Zwaar en hels is de liefde van een moeder

RÉGIS JAUFFRET
GEKKENHUIZEN!
Uit het Frans (Asiles de fous, 2005) vertaald door Martin de Haan en Rokus Hofstede,
De Arbeiderspers, 196 blz., € 18,95

‘- Ik smeek je, hang niet op. Je denkt dat ik gek ben, en je hebt gelijk. Ik ben zijn moeder. Tegelijk met het vruchtwater heb ik mijn verstand verloren.’ Solange, moeder van Damien (31), spreekt hier een waar woord, en dat uitgerekend tegen Gisèle, de vermaledijde vriendin van haar zoon, die haar ’s nachts opbelt. Ex-vriendin, want Damien heeft het laten uitmaken door zijn vader, die bij Gisèle langsgaat, zogenaamd om een nieuwe kraan te monteren, waarbij hij haar en passant vertelt dat Damien van haar weggaat. Het telefoongesprek is in de roman een soort wisseling van de wacht: tot dan is hoofdzakelijk Gisèle aan het woord, met voor elke gelegenheid een andere versie voorhanden.
Gaandeweg het gesprek neemt de schoonmoeder het over en begint een monoloog: ‘- Wij zouden graag willen dat je verdween. Ga weg, los op in het luchtledige, ga wonen in een vreemd land zonder monumenten, zonder bezienswaardigheden, met een rotklimaat, zodat we voor honderd procent zeker weten dat Damien er nooit op vakantie zal gaan.’ Ondanks zulke moordende uitspraken is het de moeder die niet wil dat het gesprek beëindigd wordt. Erna ratelt ze door, maar nu tegen een luisteraar, die moeilijk iemand anders dan de lezer kan zijn, aan wie ze haar minachting voor Gisèle kwijt kan, die in Damien nooit iets anders gezien zou hebben dan een potentieel personage – dat is een van de eerste suggesties dat alles geschreven is door deze dronken en onberekenbare Giséle: ‘Ze [Gisèle] voelde niets, leed niet, genoot nooit, ze archiveerde’; en ze nestelde zich diep in hem.
Wat Solange vooral op de lezer botviert, is een trotse lof- en klaagzang op het moederschap: ‘Het moederschap, dat riool waar jongens bij de geboorte in vallen’, waar ze nooit meer echt uitkomen; de moeder wordt immers opgevolgd door andere vrouwen. ‘Meisjes zijn daarentegen voorbestemd om ons te verlaten.’ Maar de zoon heeft zij in regie, met volle teugels, en die zal ze nimmer uit handen geven: ‘Ik heb hem opgebouwd als een symfonie, ingenieus maar nauwgezet (…) en als hij gelooft dat hij in zijn eentje zichzelf speelt, dan komt dat doordat zonen nooit de moeders zien door wie ze achter hun rug worden gedirigeerd als orkesten.’ Even (van 17/9/1998 tot 15/10/2004) heeft zij haar plaats mogen innemen, en een ware moeder lijdt daaronder; toch is haar liefde zo groot dat ze zelfs nog bij machte is te houden van de vrouw die haar kind heeft afgepakt. Zoonlief voldoet in alle opzichten aan het signalement van de slappe opportunist. Hij is zijn Gisèle al na een paar weken compleet vergeten, niet anders dan dat hij nauwelijks weet wat voor baan hij in Toulouse heeft. In de weekenden begraaft hij zich in een Engelse vrouw, doordeweeks laat hij zich door mannen penetreren, hij heeft sperma nodig als smeerolie, iets chiquer: als balsem voor de ziel.
Het is de moeder die de zoon de relatie heeft laten beëindigen, zij stuurt Gisèle in zijn naam een sms (‘Gisèle nog in de gratie?’) om het meisje hoop te geven en zich zo te verzekeren van een open oor. Dat woord is op z’n plaats, want zo is ook de zoon door zijn moeder met taal volgetrechterd. Hij vraagt zich af of zij hem niet toevallig via haar mond gebaard heeft. In dat stadium – wanneer hij in de roman zijn portie pagina’s krijgt om ‘ik’ te zeggen – stelt hij vast dat alleen haar woorden hem nog raken: ‘ze kropen onder de stof van mijn kleren, omknelden mijn ballen, sleepten me door het hele huis, tilden me boven haar hoofd, waar ik rondwentelde als een propeller’. Dit is een gekkenhuis, niet omdat het huis zelf aan de wandel gaat en er gekke dingen gebeuren, maar omdat het allemaal alleen maar woorden zijn, even verwisselbaar als de personages, even vrijblijvend als hun betekenis voor zichzelf en elkaar. De opblaaspop Damien ziet zichzelf niettemin ‘als een oorspronkelijk, uniek document’ te midden van een ras van allemaal grijze duiven.
‘U zult dit een rare familie hebben gevonden, maar alle families, meer nog dan liefdesrelaties, zijn gekkenhuizen. Damien is er sinds zijn geboorte passief kostganger geweest, en in de loop der jaren is hij medebestuurder geworden.’ Even denk je dat nu de schrijver zelf het woord neemt, en in zekere zin is dat ook zo, maar vermomd als Gisèle – want prompt vertelt zij op die plaats dat zij een leeg geschreven schrijver van vijftig heeft overgehaald om in zijn plaats zijn volgende roman te laten schrijven, een treurige, krankjoreme liefdesgeschiedenis… Jammer dat Jauffret op het eind dat spelletje van personages die schrijver worden en omgekeerd, nodig heeft. Neem het liever even weinig serieus als de roman zelf. Het prettige aan Jauffrets overdrijvingen is dat hij ze niet opsiert met al te grote pretenties. En wie weet zijn de groteske vertekeningen en overdrijvingen inzake liefde en gezin realistischer dan welke notulistische weergave ook. Jauffret laat Solange, alsof het de heerlijkste soep is, lekker roeren in het open riool van het vleesetende moederschap; hij laat Gisèle zich wentelen in dronkenschap, nymfomanie en ranzige kunstzinnigheid. Damien mag voor Houllebecq spelen, dat kan elke mee-eter: in het gunstigste geval bestaat hij inderdaad alleen in woorden van Gisèle en Solange, die van de kneedpop maken wie ze willen.
Die soms uitzinnige taal weet Jauffret weergaloos te bespelen, net als de vertalers trouwens; dat de schrijver zichzelf af en toe vergeet waardoor zijn zinnen hem voorbij galopperen, past nu eenmaal bij dit soort excessiviteit – wel meer Fransen hebben daar een handje van, denk aan Céline, Guyotat, Dantec. Toch lijkt Jauffret er nog een eigen soort realisme op na te houden; maar zonder een minimum aan herkenbaarheid was het alleen maar slapstick. Gekkenhuizen! – met !, het is immers een uitroep – is een dik boek voor Jauffrets doen. In zijn laatste boek, Microfictions, verzamelde hij vijfhonderd korte levensbeschrijvingen van telkens anderhalve pagina. En Fragments de la vie des gens uit 2001 bestond uit 57 korte romans. Jauffret (1955) publiceert sinds 1985, maar pas twee prijzen voor Asiles de fous (Prix Fémina en Le Grand Prix de l’humour noir) hebben hem twintig jaar later tot een bekend auteur gemaakt.