Zuur

Het was pijnlijk.

Onlangs oordeelde een bekende schrijver over mij: ‘Een talent dat nooit tot bloei is gekomen.’

‘Je moet je dat niet zo aantrekken’, zei een familielid.
‘Nou, ik trek het me niet aan. Ik vind hem ook een lul.’
‘Hij zegt niet dat hij jou een lul vindt. Hij vindt je juist erg aardig.’
‘Ben jij nou ook al tegen mij?’

Verdere discussie gemeden. Er werd gezucht. Ook door mij.

Ik vroeg me af hoe ik anders had moeten reageren. De uitspraak deed me verdriet, omdat ik mezelf ook zo ervaar. Maar om dan ten overstaan van mijn familie een potje te gaan zitten grienen, leek me ook niet verstandig.

Talent… mislukt. Wanneer ben je een talent en wanneer ben je mislukt?

Mijn moeder zei altijd tegen mij als ik weer eens een slechte recensie had: ‘Je moet jezelf nooit neerhalen.’

‘Doe ik ook niet, mam.’
‘Jawel, dat doe je wel. Je moet met opgeheven hoofd kritiek ontvangen.’
‘Doe ik!’
‘Hebben ze gelijk, dan weet je waar je beter moet worden en hebben ze ongelijk, dan laat je dat niet merken. Toon geestesadel.’
‘Mama, hou op!’

Geestesadel. Waarom hebben lieden die succes hebben altijd geestesadel?

‘Waar gaan we het over hebben?’ vroeg mijn psychiater eens.

Alleen toen ik zei: ‘Ik vind alles kut, het leven, alles wat ik maak is kut, kut, kut!’ gleden haar vingers van haar pen

‘Over mijn minderwaardigheidscomplex’, zei ik bijna enthousiast.

In de therapeutische vijftig minuten gaf ik de ene briljante verklaring na de andere waarom ik de combinatie minderwaardigheidscomplex en gedreven schrijver eigenlijk onzinnig vond; wie schrijft wat hij wil en dat zelf goed vindt, kan in de ogen van anderen wel een talentloze mislukkeling zijn, maar heeft geen enkele reden dat zelf te onderschrijven. Mevrouw de psychiater leek mijn levenslessen voor haar eigen boek ter harte nemen, want ze zat al mijn woorden fanatiek op te schrijven. Maar ja, de andere keren was het gegaan over mijn slordigheid, mijn gemakzucht, mijn immorele gedrag, mijn gebrek aan inlevingsvermogen, mijn treurigheid waarvoor geen reden was, mijn verregaande inertie, mijn onvermogen discipline te ontwikkelen, mijn overdreven drank- en druggebruik om maar voor bohemien te worden versleten, mijn aanstellerij – die goedkope balpen waaromheen die roodgelakte nagels klemden en die mij op één of andere manier seksueel opwonden, kon mijn zelf-incriminerende aforistische woordenbrij nauwelijks bijhouden. Alleen toen ik zei: ‘Ik vind alles kut, het leven kut, alles wat ik maak is kut, kut, kut!’ gleden haar vingers van haar pen en keek ik in de ogen van mijn moeder – wat Freud fantastisch zou hebben gevonden – en zei ze met een stemmetje dat ze uit een klein verborgen doosje leek te halen: ‘Verzet je ertegen…’

Verzet? Bleek uit mijn ketting van slappe ruggengraatonderdelen niet dat verzet zinloos was, zelfs als ik dat zou acteren?

Het imposter- of oplichterssyndroom – thans een term die je aan elke cafétafel hoort rondgaan – bestond al wel, maar kwam mij niet ter ore. Of misschien werd het mij wel voorgehouden, maar was ik zo aan het dansen met mijn angstige onkundigheden dat ik het niet hoorde. Waarschijnlijk was het op mij toch niet van toepassing.

Voor mijn generatiegenoten – we zijn babyboomers en schijnen over te lopen van voordelen – zijn de kaarten ondertussen wel geschud. Spelmetafoor-alert: ik heb niks in mijn hand, maar als je mijn mysterieuze gezicht ziet, denk je: oei, uitkijken!

Het oordeel van de bekende schrijver kan ik, terwijl ik door de stad langs de huizen van mijn literaire helden loop, moeilijk verkroppen.

Hoe blijven mijn andere mislukte generatiegenoten gelukkig?

Het is waar, ik ben blij met vrouw, kind en kleinkinderen. En met mijn vrienden, voor zover ze nog leven, want de meesten zijn dood. En ook met mijn vriendinnen van wie er een paar met een rollator door de stad lopen.

Verder adem ik rancune en uit mijn ogen loopt zuur.

Geestesadel…