KUNST: Oskar Fischinger

Zuivere beeldtaal

Het filmmuseum EYE wijdt zijn eerste tentoonstelling aan Oskar Fischinger (1900-1967), een pionier van de abstracte of ‘absolute’ film. Een tentoonstelling over film is niet makkelijk, omdat je die films natuurlijk in optima forma wilt zien, daarvoor moet de zaal donker zijn, en dan valt er weinig anders meer tentoon te stellen. De nieuwe zalen van EYE zijn grotendeels duister; Fischingers films worden er op een tiental verschillende schermen achter elkaar door getoond, en de documentatie is enigszins bijzaak. Het werkt prima; het is een genoeglijke en ook wel ontroerende presentatie, omdat Fischingers werk zowel hoogdravend-artistiek als speels en levendig is. Zijn films gaan verder waar de schilderkunst ophoudt. Bij Mondriaans Broadway Boogie Woogie moeten we er de muziek bijdenken; Fischinger zocht naar precies die integratie van geluid en (abstract) beeld.

Fischinger experimenteerde vanaf de jaren twintig in München en daarna in Berlijn en bouwde de meest ingenieuze apparaten (overigens ook een ontwerp voor een vliegboot, en een afwateringssysteem). De ontwikkeling van de techniek – eerst de geluidsfilm, dan de kleurenfilm – deed hem onderzoeken hoe ‘akoestische wetten’ konden worden toegepast ‘in visuele expressie’. De vroegste films, in zwart-wit, zijn vooral vertalingen van het ritme en de beweging van muziek in bewegende beeldelementen, en het zijn eigenlijk choreografieën, abstracte theatervoorstellingen. Zo neemt hij De tovenaarsleerling van Paul Dukas als basis voor een zwart-witfilm, een stuk dat later door Disney nog eens werd gebruikt, maar dan voor Mickey Mouse. Dat is een heel andere film, maar ook weer niet: in feite namen Fischinger en Disney de programmatische elementen van de muziek (de scènes die erin werden verklankt) als uitgangspunt. Pas met de komst van de kleurenfilm meende Fischinger dat er ook werkelijk een ‘filmisch equivalent’ van muziek, een ‘zuivere beeldtaal’ kon worden geschapen, waarmee muziek door het oog kon worden waargenomen.

Dat was een oude wens, componisten als ­Skrjabin hadden al gezocht naar een gelijkwaardige visuele component van hun muziek, meestal in de vorm van gecompliceerde lichtorgels. Het aardige van Fischinger is dat hij zag dat de film het belangrijkste medium van de twintigste eeuw zou worden, en dat onder de ‘bergketens van zeepbellen’, de enorme hoeveelheid waardeloze sensationele vermaakfilms, ‘een gouden draad’ van waarlijk creatieve productie zou moeten bestaan. Wat de tentoonstelling ontroerend maakt is het besef dat hij daarvoor met oneindig geduld en bovenmenselijke toewijding de meest krankzinnig complexe stop-motionproducties aanging, met tienduizenden frames van gekleurde papiertjes, kleifiguurtjes en tekeningen.

In 1936 werd hij door Paramount gerekruteerd en vertrok naar Hollywood. Daar leed hij een marginaal bestaan, maar volgens de samenstellers had Fischinger toch belangrijke invloed op de ontwikkeling van de animatie en via-via ook op de ontwikkeling van abstracte schilderkunst en muziek. John Cage was bijvoorbeeld korte tijd assistent in Fischingers werkplaats, en memoreerde in een versje: ‘when yOu/ Said/ eaCh/ inAnimate object/ has a SpiRit/ that can take the Form of sound/ by beIng/ Set into vibration/ i beCame a musician (…)’ – de hoofdletters vormen de naam van Cage’s inspirator.

Fischingers meesterwerk is Motion Painting No. 1 uit 1947, op een van Bachs Brandenburgse Concerten. De basis is een schildering op een glasplaat; elke nieuwe penseelstreek werd één filmframe, de meerlagige visuele structuur is een parallel van de muzikale, niet een vertaling. Het loont zeer om de film uit te zitten: de hele schilderkunst komt voorbij, van Malevich, Mondriaan en Kandinsky tot Delaunay, maar veel intenser dan de heren schilders het zich ooit hadden voorgesteld.


Oskar Fischinger (1900-1967): Experiments in Cinematic Abstraction. EYE Amsterdam, t/m 17 maart