Zuiver de onweerstaanbare haat

De jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Xandra Schutte en Jacq Vogelaar - koos dit keer Het leven van Malvina Trifkovic van Mirko Kovac (vertaling Reina Dokter, uitg. De Bezige Bij, 95 blz., f29,50) tot Boek van de Maand. De andere drie mededingers waren: Vladimir Nabokov, Lolita (vertaling Rien Verhoef, uitg. De Bezige Bij, 375 blz., f54,90): Nabokovs onvertaalbare speelse meesterwerk in een schitterende vertaling: ‘Lolita, mijn levenslicht, mijn lendevuur. Mijn zonde, mijn ziel. Lo-lie-ta: De tongpunt daalt drie treden het gehemelte af en tikt bij drie tegen de tanden. Lo.Lie.Ta.’: Leonardo Sciasca, De ridder en de dood (vertaling Frans Denissen en Hilde Rits, uitg. Goossens, 102 blz., f27,50): Een moderne sotternie waarin de dood grimassend toekijkt bij een onderzoek naar de schizofrenie van de macht en de hoofdrolspeler al van het toneel heeft gehaald voordat hij zijn speurtocht naar de kunstenaars die hem inspireerden, heeft kunnen voltooien.: Charlotte Mutsaers, Rachels rokje (uitg. Meulenhoff, 311 blz., f39,90): Wie meesmuilt bij het woord ‘kalverliefde’, komt van een kouwe kermis thuis na lezing van Charlotte Mutsaers’ roman: oude liefde roest niet, en wat voor het jonge meisje een blikseminslag was, gloeit dertig jaar later nog in alle hevigheid na. Zie voor een bespreking pagina 20 van deze Groene.

Van de Servische schrijver Mirko Kovac wist ik niets toen ik zijn kleine roman Het leven van Malvina Trifkovic (1971) begon te lezen. Na een paar bladzijden begreep ik dat hier een schrijver aan het woord was van het Middeneuropese wereldformaat van Danilo Kis en Aleksandar Tis ma. Ik ging op zoek naar meer van Kovac en stuitte in het Kis -themanummer van Raster (1993, nr. 62) op Kovac’ warmbloedige en ruimhartige necrologie van zijn vriend Kis , een hommage die tegelijkertijd iets laat doorschemeren van Kovac’ eigen literair-politieke preoccupaties.
Kovac werd geboren in 1938 aan de grens van Herzegovina en Montenegro, woonde in Belgrado maar week vanwege het oorlogsgeweld uit naar Rovinj. Kovac droomde in de laatste klas van het gymnasium van Belgrado al van vluchten, ‘in de literatuur duiken’. Hij haalt in zijn stuk over Kis herinneringen op aan diens vermogen om over de meest uiteenlopende onderwerpen meeslepend te vertellen en onverhoedse verbanden te leggen: 'En het lezen van de schaalverdeling op geodetische meetlatten was hetzelfde als het laten rijmen van dichterlijke symbolen. Hij keek mij toen aan en voegde eraan toe: “Dat geldt net zozeer voor de literatuur. Pas op voor overbodige woorden, roei ze uit als ongedierte!” ’
Het leven van Malvina Trifkovic is nog geen negentig bladzijden lang maar geeft niet alleen een indringende visie op de walging die ex-geliefden voor elkaar kunnen voelen maar ook een vlijmscherp beeld van de redeloze, 'onweerstaanbare haat’ tussen Serviers en Kroaten in de eerste helft van de twintigste eeuw.
