen kwamen 5,2 procent lager uit. Ook waren er 93.000 banen minder.

Van Duijn: ‘Waarom accepteren de mensen dit beleid? Omdat de 98 procent die geen econoom is die niet-economisch beargumenteerde notie deelt dat de overheid als een huisgezin is. Als ik tegen jou zeg dat je niet meer moet uitgeven dan je hebt, zul jij ook roepen: “Dat is toch ook zo!” Nee, dat is niet zo, althans niet altijd, macro-economisch gezien. In Griekenland is het thans wel waar, in Nederland met zijn enorme onderbesteding niet. De les van de jaren dertig is dat de overheid publieke werken moet initiëren om compensatie te bieden voor inzakkende bestedingen. Oók het Nederlandse kabinet van die tijd nam die les ter harte, anders dan de overlevering over Colijns harde-guldenbeleid doet vermoeden. De overheid bleef investeren. We legden de Noordoostpolder droog, we plantten het Amsterdamse Bos, we bouwden de Afsluitdijk en voetbalstadions als De Kuip, De Goffert en De Vliert. Nu lijkt de laatste wijsheid dat de overheid altijd, onder alle omstandigheden moet bezuinigen. Het gevolg is dat het beleid de crisis verergert.’

Volgens Van Duijn, Witteveen en De Vries is de basis van dat beleid niets anders dan een geloofsartikel dat de overheid ooit opnieuw voor haar zuinigheid zal worden beloond. In de jaren tachtig en negentig getuigde de regel dat de overheid met bezuinigingen de economie helpt van inzicht in de economische problemen van die tijd. Nu dreigt hij te verworden tot een dogma, met verlammende effecten op de economie.

Witteveen: ‘Mijn leermeester Jan Tinbergen, bij wie ik in 1947 ben gepromoveerd, was vóór een vrije economie, op voorwaarde dat de overheid het klimaat schept voor een evenwichtig functioneren. De overheid moet met behulp van conjunctuurbeleid en mededingingspolitiek corrigeren wat niet goed werkt. En het laatste, het allerlaatste wat zij moet doen wanneer het financieringstekort door een recessie oploopt, is daar bovenop gaan bezuinigen, want dan maakt ze het alleen maar erger. Laat dat tekort maar even oplopen. Zodra de conjunctuur zich herstelt dankzij overheidsingrijpen zakt het weer terug.’

Van Duijn: ‘Het lijkt wel alsof alles wat wij destijds op de economenschool hebben geleerd van nul en generlei waarde is. Terzijde geschoven, vergeten. Wat wij leerden is dat de overheid in dienst staat van de maatschappij, van de particuliere sector. Het was gewoon onomstreden, gevestigde economische kennis dat bij massale onderbesteding in de particuliere sector, zoals nu, de overheid dat gat moet opvullen om erger te voorkomen. Gedurende de hele negentiende eeuw was de staatsschuld hoger dan nu. Stel je voor dat ze in 1870, 1880 zouden hebben besloten niet nog meer lasten naar de volgende generaties te schuiven. Dan zouden we nu geen spoorwegen hebben gehad. Of denk je eens in dat president Roosevelt in 1944 aan de tucht van de drieprocentsregel onderworpen zou zijn geweest. Vergeet D-Day dan maar. Veel te duur.’

De onderbesteding komt volgens Van Duijn voort uit een uitzonderlijke combinatie van factoren: ‘Je hoort vaak dat de consumenten de hand op de knip houden, tot ze weer vertrouwen krijgen. Dan komt het wel weer goed met hun bestedingen. Niets is minder waar. De consumenten geven alles wat ze hebben al uit, zelfs meer dan dat. Al sinds 2003 besteden consumenten meer dan honderd procent van hun beschikbaar inkomen. Veel particuliere welvaart is kunstmatig, gekocht met erfenissen of met geleend geld. Zo bouwt zich bij de gezinnen een schuldenberg van formaat op. De spaarders in de Nederlandse economie zijn de bedrijven. Dat is uitzonderlijk. De bedrijven sparen jaarlijks twaalf procent van het nationaal inkomen, zonder dat ze dat geld investeren. Hun investeringen bedragen niet meer dan één procent van het nationaal inkomen. Het beeld van de Nederlandse economie wordt bepaald door gezinnen die zijn bedolven onder de schulden, door bedrijven die niet meer investeren, door een overheid die deze tendensen versterkt. Wij hebben voor het eerst krimp als oplossings­model voor een economische crisis gekozen! Alle grote partijen ondersteunen deze lijn. Ze zeggen allemaal: groei, groei, groei. Het echte beleid is: krimp, krimp, krimp.’

