Zwaan-kleef-aan

Medium niekerk sneeuwslaper

De sneeuwslaper, het nieuwste boek van de Zuid-Afrikaanse Marlene van Niekerk (1954), heeft als genre-aanduiding ‘verhalen’, maar er is alle reden er eerder een (ironische) ondertitel in te zien. Het eerste verhaal is een inaugurale rede. Een docente filosofie vertelt aan de rector, decaan, collega’s, vrienden en familie over post die zij van een geflipte student ontving (De zwanenfluisteraar). Het tweede een grafrede van een antiquair over zijn vriend de schrijver (De slagwerker); dan het 'veldwerkverslag’ van de zus van deze schrijver, gericht aan de directeur van het Landelijke Onderzoeksteam Thuislozen (De sneeuwslaper); en als slot een academische lezing, aangekondigd als een betoog over 'Mimesis, poësis, parodie - de verantwoordelijkheid van de verbeelding en de grenzen van de fotografie in roerige tijden’, in plaats daarvan het levensverhaal van een Zuid-Afrikaanse fotograaf dat op belangrijke punten het leven van Marlene van Niekerk raakte. De fotograaf speelde ook in het veldwerkverslag een belangrijke rol. Het is duidelijk dat de spreekster-schrijfster met het eerste en laatste verhaal accolades zet. Ja, het zijn verhalen, in elk verhaal meerdere door elkaar zelfs, verhalen die in de loop van het boek bij elkaar aanhaken; en het gaat ook nog eens over het vertellen van verhalen, de functie of liever de werking en de uitwerking ervan. Wie dit te ingewikkeld wordt, kan ik alleen maar aanraden het boek zelf ter hand te nemen, de verhalen eenvoudig na elkaar te lezen. Uit het een volgt het ander, zij het meestal iets anders dan verwacht, zo eenvoudig is het. En dan blijkt hoe bedrieglijk eenvoud kan zijn en hoeveel er in een betrekkelijk dun boek overhoop gehaald kan worden. Eenmaal het geheel gelezen blijkt bij nader toezien elke passage te krioelen van bijgedachten, uitlopers, verbindingslijnen - aandacht werkt als een vergrootglas.
In de rozentuin van het Vondelpark treft Helena, de zuster van de in De slagwerker overleden schrijver, een zwerver, een bloemrijke figuur. Prachtig materiaal voor haar studie, al te dankbaar materiaal: zij interviewt hem, in feite heeft hij de touwtjes in handen. En stel dat hij zelf de Zuid-Afrikaanse fotograaf was (en is) die de zwerver volgde als hij dagelijks om vier uur zijn slaapplaats installeerde onder de sneeuw in een uithoek van het Schapenburgerpad achter de P.C. Hooft. In de soevereine figuur van de dichterlijke zwerver herkent de onderzoekster ook haar vader, die op het laatst ook zwerver was geworden, een lot dat haar ook beschoren lijkt. Typeert zij de zwerver niet meteen al als 'een mens die van zichzelf verschilt’?
De zwerver trad ook in het eerste verhaal op. De gesjeesde student die dankzij de docente in 2001 een beurs en een woning in Amsterdam had gekregen, bestudeert door een verrekijker een zwerver die zwanen lijkt aan te trekken; hij neemt de zwerver zelfs in huis en kalefatert hem op. Maar tegenover de onderzoekster vertelt de zwerver, de man die voor zwerver speelt, het omgekeerde verhaal: hij was degene die de student observeerde. En zo ook houdt hij de fotograaf in de smiezen, terwijl het is alsof die hém bestudeert. In De slagwerker vertelt de antiquair hoe zijn vriend in een hofje aan de Westerstraat een jonge bouwvakker door een kijker bestudeert. Elke dag om dezelfde tijd gaat die na zijn werk een half uur op zijn drumstel tekeer. Tot hij een Aziatisch meisje in huis neemt en zijn muziek in dienst van haar gaat stellen.