In Tuin, as (1965), het eerste deel van Kis ’ autobiografische drieluik waarin een tere vader-zoonband hopeloos verstrengeld raakt met de geschiedenis van de door de nazi’s gepleegde genocide, vertelt het jongetje Andi over zijn liefde voor treinen, die hij deelt met zijn joodse vader Eduard Sam. De vader, fanatiek bezig een ingenieuze treinendienstregeling samen te stellen, droomt zelfs over de namen van de steden aan spoorlijnen, namen die hem en zijn zoontje 'vervulden van een smachtend verlangen’. Verkassen, verhuizen, vluchten. Kovac schrijft in zijn Kis -necrologie dat zijn vriend was bezeten van de mythe van de ballingschap en de dolende mens. Hij verwijst naar een scene in Tuin, as waar het gezin Sam na de derde verhuizing binnen een oorlogsjaar (1942?) in een barak terechtkomt dat vlakbij een doodlopend, met onkruid overwoekerd treinspoor ligt, dat zich aan het einde 'als in een doodskramp’ opricht. Dat spoor doofde het laatste sprankje hoop om te kunnen vluchten. Kis beschrijft een bizarre situatie: ’s morgens vroeg ziet de kleine Andi een treinwagon staan waarin verbijsterd kijkende dames met verwarde haren en hoeden op witte broodjes eten 'gewikkeld in fijne, papieren servetten waarmee ze hun lange, gelakte nagels afveegden, waarna ze het papier in het onkruid langs de rails wierpen, waar een paar zieke, haveloze kippen rondscharrelden…’ Mirko Kovac ziet in deze, met oog voor het symbolische detail geschreven scene een theoretisch model voor de verbeeldingrijke kunst van schrijvers die heel goed zijn in het verstoren van 'de onwrikbare legitimiteit van het alledaagse’. Het treinstel van Danilo Kis is voor Kovac geen waarnemingsfout maar een natuurlijk beeld omdat daarin schijn en werkelijkheid niet meer te onderscheiden zijn. 'Alleen begaafde mensen overkomen wonderen, alleen zij kunnen goochelen met dubbelzinnige feiten.’
En dat is precies wat er in Kovac’ eigen roman Het leven van Malvina Trefkovic gebeurt. De lezer krijgt een vijftiental manuscripten gepresenteerd, genummerd van A tot O als betrof het een reeks objectief gegeven documenten, die van verschillende kanten het leven van de Servische vrouw Malvina Trefkovic belichten. Maar die manuscripten worden niet aan elkaar geschreven. Tussen de fragmenten vallen gaten; bovendien zijn er naast Malvina zelf verschillende personages aan het woord, die stuk voor stuk betrokken zijn bij Malvina’s leven en zo hun eigen gedachten hebben over fatsoen en eer. De slotbeschouwing, gericht aan een 'vriend’ (maar wie in godsnaam?), is van de hand van een monnik, vader Justinianus, die ook niet het achterste van zijn tong laat zien. De roman zelf is een verzameling scherven rond een onvolledig leven en een, daarmee samenhangende, onopgeloste moord.
Niet alleen de inhoud van de roman is dubbelzinnig, ook het taalgebruik. Er staat niet wat er staat. Vaak dient de lezer het tegenovergestelde te lezen van wat een personage beweert. Daardoor wordt Het leven van Malvina Trefkovic een intrigerende verzameling van door egoisme, nationalistische blindheid en vals moralisme ingegeven overwegingen die de hopeloosheid en de redeloosheid van de huidige oorlog op de Balkan weerspiegelen, ook al is de roman van 1971.
Hoe moet ik Kovac’ juweeltje - dit dossier van liefde en haat, dit mozaiek van egoistische levenslust en moordzucht - inhoudelijk samenvatten? De presentatie van de 'dubbelzinnige feiten’ is al zo cruciaal, zo afstandelijk en klinisch dat de walging die de personages koesteren nog voelbaarder wordt en het taalgebruik nog manipulatiever en hypocrieter.