De onderbesteding is volgens de drie economen de grootste onevenwichtigheid in de Nederlandse economie, veeleer dan het overheidstekort of de staatsschuld. Dat probleem wordt zichtbaar in het gestaag groeiende overschot op de handelsbalans. Dat kengetal laat zien dat Nederlandse bedrijven voor hun afzet steeds meer op het buitenland zijn aangewezen, als gevolg van de wegzakkende binnenlandse vraag. De keerzijde van deze medaille is dat bedrijven in andere EU-landen relatief worden benadeeld, bij gebrek aan afzetmogelijkheden in Nederland. Vandaar dat de Europese Unie grenzen stelt aan het handelsoverschot van de lidstaten. Het overschot op de lopende rekening van de Nederlandse betalingsbalans bedraagt 11,5 procent, bijna het dubbele van de zes procent die de EU nog als acceptabel beschouwt. Nederland leeft dus ver beneden zijn economische stand, ten koste van andere lidstaten.

De onderbesteding is mede het gevolg van het historisch lage niveau van de overheidsinvesteringen. In dat licht is het veelbetekenend dat de EU-regels over het gewenste handelsevenwicht in Europa geen enkele rol spelen in het Nederlandse politieke debat, in tegenstelling tot de Europese drieprocentsregel over het overheidstekort. Dat is een aanwijzing te meer dat de regel dat bezuinigen moet een dogma is geworden, een geloofsartikel dat de zware Nederlandse overtreding van de Europese handelsregels aan het zicht onttrekt.

Van Duijn: ‘Wij leerden op school nog de doctrine waaraan Jelle Zijlstra, een van onze naoorlogse topeconomen, later zijn naam leende. Die luidde dat de overheid een tekort mag hebben dat de onderbesteding van de particuliere sector opheft. Het teveel dat de overheid dan uitgeeft compenseert het bestedingstekort van de ander. Nationaal heb je dan een mooi evenwicht en dat komt tot uitdrukking op de betalings­balans. Nu ja, dat is ongeveer het laatste wat we nu doen. Zijlstra zou zich in zijn graf omdraaien. Ik hoorde de minister van Economische Zaken, Henk Kamp, onlangs verzuchten: “We geven nog ieder jaar meer uit dan er binnenkomt. Dat kan niet zo voortduren.” Dat is een mantra geworden, een onzinnige mantra. Die situatie kan wél voortduren, sterker nog, zo’n situatie is nu juist geboden. Dat wat Kamp onhoudbaar noemt is geen probleem. De overheid kan het geld gewoon lenen, tegen de laagste rente ooit. Werkelijk waar, sinds het begin van onze jaartelling zul je geen jaar vinden waarin de rente zo laag was als in 2012. Er zijn nu zo’n tien landen in de wereld, waaronder Nederland, die voor een lening met een looptijd van tien jaar minder dan twee procent betalen. Je kunt teruggaan naar het jaar 1000, naar 100, naar de tijd van de Soemeriërs, je zult geen jaar vinden waarin geld lenen voor een overheid zo goedkoop was als nu.’

Van Duijn spreekt tegen dat hij het de overheid zo wel erg gemakkelijk maakt. ‘Ik zeg niet dat de overheid moet lenen voor consumptieve uitgaven, zoals uitkeringen. Díe uitgaven moeten daadwerkelijk met inkomsten zijn gedekt. Maar zij mag wél lenen om te investeren. Dat doen gezinnen om een huis te kopen, dat doen bedrijven om een fabriekshal neer te zetten, dus waarom zou de overheid dat niet doen? Het opvallende is dat de politiek dat verschil tussen investeren en consumeren niet meer maakt. Het is voor haar één pot nat, of de overheid nu leent om te investeren in een Deltaprogramma dat Nederland klimaatbestendig maakt of om de kinderbijslag te betalen. Dat is in de beeldvorming allemaal geld waarvan Kamp zegt dat we meer uitgeven dan er binnenkomt. Dat is dus economisch primitivisme.’