Was de slagwerker een projectie van de voyeur? Esse est percipi: zijn is gezien worden. Maar Van Niekerk gaat veel verder: een leven krijgt vorm in de ogen van een ander, maar kan ook actief gevormd worden door andermans blik. Wie staat onder wiens invloed? Van Niekerk die als jonge, politiek actieve studente in de ban raakt van een fotograaf, een heel bijzondere, weet hem in de jaren zeventig om te turnen naar de sociale fotografie: 'Spiegel van Zuid-Afrika’. Ondertussen leert hij haar kijken, oog te hebben voor wat nog moet gebeuren, nietige tekens, leert haar dus te kijken zonder (sociaal) nuttig doel. Het kan ook geen toeval zijn dat als de fotograaf uiteindelijk twee jaar nagenoeg zwijgend in haar tuin zit, het beeld sterk doet denken aan het eind van de zwijgende eenling in de roman Wereld en wandel van Michael K van Coetzee. Het gaat om de verschillen: Van Niekerk geeft van alles exact de datum en de plaats aan, zowel in Amsterdam als in Zuid-Afrika. Dat is van belang voor dit zijdelingse thema van de kunstenaar wiens sterkte het is om naar alles van opzij te kijken - wat gemakkelijk kan worden aangezien voor estheticisme of zelfs escapisme - en die zichzelf geweld aandoet door per se maatschappelijk relevante onderwerpen te willen behandelen. Ook de student in het eerste verhaal zou het liefst 'een trottoirantropoloog’ worden (zoals de onderzoekster): 'Weg met de metafunctionele trucs’. Hij eindigt met klankgedichten, de laatste opgetekend bij het ruisen van Dwarsrivier: 'Het verdriet van ritselrivier’. Inmiddels schrijft de vertelster geen romans meer, zij ziet zichzelf als vertaler van zijn klankgedichten: 'Ik schrap de adjectieven, ik schrap de ideeën… Wat belangrijk is, is de materialiteit van de woorden.’
In het laatste verhaal, over de fotograaf, keert dat motief terug, reden om inderdaad te denken dat het om een raamvertelling gaat, waarvan dit thema of motief het kader is. Maar een raamvertelling mag uit een reeks verhalen bestaan, juist het raamwerk maakt er iets anders dan een bundeling van verhalen van. De ondertitel Verhalen kan misverstaan worden, waarmee het boek het lot van hedendaagse verhalenbundels deelt. Het gaat in de vijf hoofdstukken uitdrukkelijk over het vertellen van verhalen. In die verhalen zit Van Niekerk of haar personage-handlanger mensen dicht op de huid, juist door het kijken van een afstand. Fantastisch hoe de slagwerker - voor en door de ogen van de schrijver op afstand - van het zwijgende lichaam van zijn Aziatische geliefde muziek maakt; en nog stillere muziek als de snippers van zijn verscheurde manuscripten op het drumstel neerdalen. Als de onderzoekster, de zuster van de antiquair die over de schrijver en de slagwerker vertelt, haar broer en haar vader memoreert, beiden vertellers, resumeert zij de opvattingen van de schrijvende broer: dat aan een gewoon verhaal geen lol te beleven valt en het om de terzijdes gaat. 'Het ontwerp van het kader is het waagstuk. Wie vertelt wat aan wie, wanneer, waar, waarom, dat is het punt, een roman is daarom altijd ten minste twee romans, het verhaal over de verteller en het verhaal dat hij vertelt…’
De sneeuwslaper is een roman, de verhalen zijn hoofdstukken of episodes van een raamvertelling, en met deze roman sluit Van Niekerk aan bij een romantraditie die door de negentiende-eeuwse fictie van de symfonische roman waarschijnlijk alleen maar onderbroken is. De raamvertelling is het kader voor de zwaan-kleef-aan-methode, ook inhoudelijk: de voyeur wordt zelf bekeken, de achtervolger wordt gelokt of gevolgd. En zo is er een hele stoet, 'een stille processie van zoekers en vermisten in de stad (…) de broederschap van de achtergeblevenen. De gemeenschap van overlevenden, van achtergelatenen’. Aldus de Zuid-Afrikaanse student in zijn brief aan zijn docente filosofie 'Marlene van Niekerk’.

Marlene van Niekerk
De sneeuwslaper
Vertaald door Riet de Jong-Goossens,
Querido, 161 blz., € 14,95