Laat ik het toch maar proberen. Het meisje Malvina zit ten tijde van de Habsburgse monarchie in Boedapest op een kostschool voor Servisch-orthodoxe meisjes. Zij lijkt een voorbeeldige leerlinge en voorbestemd om een ideale huisvrouw te worden, zo wil de directie de vader doen geloven. Maar door een zelfmoord en 'seksuele zonde’ komt er een barst in het idyllische kostschoolverhaal. Malvina gaat ervandoor met een rijke Kroatische koopman, die drie zoons en een dochter, Katarina, heeft. Haar huwelijk mislukt, niet in de laatste plaats door gestook van haar zwager Ivan, en Malvina vlucht met Katarina van Zagreb naar het stadje Trebinje, waar haar schoonzus en geliefde een huisje heeft. Hun liefdesleven wordt verstoord als blijkt dat Katarina zwanger is en ook zij in de ban van Kroatische bloed-en-bodemverhalen komt. Katarina overleeft de bevalling niet. Haar dochtertje heet Malvina en wordt opgevoed door pleegmoeder Malvina Trifkovic, die in haar naamgenootje alle haat en walging projecteert die zij heeft opgespaard. 'En zo raakt opeens de onweerstaanbare haat ook in dit verhaal vervlochten, als een wijnrank…’
De oude Malvina komt tot inkeer en gaat het klooster in, de jonge Malvina wordt op 21 oktober 1948 samen met haar man op gruwelijke wijze vermoord. De daaraan gewijde bladzijden zijn door de medische autopsietaal, door de bewust koele, zeer afstandelijke beschrijvende toon - met veel aandacht voor het gruwelijke detail - ronduit ijzingwekkend. Uit die passages spreekt niet alleen de zinloosheid van lichamelijk geweld maar ook een zinneloos, sadistisch verlangen naar 'zuivering’, het monddood maken van de tegenstander, 'de ander’.
In Het leven van Malvina Trifkovic leggen de samenstellers van de manuscripten voortdurend een verband tussen materieel bezit en geestelijke houding. Geld blijkt een middel om iemand te straffen, een testament wordt aangepast om een misstap af te straffen. Onterven en vervloeken, niemand kan zonder het uitvaardigen van die straffen, maar steevast gaat dat gepaard met de rituele bezwering dat het uiteindelijk om de eer van de familie gaat, om de geestelijke verheffing van het Kroatische volk, enzovoort. In de praktijk komt het neer op platte wraakgevoelens, egoisme, opportunisme, 'onweerstaanbare haat’ en walging. In Het leven van Malvina Trifkovic is het de taal van de propaganda en gevaarlijke retoriek die alles bezoedelt.
Als Ivan, tijdelijk Malvina’s zwager, een fragment uit het bestaan van zijn vader reconstrueert en de toespraak voor nationalistische Kroaten over 'vloeken’ weergeeft, komt de lezer al gauw in het drijfzand van duistere gedachten terecht: 'want zuiver taalgebruik komt voort uit een zuiver hart en een zuivere ziel, een zuivere ziel betekent een geestelijk en moreel gezond volk en een moreel gezond volk betekent een zekere toekomst voor iedere staat’. Een redeneertrant die regelrecht leidt tot een politiek van prikkeldraad. Ivan geeft het meest bizarre staaltje van wat logisch nationalistisch denken vermag. Haat is voor hem 'een geestelijke behoefte’ en 'een werk van goddelijke mildheid’ die alleen via bovennatuurlijke weg toegankelijk wordt. Voor de doorsneegeest is de haat onbegrijpelijk, maar dat maakt hem juist tot krachtig onderdeel van het bloed van het volk. De haat wordt zo een deugd die de eigenliefde versterkt en het lot van de wereld zal veranderen. Dat is de onweerstaanbare haat die Kovac’ personages verteert, de haat die Joegoslavie heeft opgeblazen.
Ivan, de Kroatische zwager van Malvina, zegt de verschrikkelijkste dingen, maar het zijn gedachten en overpeinzingen die, hoe je het ook wendt of keert, des mensens zijn. 'Het gebeurt dikwijls dat wij de echte prijs en waarde van de dingen pas leren kennen en voelen wanneer we ze hebben verloren, en zo gaat het ook met de haat: wanneer we hem verliezen, zullen we erom treuren en ernaar verlangen. En is het met Malvina niet precies zo, alleen in een andere vorm?’
En het is de virtuoze vorm van Het leven van Malvina Trefkovic die de lezer onrustig maakt en verleidt tot medeplichtigheid. Kovac schreef een roman op het scherpst van de snede, een boek waar ik niet vrijblijvend tegenover kan staan.