Zure appel

Als literatuur een combinatie is tussen psychoanalyse en maatschappijkritiek, dan zou literatuurkritiek dat ook moeten zijn. Maar worden zulke recensies nog geschreven?

Een bepaald soort criticus verdwijnt – een heel specifieke criticus verdwijnt ook, maar dat is een ander verhaal.

Die bepaalde soort wordt door Philip Roth beschreven in zijn roman De anatomische les. Nathan Zuckerman, Roths alter ego, is de wanhoop nabij; zijn rug doet pijn op een manier waardoor hij niet meer kan typen, niet meer zijn bed kan opmaken, niet meer een eitje kan bakken omdat zoiets lichts als een spatel al ondraaglijk is. Zijn haar valt uit, zijn vriendinnen doen lastig en daarbovenop heeft de gevestigde criticus Milton Appel nog eens een recensie van zijn werk geschreven. En niet zomaar een recensie: ‘Vroeg of laat komt voor elke schrijver de twee-, drie-, vijfduizend woorden lange geseling die niet slechts de gebruikelijke tweeënzeventig uur blijft schrijven maar zijn hele leven doorzweert. Zuckerman had nu de zijne gekregen; om tot zijn dood in zijn citatenkamer te bewaren, de onvriendelijkste bespreking van allemaal, even onuitwisbaar in zijn geheugen gegrift (en ongeveer net zo nuttig) als “Abou ben adhem” en “Annabel Lee”, de eerste twee gedichten die hij voor Engels op de middelbare school uit zijn hoofd had moeten leren.’

Het fijnst als je een vernietigende recensie krijgt, is als je kan denken: o, maar ik heb eens per ongeluk zijn of haar kat doodgereden, daarom is deze criticus zo negatief. Je hebt liever dat de criticus jou niet mag, dan jouw werk niet. Liever subjectieve afkeer, dan objectieve afkeer. Maar Milton Appel was voorheen altijd positief over Zuckermans werk, Appels lof versterkte zijn zelfvertrouwen als schrijver. Nu is het alsof dat zelfvertrouwen hem met terugwerkende kracht wordt ontnomen.

Van dat soort critici zijn er steeds minder. Dit is niet om aan te sluiten bij het refrein dat de kritiek niet meer is wat die ooit was, dat waarschijnlijk al sinds 1840 wordt gezongen. Er worden nog steeds slimme, doordachte recensies geschreven – alleen niet vaak nog van drie- tot vijfduizend woorden. En zelden met de doordachte, intellectuele intensiteit die Milton Appel openbaart, waarin de roman een zaak van leven en dood is. Niet een leeservaring (‘leest als een trein!’, ‘kon me moeilijk met personages identificeren’), niet een afvinklijstje met ‘sterk plot, zwakke stijl’, niet gewoon-een-stukje voor de krant, maar iets wat met dezelfde passie is geschreven als waarmee de schrijver zijn boek schreef. Als literatuur een kunstvorm is die het midden houdt tussen het interne van psychoanalyse en het uitwendige van maatschappijkritiek, dan zou de kritiek hetzelfde moeten zijn.

Zuckerman verheugt zich over de geruchten dat Appel met nierstenen in het ziekenhuis ligt. Als een passagier naast hem in het vliegtuig een praatje met hem aanknoopt, steekt Zuckerman onnavolgbaar van wal dat hij een pornograaf is (‘Nee hoor, niet voor het geld’), de trotse uitgever van Lickety Split. Hoe hij heet? Ik heet Milton Appel, zegt Zuckerman. ‘Accent op de tweede lettergreep. Je m’appelle Appel.’

Alleen nog bespreken wat je geweldig vindt? Ook dat voelt als opgeven

De Milton Appel van het Engelse taalgebied was de laatste vijftien jaar James Wood, hoofdcriticus voor het chique The New Yorker en hoogleraar aan Harvard, ‘the twin thrones’ van de literatuurkritiek. Hij werd beroemde met lange, vernietigende, uitmuntend beargumenteerde essays over gerenommeerde schrijvers als David Foster Wallace, Zadie Smith, Paul Auster en John Updike. Zijn kritieken zijn zojuist gebloemleesd in Serious Noticing.

Ik interviewde Wood eens in Harvard, vlak voordat hij in Nederland De Gidslezing kwam houden, eind 2014. Een heel aardige, bescheiden man, die zich een beetje schaamde voor zijn harde meningen van weleer. Ik vroeg hem naar een opmerking over een bepaalde roman; hij sloeg zijn handen voor zijn hoofd en zei: ‘Mijn god, zo’n opmerking zo ik nu ontoelaatbaar vinden.’ Die vernietigende kritieken heeft hij dan ook niet opgenomen in Serious Noticing; het voelt raar. Bijna alle negatieve recensies heeft hij weggelaten.

Misschien zijn er twee manieren waarop je als criticus je houdbaarheidsdatum kan overschrijden. De eerste manier is zoals je het ook weleens ziet in de politieke verslaggeving, waarbij commentatoren na de zoveelste verkiezingen door alle trucjes heen zien, en ze politiek alleen nog als een mediaspel kunnen benaderen. Cynisme ligt op de loer, narrigheid – de zure appel.

Op een bepaalde manier is dat de extra belediging van de affaire rond Arjan Peters; niet alleen dat de voornaamste criticus van de Volkskrant zich aan schrijfsters opdrong, maar dat die voornaamste criticus al zo lang op literatuur was uitgekeken en er alleen nog over schreef om iets anders te bewerkstelligen. Jarenlange wekelijkse literatuurkritiek is met terugwerkende kracht onwaarachtig verklaard. Hoe akelig moeten zijn collega’s zich voelen. Zoals de Tour de France toen Lance Armstrong eindelijk openheid van zaken gaf.

De andere vorm van je geldigheid verliezen is de gesuikerde appel van Wood, waarbij je alleen nog bespreekt wat je geweldig vindt. Ook dat voelt als opgeven. Alsof literatuur te zeer een bedreigde diersoort is om nog stevig aan te pakken.

Literatuur is geen heiligdom en de recensent geen misdienaar, maar hij is ook geen bisschop, met alle macht die bij die functie hoort. Literatuur is iets wat de schrijver maakt en waar de lezer zijn eigen betekenis aan geeft. Wie die betekenis ter goeder of kwader trouw verdraait, laat het zijn waarde verliezen, voor een ander, maar – nog tragischer – ook voor zichzelf.