Zwaan

Vanaf de negende etage van het ziekenhuis kijk ik, half liggend in een soort reusachtige tandartsstoel, uit over een vierbaans-snelweg. De avondspits vangt juist aan. Miniatuurmensen in miniatuurauto’s razen van de ene kant van het raamkozijn naar de andere kant, honderden per minuut, en verdwijnen daar uit beeld. Een vrachtwagencombinatie. Een paardentrailer. Een motorrijder.

Rond mijn navel zit een roze band van elastiek vastgegespt, eronder iets dat nog het meest lijkt op een platte computermuis, vastgekleefd aan mijn ontblote buik. ‘U mag rustig blijven liggen’, had de verpleegkundige gezegd. ‘Een half uurtje.’ Haar gezicht leek wel wat op de gezichten van mijn tantes, vond ik. De ligging van de ogen, de vorm van de glimlach. Naast mij klinkt een gedempte, vlugge galop – de foetale hartslag – en op een beeldscherm is de corresponderende zwarte lijn te zien, die bibberig daalt en stijgt. Berglandschap zonder sneeuw. Eronder verschijnen nu en dan groene blokjes – de weergave van bewegingen in de baarmoeder.

Er glijdt een colonne bouwvoertuigen met zwaailichten door het uitzicht. Een politiebusje. Een limousine. Een wagen met een kubistisch weergegeven zwaan op de zijkant. Ik moet aan het gedicht van Frank Koenegracht denken, over een zoon en diens bejaarde moeder. Over de troost van een snavel op een kussen. Hoe agressief zwanen hun kroost bewaken, rechtop, borst vooruit, twee engelenvleugels als dodelijke wapens.

Een cardiotocogram in deze fase is protocol, werd me verzekerd. Niets aan de hand dus, zuiver voorzichtigheid. ‘Zelfs als we vierhonderdnegenennegentig van de vijfhonderd keer niets bijzonders vinden’, zei de arts. ‘Dan gaat het ons om de uitzondering.’ Zo kreeg het woord protocol, in mijn optiek toch vaak stug en mensenschuw, ineens een beschermende lading.

De overmaatse tandartsstoel is comfortabel. Ik dommel even weg, schrik dan weer op. Ik denk aan hoe weinig ik mijn moeder zie. Als ik maar vaker in de auto zou stappen, tegen de stroom in, de stad uit richting zee. Wat als ik zelf straks een dochter heb? (Lieve Heer in wie ik nauwelijks geloof, ik wil vandaag heel graag behoren tot de niet-bijzondere, gezichtsloze menigte van vierhonderdnegenennegentig, dank U.)

Buiten schemert het nu. De sliert auto’s wordt steeds dikker, het tempo gaat eruit. Hier en daar moet iemand stevig in de remmen. De verpleegkundige die familie lijkt, komt zeggen dat alles in orde is met de baby. ‘Ze heeft het duidelijk naar haar zin, hoor.’ Ze maakt de elastieken band los, ontkoppelt de apparatuur. Ik mag gaan – maar ik moet vooral niet schromen contact op te nemen, als er wat is. ‘Je bent er immers voor verzekerd’, denk ik erachteraan. Er zit een trilling in mijn stem als ik haar bedank. Ik zou haar eigenlijk willen omhelzen. Of haar een zwaan cadeau doen, mocht ze ooit eenzaam en duizelig worden. Ik geef haar een hand. Op de vierbaansweg achter het raam, zie ik, is het verkeer volledig tot stilstand gekomen.

Frank Koenegracht

Uit: . Uitgeverij De Bezige Bij, 2011

Brief aan mijn moeder

Moet je horen, mamma, luister je?

Ik lees hier over een aanbod

waarbij zeer oude moeders met

meestal zeer oude zonen die

om niet tastbare redenen niet meer

bij ze willen slapen

een zwaan ter beschikking wordt gesteld

door de thuiszorg.

Het gaat om Hollandse zwanen.

Ze zwemmen overdag rond,

maar ’s avonds worden ze opgeborgen

in prachtige vitrines.

Ze worden thuisbezorgd en in je bed gelegd.

Ze slaan hun linker vleugel om je heen: dat

is tegen angst voor duizeligheid en ze leggen

hun snavel op het andere kussen:

dat is tegen de eenzaamheid.

’s Ochtends worden ze weer opgehaald.

Nou, doe het maar, mamma.

Je bent er immers voor verzekerd.