Witteveen: ‘Ook tussen het conjuncturele deel van het overheidstekort en het structurele wordt geen onderscheid meer gemaakt, ten onrechte. Met het laatste zitten we na de bezuinigingen van het vorige kabinet aardig op de voorgeschreven drie procent, naar mijn inzicht, waarmee extra bezuinigingen overbodig zijn. Het deel van het tekort dat het gevolg is van de conjuncturele inzinking kunnen we beter laten gaan. Met de voorgenomen extra bezuinigingen versterkt Rutte II die inzinking alleen maar, met als gevolg meer krimp en meer werkloosheid. Zorgwekkend. Ik heb in de jaren dertig in Rotterdam de gevolgen van de crisis gezien. De bedrukte sfeer in de stad. De werklozen in lange rijen, om te stempelen voor een uitkering. Het was armoede troef. Werkloosheid is een verschrikkelijk lot, niet alleen door het inkomensverlies maar ook door de schaamte.’

De tegenwerping van econoom Sweder van Wijnbergen dat elke overheidsimpuls aan de economie zeker voor de helft aan buitenlandse bedrijven ten goede zal komen, als gevolg van de open economie van Nederland, overtuigt Witteveen niet: ‘Nog altijd vijftig procent blijft wél in Nederland en dat is niet niks. Daarbij komt dat zwakke Europese landen profiteren van dat weglekken, als hun export naar Nederland erdoor wordt bevorderd. Het is toch ook in het belang van de Europese samenwerking dat de handel meer in evenwicht komt. De betalingsbalansen, de Nederlandse voorop, zijn nu totaal onevenwichtig. In de discussie over het financiële beleid hoor je geen politicus over het feit dat Nederland de Brusselse voorschriften hierover aan zijn laars lapt. Het is net of die regel niet bestaat. Ik vind dat kwalijk.’

Naar Witteveen vermoedt, verwachten de beleidsmakers dat het draagvlak voor extra bezuinigingen wordt ondermijnd als blijkt dat Nederland zich naar Brusselse maatstaven al aan een ernstige mate van onderbesteding bezondigt. ‘Ik kan het niet anders verklaren. Het beroep op Brusselse eisen om dit bezuinigingsbeleid te voeren vertelt maar de halve waarheid. Als minister Dijsselbloem nu in Brussel op de EU-regels over maximum handelsoverschotten wijst, aanvoert dat daarmee óók een Europees belang is gemoeid en daarom aankondigt dat ons land pas op de plaats maakt met bezuinigingen, dan zullen ze daar wel zeggen dat-ie gelijk heeft. Het is zo’n sterk argument, zeker nu het structurele tekort van Nederland zich netjes op de drieprocentsgrens bevindt.’

Witteveen schetst een alternatief beleid: ‘Hoe kan het kabinet de conjunctuur op een maatschappelijk nuttige wijze een stimulans geven? Ik ben voor een drastische maatregel. We zouden er verstandig aan doen een flinke belasting op de uitstoot van co2 te heffen. Nu voldoen we bij lange na niet aan de verplichtingen die we internationaal zijn aangegaan om de uitstoot terug te brengen. Er komen zelfs drie kolencentrales bij. De betrokken bedrijven zijn grote ondernemingen die zo’n belasting gemakkelijk kunnen betalen. Gebruik de opbrengst vervolgens voor investeringen die belangrijk zijn voor de lange termijn, zoals het nieuwe Deltaplan om ons tegen de stijgende zee te beschermen. De overheid kan bovendien profiteren van die historisch lage rente. Dat is toch een ongelooflijke kans! We moeten de bijzondere economische toestand van nu ook leren zien als een gelegenheid, niet alleen als een probleem.’

Uit de economische data blijkt dat niet zozeer de hoogte van de staatsschuld een indicator van toekomstige problemen is, als wel een tekort op de handelsbalans. De probleemlanden in het eurogebied, de zuidelijke lidstaten voorop, hadden bij het uitbreken van de crisis allemaal zo’n tekort, hetgeen op een ongunstige concurrentiepositie wees. Het beeld is veel diffuser als de hoogte van de staatsschuld als maatstaf wordt gehanteerd. Dat bevestigt Bert de Vries in zijn stelling dat de staatsschuld het probleem niet is. In een opiniestuk in NRC Handelsblad berekende de oud-cda-politicus dat het kabinet met zijn extra bezuinigingen het welvaartsniveau in 2017 met zes miljard verlaagt en 85.000 mensen werkloos maakt, om wille van een daling van de rentelasten met een minieme 0,05 procent.

De Vries: ‘Ik trek al langer dan vandaag ten strijde tegen het dramatiseren van de staatsschuld. Dankzij de lage rente van nu bedragen de rentelasten nog geen twee procent van het nationaal inkomen, bij een staatsschuld van bijna tachtig procent. In mijn tijd als minister in Lubbers III, begin jaren negentig, was dat nog vijf procent. De last die drukt op de economie is nu veel lager dan destijds. Er wordt altijd vreselijk dramatisch gedaan over de torenhoge lasten die we op de schouders van ons nageslacht zouden leggen. We vergeten dan dat we naast de schulden ook de vorderingen aan hen doorgeven. Ons nageslacht bezit de staatsobligaties die straks moeten worden afgelost.’

