Romans die onze blik veranderden - Bret Easton Ellis’ Less than Zero

Zuipen, snuiven en neuken

In Less than Zero schetste Bret Easton Ellis in 1985 een schokkend portret van ontspoorde, afgestompte rijkeluiskinderen in Los Angeles. Juist zijn afstandelijke toon maakt het boek fascinerend.

Medium gettyimages 57190166

Het is niet zo makkelijk om in Less than Zero (1985) een moralistisch werk te herkennen, wat auteur Bret Easton Ellis (1964) er ook over mag beweren. In zijn roman Lunar Park (2005), waarin een gefictionaliseerde Ellis terugkijkt op zijn debuut, schrijft hij er dit over: ‘It was an indictment not only of a way of life I was familiar with but also – I thought rather grandly – of the Reagan eighties and, more indirectly, of Western civilization in the present moment.’

O ja? Aan mij ging dat bij eerste en zelfs bij tweede lezing voorbij. Dat heeft niet alleen te maken met de plot, of de stijl, maar ook met het ontbreken van een duidelijk oordeel in het boek. Eerst even het verhaal. Aan het woord in Less than Zero is het ik-personage Clay, een rijke achttienjarige student die de kerstvakantie doorbrengt in Los Angeles, waar hij opgroeide. In een documentairestijl – veel opsommerige zinnen, alles volgens het _show, don’t tell-_principe – registreert hij het leven van zijn even rijke jeugdvrienden en zijn familie. Het is het milieu van filmproducenten, acteurs en actrices, fotomodellen en types daaromheen.

Geld hebben ze in overvloed. Wat ze niet hebben is een gevoelsleven of enig ethisch of moreel besef. Meer dan zuipen, snuiven, blowen en neuken doen ze nauwelijks. Het is een afgestompt bestaan. Alleen afgrijselijke sensaties kunnen hen nog prikkelen. De ene keer is dat een heroïnespuit in de aderen, de andere keer een bloederige snuff movie waarin geslachtsdelen worden gemutileerd. Clay is de enige die af en toe iets van afgrijzen toont. Als zijn vrienden zich vergrijpen aan een twaalfjarig seksslaafje dat gedrogeerd is vastgebonden op een bed, lijkt hij te breken: ‘It’s…’ my voice trails off. ‘It’s what?’ Rip wants to know. ‘It’s… I don’t think it’s right.’

Veel meer heeft Clay niet te zeggen. Net zo weinig woorden is hij kwijt aan andere ontsporingen. Een van zijn beste vrienden, Julian, helpt zichzelf in de vernieling met heroïne en moet de hoer spelen om zijn verslaving te bekostigen. Clay houdt het bij een paar halfbakken pogingen om iets van afkeur uit te spreken. Hij registreert vooral, en aan het eind van het boek keert hij terug naar de universiteit in New Hampsire, zonder tot een duidelijk oordeel te zijn gekomen over de wereld van zijn vrienden en familie.

Ellis heeft zichzelf wel vaker een moralistische auteur genoemd. Ook zijn boek American Psycho, over een seriemoordende yuppie, zou opgevat moeten worden als cultuurkritiek. Maar niet iedereen is overtuigd van Ellis’ nobele intenties. Sommige critici vinden dat zijn werk te veel samenvalt met de milieus die hij zogenaamd op de korrel zou nemen. In 1999 oordeelde Daniel Mendelsohn in The New York Times vernietigend over Ellis’ roman Glamorama – over de oppervlakkige New Yorkse modewereld – als ‘just another artifact of the culture it pretends to criticize: it’s little more than a pose, a soulless, empty thing’.

Hoe kan Ellis dan toch blijven beweren dat hij zo’n strenge moralist is? Naar eigen zeggen is zijn oordeel impliciet. De afstandelijke beschrijving van de apathie en het nihilisme van zijn personages is een methode om de wereld een spiegel voor te houden en te zeggen: dit is de deplorabele staat waarin een bepaald deel van de westerse wereld verkeert. Het is een wijze van cultuurkritiek bedrijven waar veel van Ellis’ generatiegenoten zich van bedienden. Deze Generatie X – geboren in de jaren zestig, volwassen geworden in de jaren tachtig – had niet veel op met het kapitalistische wensdenken van Reagan en de zijnen. Maar in tegenstelling tot voorgaande generaties rebelleerden zij niet door de straat op te gaan, maar door zich terug te trekken uit de wereld en zich over te geven aan apathie.

