Polak schrijft ijzersterk © Andreas Terlaak / Lumen

Rivka en Esse zijn vriendinnen en ze gaan buiten wonen: de kortste samenvatting van Nina Polaks nieuwe roman. Op de kaft staat het indringender: ‘Wat deden twee vrouwen, geliefden, hier in het noorden?’ De (voor)oordelen buitelen over elkaar heen, zonder dat je ook maar iets hebt gelezen: buiten wonen, waar begin je aan, stad versus platteland, nare en achterlijke plattelandbewoners die nooit een krant lezen, isolement, en dan die eeuwige woekering van het onkruid in de veel te grote tuin die maar niet ophoudt, ook al haal je het om de drie weken weg. Polak moet gedacht hebben: en dan zullen ze het krijgen ook. Ze werkt in deze roman expliciet in op de vele minder rooskleurige gedachtes die me bestormen wanneer het over buiten wonen gaat. Het is daar stil, een boekhandel bevindt zich op 89 kilometer, de buren bekijken me misprijzend en het weer zit niet mee. Maar Polak zou Polak niet zijn wanneer ze dit startgegeven niet krachtig laat opbloeien onder haar gelukkige, vaardige, scherpe en geestige pen die toch nog met enig mededogen neerkijkt op die twee geliefden.

Esse doet haar best te aarden in dit noordelijke gebied, zij ziet wel wat in dat gewroet in de aarde, heeft er allerlei romantische en geëngageerde voorstellingen bij over een totaal ‘self-supporting’ leven, bovendien zoekt ze aansluiting bij andere bewoners in de buurt. Rivka, schrijfster met een krachtig writer’s block, loopt steeds meer tegen zichzelf op, schrijven ho maar. Ze kijkt met enige schrik naar Esse’s overgave aan de landelijkheid, haar eerste euforie is snel gedoofd, al wil ze dat niet toegeven. Bovendien blijkt dat ze helemaal niet zo erg geïsoleerd wonen: hun huis ligt precies aan het beroemde Pieterpad, zodat ze regelmatig opgescheept zitten met passerende halvegare wandelaars, die soms zelfs bij hen komen schuilen. Geestig vond ik dat: je bent ook nooit helemaal alleen!

Polak is in topvorm wanneer ze de steeds oplaaiende ruzies letterlijk weergeeft

De twee vrouwen houden van elkaar, dat staat vast, en ik ging langzamerhand ook van ze houden, hoe onhandig stads ze ook zijn, maar langzamerhand nemen de onenigheid en het onbegrip tussen die twee toe. Als lezer sta je er handenwringend bij te kijken: als ze nu maar niet dit of dat gaan doen, en waarom laat Esse zich inpalmen door een of andere vrouwelijke goeroe, een Bekende Nederlander, die in de buurt woont en grossiert in gemeenplaatsen over ‘beter leven’ en ‘beter wonen’. Die alles beter weet, vooral op het gebied van ‘emoties’. Rivka ziet het allemaal gebeuren, ze is verschrikkelijk jaloers omdat Esse zich duidelijk voelt aangetrokken tot die onuitstaanbaar wijsgerige vrouw, maar Rivka valt zelf toch ook stiekem voor haar.

Ingrediënten genoeg voor een komische soaproman rondom buiten wonen, vooral ook wanneer plaatselijke jongeren nare leuzen over ‘potte’ (zonder n) op schuren gaan kalken. Polak geeft vooral in het begin haar ironische visie op de gespannen verwachtingen van haar personages flink de ruimte. Haar zinnen spetteren en daveren erop los. Over het vroegere leven van Rivka krijgen we te lezen: ‘Ze hing in de kroeg met vrijgezelle mannen die er de conditie voor hadden om tot diep in de nacht aan zelfdestructie te doen.’ Rivka bestudeert de dagboeken van Virginia Woolf die veel aan ‘buitenleven’ deed en dan staat er geweldig geestig: ‘Ze haastte zich door de zoveelste wollige beschrijving van waterlelies, werd landerig en ongeduldig als de meester haar impressionistische oog liet vallen op een slak of een mot.’ Polak geeft ook fraaie staaltjes van landelijkheidsbeschrijving en het gedrag van de vele honderden recreanten: ‘Passief genietend hingen ze in hun stoelen, hun nadrukkelijke gerecreëer afgebakend met vloekende vrijetijdskleding, de tijd oneerbiedig vullend, alsof het een kleurplaat was.’ Dit is ijzersterk schrijven, culminerend in de wel zeer fraaie oneliner wanneer Rivka kennismaakt met die veel te hartelijke en mooie goeroemevrouw: ‘Haar stem een bruin café.’

Sterk vond ik dat Polak langzamerhand de ironie laat vieren, ze laat de afstand varen en kruipt dichter naar haar ‘heldinnen’ toe. Ze kiest in schrijftoon en visie niet voor een van hen, ze laat de komische kanten van haar roman meer los en schakelt over op een tragischer schrijftrant. Rivka en Esse krijgen steeds meer diepgang, de roman ontstijgt een satire op het verlangen naar zuiver leven. De onenigheid tussen Rivka en Esse krijgt vooral tragische kanten.

Polak is in topvorm wanneer ze tegen het einde van haar roman de steeds meer oplaaiende ruzies letterlijk weergeeft. Pinteriaans fraai. Hoe de ruzies ontstaan, welke misverstanden de twee keer op keer in scène zetten en hoe het van kwaad tot erger gaat, zonder dat er ook maar iets aan te doen valt. Als lezer ben je een machteloze toeschouwer, je weet dat het zo gaat met ruzies, langzamerhand gaan ze van nul naar tien, zonder dat er ook maar een speld tussen valt te krijgen. Tranen schieten in je ogen, bij Polak ook, dacht ik regelmatig. Doe het niet, wil je naar die twee roepen, denk toch even na voordat je weer iets zegt, of schreeuwt, maar er viel verder weinig meer aan te doen.