Arabella

Zusjes in nood

Ten aanzien van de Duitse componist Richard Strauss (1864-1949) moet ik beginnen met een bekentenis. Misschien zag ik hem ooit als een conservatieve opportunist die zich door het nazibewind in Duitsland allerlei eerbewijzen en erebanen liet verlenen en die zijn ogen dicht deed voor de misdaden van dat bewind.

Medium opera

Maar ik ben daar geleidelijk milder over gaan denken. Strauss was conservatief en een nationalist, maar zeker geen nazi en al helemaal geen antisemiet. Ten aanzien van het jodendom had hij misschien zelfs het enige juiste standpunt, namelijk dat het er helemaal niet toe deed of een kunstenaar, zoals zijn librettist Stefan Zweig, joods was of niet. Dat was natuurlijk ten tijde van Hitler heel erg naïef, maar toch begrijpelijk voor een oude man die in Duitsland al zoveel verschillende regeringen had meegemaakt en die, aanvankelijk althans, de heerschappij van de nazi’s als vulgair, maar voorbijgaand beschouwde.

Het libretto van Arabella (die op 1 juli 1933 in Dresden in première ging) is geschreven door de dichter Hugo von Hofmannsthal (1874-1929) met wie Strauss al twintig jaar zeer vruchtbaar had samengewerkt en wiens lot is dat hij vooral bekend is gebleven door de teksten die hij voor deze opera’s heeft geschreven, zoals Elektra, Ariadne auf Naxos, Die Frau ohne Schatten en Der Rosenkavalier. Arabella is zijn laatste libretto voor Richard Strauss, hij was al gestorven toen de opera in première ging.

De Nationale Opera brengt een fraaie productie die oorspronkelijk is gemaakt voor Göteborg en Frankfurt. Regisseur Christof Loy en vormgever Herbert Murauer plaatsen het verhaal, dat oorspronkelijk in de Biedermeiertijd speelt, honderd jaar later, in de jaren vijftig, een tijd die nog niet zo heel ver van ons af staat, maar waarin de verhoudingen tussen mannen en vrouwen nog beduidend anders lagen dan nu. Door schuivende panelen kan een lege witte doos in een hotel en een balzaal veranderen en door die verschuivingen blijft het beeld boeiend. Vooral het einde van het carnavalsbal ziet er schitterend verlopen uit.

Het verhaal lijkt een lichtvoetige situatiekomedie, maar is in deze versie toch veel meer dan dat. Het is ook een karakterstudie van twee jonge vrouwen, twee zusters, die verstrikt raken in de problemen met hun omgeving. Arabella (Jacquelyn Wagner), de oudste zuster, lijkt een oppervlakkige flirt, een meisje dat koketteert met alle mannen die voor haar vallen. Maar zij is ook een serieuze jonge vrouw, die wacht op de ware liefde en die valt voor een ruwe berenjager uit het oosten, een lompe, maar brave man (James Rutherford). Haar zusje Zdenka (Agneta Eichenholz) zit helemaal in een moeilijke positie. Zij is van jongs af aan als een jongetje opgevoed en draagt nog altijd mannenkleding (om een absurde reden: die was in 1860 veel goedkoper, in 1950 gaat dat niet helemaal meer op).

Strauss heeft voor deze mozartiaanse opera bijzonder plezierige muziek geschreven, met veel verwijzingen, citaten en parodieën, niet uitgesproken modern, maar toch duidelijk twintigste-eeuws. De uitvoering is prachtig. Alle zangers zingen en spelen uitstekend, ook Charlotte Margiono als een zeer verwarde moeder, Alfred Reiter als een vaak onhandige en dan weer vastberaden vader en coloratuursopraan Susanne Elmark als een raar carnavalsmeisje. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt onder de jonge chef-dirigent Marc Albrecht met veel nuance de geraffineerd geïnstrumenteerde partituur.

Deze opera is vooral de moeite waard omdat er op een lichte manier zoveel belangrijke thema’s in worden aangesneden over de situatie van vrouwen, over seksuele identiteit, over de mogelijke verwisselbaarheid van twee zusjes en over opportunisme en loyaliteit.


Arabella van Richard Strauss; t/m 2 mei in de Stopera, Amsterdam; zie de website.

Beeld: Scene uit Arabella; koor van De Nationale Opera en solisten, rechts Arabella (Monika Rittershuis).