De politiek moet volgens De Vries afwegen wat zwaarder telt, het nadeel van de extra belasting die te zijner tijd moet worden geheven om de schuld af te lossen of het probleem van de onderbesteding die de overheid nu veroorzaakt. ‘Gezien de crisistoestand van de economie lijkt de keuze me duidelijk. De schade die de overheid aanricht met het omlaag drukken van het bestedingsniveau brengt de economie in een neerwaartse spiraal. Een teken aan de wand is dat het Centraal Planbureau zijn ramingen voortdurend naar beneden moet bijstellen. Dat is het gevolg van een systematische onderschatting van de effecten van het bezuinigings­beleid. We laten een flink deel van het productie­apparaat braak liggen, met als enige beloning dat een toekomstige schuldvereffening iets minder kost. De prijs die we betalen is dat mensen werkloos aan de kant komen te staan.’

Met dit beeld voor ogen is wat het kabinet nu doet wijs noch rechtvaardig, oordeelt hij. ‘Na de Tweede Wereldoorlog, in de opbouw­jaren van de verzorgingsstaat, stond het streven naar volledige werkgelegenheid op nummer 1. Dat is voor de ontwikkeling van een ­harmonische samenleving veel belangrijker dan de hoogte van de lastendruk. Een samenleving die de nieuwe generaties niet het perspectief biedt op nuttige en betaalde arbeid komt bol te staan van de spanningen. Na de oorlog stond het ­economische beleid ten dienste van het doel dát te ­voorkomen. Nu lijkt het erop dat het kabinet zegt: als ons beleid niet goed is voor de ­werk­gelegenheid is dat jammer voor de werk­lozen.’

De Vries constateert dat het liberale doel van een zo klein mogelijke overheid en een zo klein mogelijke verzorgingsstaat richting geeft aan het beleid. Eerder, in Rutte I, leverde het cda zich aan dat regime uit, nu de pvda, hoewel beide partijen het volgens De Vries aan hun traditie verplicht zijn de sociale markteconomie te verdedigen. ‘Ze bieden onvoldoende weerwerk aan de liberale preoccupatie met het idee dat de staat het probleem is, geen deel van de oplossing. Hoewel dat van oudsher niet de visie is van de pvda en het cda identificeren ook zij zich steeds meer met die Angelsaksisch getinte ideologie. Wat vertelt die ideologie? Dat de sterken in onze samenleving alle ruimte moeten krijgen, dan komt het uiteindelijk misschien ook wel goed met de minder sterken. Een zo klein mogelijke overheid en een zo klein mogelijke verzorgingsstaat moeten in die ruimte voorzien. Tot mijn spijt gaan cda en pvda daarin een eind mee. Hoe je het ook wendt of keert, daarmee omarmen ze ook het achterliggende ideologische mensbeeld. Je mag in deze samenleving geen loser zijn, je moet sterk zijn en je eigen verantwoordelijkheid nemen. Op zich heb ik niets tegen een beroep op de eigen verantwoordelijkheid, integendeel, maar wel als het ontspoort in de gedachte dat losers het eigenlijk aan zichzelf hebben te wijten.’

Johan Witteveen zegt dat zijn partijgenoot Mark Rutte goed aanvoelt wat vvd-kiezers graag horen: ‘Dat de overheid te groot is, dat het tekort te hoog is. Het spreekt vvd-kiezers wel aan, dat verhaal over een overheid die te veel uitgeeft, maar daarmee is het nog niet juist. Ik word nog geregeld uitgenodigd voor informele bijeenkomsten van de vvd en daarop heb ik dit ook gezegd. Daar wordt niet erg naar geluisterd. Rutte ging er eigenlijk niet op in. Hij beperkte zijn antwoord tot de mededeling dat wat ik voorstel niet kan. Aanvankelijk had ik op die bijeenkomsten nog wel een gewillig oor van de toehoorders. Later minder. De voorzitter zag liever niet dat ik ging spreken en gaf mij pas op het allerlaatst het woord. De vvd moet eenheid uitstralen, dat was het devies, óók op informele bijeenkomsten. Ik heb ook die keer geen antwoord gekregen.’