Die opvatting – je brein op nul zetten als protest tegen de kapitalistische uitwassen van de westerse wereld – zou ook achter de inertie van de jongeren in Less than Zero schuilen. Het kan, maar het blijft evengoed een magere, en een in dit geval niet zo heel geslaagde manier om tot een moreel oordeel te komen over het beschreven milieu. Dat vonden ook andere besprekers. Ellis’ schrijftalent was evident, vonden ze, hij was erin geslaagd een werkelijk schokkend portret van zijn leefwereld te schetsen, maar wat men miste was een perspectief dat boven het verhaal uitstijgt en meer biedt dan alleen een voyeuristisch inkijkje in jong en vermogend Los Angeles. ‘Less than Zero ends up feeling more like a ‘60 Minutes’ documentary on desperate youth than a full-fledged novel’, oordeelde Michiko Kakutani destijds in The New York Times.

Maar misschien is het alleen maar goed geweest dat Ellis niet helemaal slaagde in zijn moraliserende opzet. Als er namelijk een reden is waarom Less than Zero aansloeg en de tand des tijds heeft doorstaan, dan is het wel omdat een expliciet oordeel ontbreekt. Ellis heeft het wel geprobeerd. De eerste versies die hij op de universiteit schreef – onder het mentorschap van auteur Joe McGinniss – waren veel dikker en uitgesprokener. McGinniss raadde hem echter aan zoveel mogelijk te schrappen. Ellis – leerling van minimalisten als Hemingway en Carver – snoeide al het overbodige, totdat alleen nog de onderkoelde registratie van een ontspoord milieu overbleef.

Misschien is het alleen maar goed geweest dat Ellis niet helemaal slaagde in zijn moraliserende opzet

Het is juist die afstandelijke toon die het boek zo fascinerend maakt. Je krijgt een ongefilterde inkijk in de wereld van schandalig bevoorrechte mensen. Op decadente ontaardingen wordt nauwelijks gereflecteerd. Dat maakt dat het meer leest als een viering van dit milieu dan een veroordeling ervan. Het is eerder verleidelijk dan afstotend. Vergelijk het met dat andere culturele icoon uit de jaren tachtig, de film Wall Street. Regisseur Oliver Stone bedoelde de film als kritiek op de hebzucht van de financiële wereld, maar op veel jonge kijkers had de film juist een tegengesteld effect: de moralistische boodschap ging aan hen voorbij, zij raakten er eerder door geïnspireerd; sommigen wilden zo snel mogelijk deel uitmaken van die inhalige bende.

Ook Ellis kreeg het soort navolging waar hij misschien niet helemaal op gerekend had. Hij veranderde niemands denken met het boek. Eerder wist hij het gangbare denken onder een bepaald deel van de westerse jongeren naadloos te vatten. Dat deed hij op zo’n stilistisch geraffineerde wijze dat hij talloze andere auteurs inspireerde om net zulk uitgebeend proza te schrijven over toffe rich kids. ‘It was the beginning of a time when it was almost as if the novel itself didn’t matter anymore’, schrijft Ellis in Lunar Park over de tijd van zijn debuut. ‘Publishing a shiny booklike object was simply an excuse for parties and glamour and goodlooking authors reading finely honed minimalism to students who would listen rapt with slack-jawed admiration, thinking, I could do that, I could be them.’

Ellis werd het boegbeeld van deze generatie schrijvers. In ongeremdheid deden ze niet onder voor hun personages. Als ze niet achter de schrijftafel zaten, hingen ze dronken en doorgesnoven in de hipste nachtclubs. Media bestempelden de bekendste gezichten onder deze auteurs tot de Brat Pack, en ertoe gerekend werden niet alleen Ellis, maar ook Jay McInerney, David Leavitt en Tama Janowitz. Ook minder bekende schrijvers behoorden tot deze kring, zoals Mark Lindquist, Susan Minot, Peter Farrelly – jonge, mooie auteurs die duistere, minimalistische werken schreven die gelijke delen kritiek op en viering van hun tijd waren.

