Economie

Zusje

‘Geloof jij in God?’ vraagt mijn zusje aan de jongen achter me. ‘Ja’, antwoordt de jongen, zichtbaar van zijn apropos. ‘Wat fijn voor je’, zegt mijn zusje gemeend, terwijl ze haar blik opnieuw richt op de kist waarin het levenloze lichaam van haar vriend ligt. ‘Ramon, Ramon, Ramon’, zegt ze door haar tranen heen, zijn gezicht strelend.

Op vakantie op Terschelling verdween hij achter de golven. De stroming trok ze de zee in. Papaver, papaver, riep hij haar nog toe in pure paniek. Zij kon terugzwemmen, hij niet. Veertig lange minuten zochten ze. ‘Het duurt te lang, het duurt te lang’, zei m’n zusje steeds tegen mijn vader, die ook op het eiland was. Traumahelikopters, reddingsboten, een reanimatiepoging, het mocht niet meer baten.

Wat moet je op zulke momenten in een column over economie schrijven? Niks. Bestaande koopwoningen tien procent goedkoper, ondernemers industrie iets minder pessimistisch, en huiseigenaren minder bereid huis met verlies te verkopen. De economie is een bloedeloos onderwerp. Bloedeloos, omdat al wat menselijk is onvermijdelijk gereduceerd wordt tot een paar kernachtige cijfers en mechanische relaties. En het is op momenten als deze dat je beseft hoe inadequaat dat is.

M’n zusje dus. Sinds begin dit jaar woon ik met haar. Ramon zag ik veel. Op onorthodoxe tijdstippen parkeerde hij zijn kleurrijke fiets tegen ons raam. ‘Ola!’ zei hij bij binnenkomst en stak me zijn grote Hondurese hand toe. Waarna mijn zusje en hij op avontuur gingen. Samen zwarte bonen met bakbananen maken, met pastasalade het park in, of op onze stoep een stoel verven.

Aan het interieur van ons huisje heeft hij waarschijnlijk meer bij­gedragen dan ikzelf. Een bord van de Rue de Beaumont, gestolen uit een Frans dorpje, een Hondurees vlaggetje boven de televisie, zelfs de wc-bril. En bij de ingang van ons huis een hand­gemaakt sleutelrekje met het opschrift ‘Aqui estan las putas llaves!’ – ‘Hier zijn de verdomde sleutels’. (Mijn zusje had de neiging bij het regelmatige verlies van haar sleutelbos uit te roepen: ‘WAAR ZIJN MIJN FUCKING SLEUTELS!’)

Een vreemd soort kalmte had mijn zusje toen ze die avond terugkwam van Terschelling. Kapot, maar geen tranen, in ieder geval nog niet. Een intense drang om alles goed te doen. Om de moeder van Ramons zoontje, die ze nog nooit had gezien, persoonlijk in te lichten. Zo snel mogelijk. En om alles wat moest gebeuren te regelen. Ik knuffelde haar, zei dat ik het zo erg vond.

In deze omstandigheden, zo heb ik de afgelopen week geleerd, reageren mensen door zich constant bezig te houden. Ik wandel wel drie keer per dag op en neer naar de winkel om vers sap te halen, mijn vader belt en belt en mijn moeder lijkt permanent bezig met afwassen, afdrogen, stofzuigen, lampjes vervangen, de brievenbus maken. Regelen is zo fijn overzichtelijk. We kunnen het hebben over de muziek die bij zijn afscheid moet worden gespeeld, over vrienden die nog ingelicht moeten worden, over lijstjes die nog gemaakt moeten worden. Begrijpelijke problemen met heldere oplossingen. Maar wanneer alles wegvalt en mijn zusje in oncontroleerbaar huilen uitbarst, heeft niemand oplossingen en is er alleen stilte. En er is zo veel stilte.

Ik huil niet als ik zijn lichaam in de kist zie. Ik huil sowieso niet. Sinds ik de twintig ben gepasseerd is er langzaamaan een koele deken over me heen gekomen. Ik voel geen onvoorwaardelijke liefde, geen grote vreugde, geen intens verdriet, alles blijft op afstand. Wanneer ik geconfronteerd word met de manie en depressie van anderen irriteert het me. Stom emo­tioneel volk.

Mijn zusje bij de kist met het lichaam van Ramon, de handen van haar vriendin om haar middel heen, dat beeld staat me bij. Ik moet naar buiten. Alleen, want wat heb ik in godesnaam aan mensen te melden. Clichés over hoe onwerkelijk het is en hoe verdrietig het is. Ik moet beter kunnen, maar ik kan niet beter. Ik sluit me weer bij haar en haar vriendinnen aan. Ik mag haar vasthouden en ik huil, geen laffe biggeltranen, maar schokkend, heftig ademend.

Vanochtend knielde ik naast haar bed, het grote regelen voorbij, haar kussen nat van de tranen. ‘Hoe is het?’ vraag ik. ‘Slecht’, zegt mijn zusje. ‘Waarom?’ vraag ik, stom als ik ben. ‘Omdat Ramon godverdomme dood is!’ Ik schrik. ‘Dat weet ik zusje.’ En begin haar hoofd te aaien. Ik kan niet aaien. Aai ik wel goed? ‘Ik hou zoveel van je, zusje’, zeg ik, en nooit eerder heb ik het zo gemeend. Ze pakt mijn hand vast, terwijl een traan over de breedte van haar neus biggelt en op het vochtige kussen valt.

God heeft een vreemd gevoel voor ironie, dat zo veel verdriet met zo veel liefde gepaard gaat.