Witteveen constateert dat Rutte niet is geïnteresseerd in afwijkende opvattingen, ook niet als ze afkomstig zijn van een geestverwant die topman van het imf en minister van Financiën is geweest. ‘Men heeft mij niet gevraagd om er nog eens rustig over te komen praten of mijn zienswijze toe te lichten, aan Rutte of een van zijn medewerkers. Ik heb geen woord van ze vernomen. Dat bevestigt wel mijn indruk dat het beleid eerder op een geloofsartikel dan op economische empirie is gebaseerd.’

Het feit dat het merendeel van de euro­landen kampt met economische krimp en stijgende werkloosheid bevestigt Van Duijn, Witteveen en De Vries in hun kritische oordeel over het Europese financiële en monetaire beleid. Het dilemma is dat de eurolanden in naam van de Europese samenwerking gehouden zijn aan de eis dat hun begrotingstekort de drie procent niet mag overschrijden. Die samenwerking, van historisch belang voor de vrede en de welvaart van Europa, staat of valt met de bereidheid van de lidstaten om zich aan onderlinge verplichtingen als deze te houden. Aan de andere kant blijkt het uniforme bezuinigingsdictaat dat de drieprocentsnorm aan alle eurolanden oplegt mede debet aan de economische krimp, met alle sociale spanningen die zo’n malaise oproept. In dat licht bezien zou het van Europa-gezindheid getuigen als een invloedrijke lidstaat, zoals Nederland, de norm ter discussie zou stellen.

De Vries: ‘Die norm is een eigen politiek leven gaan leiden, als een soort keurmerk van Europese gezindheid. Niet ten onrechte hebben de noordelijke lidstaten erop gehamerd dat landen als Griekenland, Italië en Portugal een bezuinigingsbeleid naar Brusselse normen moeten voeren. Kennelijk voelen ze zich van de weeromstuit verplicht het goede voorbeeld te geven. Mensen als Jan Kees de Jager en nu Jeroen Dijsselbloem hebben daarvan hun handelsmerk gemaakt. Dan kun je bijna niet meer terug, hoewel het gezonde verstand een andere richting uit wijst.’

Witteveen: ‘De noordelijke eurolanden zouden er wijzer aan doen meer te investeren en de lonen wat te laten vieren, om zo de export van Zuid-Europa een steun in de rug te geven. Dat is wijzer dan dit beleid van afknijpen, want dat gaat ten koste van zuidelijke én van de noordelijke landen.’

Van Duijn: ‘Je hebt gelijk, politiek is het van belang dat EU-landen zich aan de onderlinge afspraken houden. Dat is de basis van de Europese samenwerking. Maar dat begint met de afspraak die ze maken en die afspraak is in het geval van deze uniforme tekortnorm onzinnig. Zijlstra heeft ons geleerd dat de gewenste hoogte van het overheidstekort, dan wel -overschot, afhangt van de binnenlandse structuur van de economie. Dus voor Griekenland is wellicht een overschot van drie, vier procent of nog meer wenselijk, bij wijze van voorbeeld, en voor Nederland juist een tekort van drie, vier. Griekenland kampt nu eenmaal met overbesteding in de particuliere sector en Nederland met onderbesteding. Met dat uniforme voorschrift miskent de EU de fundamentele verschillen in de structuren van die economieën. De afspraak is fout, economisch dom, omdat Europa daarmee al die economische modellen op één hoop gooit, het Zuid-Europese model, het Rijnlandse, het Angelsaksische, het Scandinavische. En tja, als Europa een domme eis stelt en verlangt dat alle landen zich aan die domme eis houden, dan zijn domme uitkomsten het resultaat.’

Van Duijn stelt zich hardop de vraag of het EU-beleid toch de oplossing zal brengen. ‘Nu ja, als we lang genoeg wachten waarschijnlijk wel. We kunnen tegen die zuidelijke landen zeggen dat ze zo lang moeten krimpen tot ze weer concurrerend zijn. Zien wat er dan nog van ze over is. Niet veel meer, waarschijnlijk.’


Jaap van Duijn (1943) was lid van de raad van bestuur van vermogensbeheerder Robeco en hoogleraar algemene economie aan de TU Delft.

Johan Witteveen (1921) was minister van Financiën voor de VVD in de kabinetten-Marijnen (1963-1965) en -De Jong (1967-1971). Daarna leidde hij in 1978 het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

Bert de Vries (1938) was minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kabinet-Lubbers III (1989-1994). Daarvoor leidde hij zeven jaar de CDA-fractie in de Tweede Kamer. De Vries zegde in 2010 zijn partijlidmaatschap op, vanwege de coalitiesamenwerking met de PVV.