Met enige vertraging vond het werk van Ellis ook weerklank in Europa. Eind jaren tachtig, en zeker in de loop van de jaren negentig leverden Nederlandse (Joost Zwagerman), Spaanse (José Angel Manas), en Franse (Frédéric Beigbeder) auteurs boeken af die ondenkbaar zouden zijn zonder het voorwerk van Ellis. In stijl en thematische complexiteit kon hun werk variëren, maar in hun portrettering van jongeren gebruikten ze nagenoeg dezelfde ingrediënten als Ellis: veel drank, drugs, seks, cynisme en gelatenheid. Ook de Europese jeugd had geen beter antwoord op kapitalisme en consumentisme dan het afvlakken van het gevoelsleven.

Veel van deze boeken en hun auteurs behoren ondertussen tot voorbije literaire geschiedenis. Dat geldt niet voor Less than Zero. Het dertig jaar oude debuut blijft in druk en er duiken nog geregeld epigonen op die zich de nieuwe Ellis wanen. In een artikel uit 2010 in The Guardian (‘The Easton Ellis Generation’) werden enkele recente voorbeelden genoemd, zoals het Britse ex-fotomodel Gavin James Bower, die debuteerde met een roman over drugsuitspattingen in de modewereld. Ook genoemd wordt Tao Lin, de auteur van boeken die in de beschrijving van morele leegte een duidelijke echo zijn van Ellis’ werk. Zelfs in India heeft Ellis navolging gekregen, met het boek The Temple-goers van Aatish Taseer (1980), dat Less than Zero naar de kroon probeert te steken in de portrettering van nihilistische rijkeluiskinderen. Less than Zero is hun Wall Street.

Een generatiegenoot van Ellis, de in 2008 overleden David Foster Wallace, zou van alle Ellis-critici misschien wel de meeste moeite hebben met de nog altijd voortdurende invloed van Less than Zero. In 1988 schreef hij het essay ‘Fictional Futures and the Conspicuously Young’ waarin hij het werk van Ellis en de rest van de Brat Pack stevig aanpakte. Hij verweet ze hun nihilisme. Ze deden alleen cynisch beklag over de staat van de westerse wereld en hadden verder niets te bieden. Wallace zag veel liever literatuur die zich serieus, ambitieus, en moralistisch met de wereld engageerde. De dominatie van de Brat Pack kon wat hem betreft niet gauw genoeg voorbij zijn. Daarna zou de weg vrij kunnen komen voor literatuur met zijn idee van engagement.

Wallace’s wens is deels uitgekomen. Als auteur hebben Ellis en de rest van zijn Brat Pack niet meer de literaire relevantie die ze in de jaren tachtig en negentig hadden. Als we van Ellis horen dan is het vanwege zijn gemopper op Twitter op collega-auteurs (‘Alice Munro is so completely overrated’). Hij beschouwt zichzelf ook als uitgeschreven. Zijn laatste roman – Imperial Bedrooms – dateert uit 2010 en is een wat sleets vervolg op Less than Zero. Het probeert iets te krampachtig een literair werk te zijn. Dat probleem heeft Less than Zero minder. Jongeren met literaire aspiraties lezen dit onthechte en kale portret van mooie rijkeluiskinderen en vinden het nog altijd cool en fascinerend genoeg om te imiteren.


Romans die onze blik veranderden

Zoals we vorige zomer een serie maakten over ‘de boeken die ons denken veranderden’, zo gaan we nu op zoek naar de romans die niet alleen samenvallen met de tijdgeest waarin ze geschreven werden, maar die tijdgeest ook vormgaven. Liet Salman Rushdie’s De duivelsverzen ons anders over de islam denken? In hoeverre is Turks fruit van Jan Wolkers de bril geworden waarmee we naar de vrije jaren zestig van Amsterdam kijken?


Beeld: (1) Bret Easton Ellis, Parijs, 1992. Niet iedereen is overtuigd van zijn nobele intentie (Ulf Andersen / Getty Images)