Hannah Arendt tijdens de maandelijks seminar voor studenten en docenten op de The New School in New York, 19 februari 1969 © Neal Boenzi/ NYT / Getty Images

In de NRC begin deze maand stond een groot interview met Dries van Agt. Die was als minister van Justitie de hoofdverantwoordelijke voor de bloedige beëindiging van de Molukse treinkaping bij De Punt in 1977. Van Agt blikte vol deemoed terug en betreurde vooral de manier waarop Nederland decennialang blind was gebleven voor het onrecht dat de Molukkers was aangedaan.

Ik was getroffen door de standvastige manier waarop hij het voor hen opnam. Mijn gevoel van instemming kreeg echter een fikse knauw door een ingezonden stuk van twee Molukkers, Wim Manuhutu, oud-directeur van het Moluks Historisch Museum en Fridus Steijlen, hoogleraar Molukse cultuur; zij wezen op de vele initiatieven die de Molukse gemeenschap zelf al, soms in verzet tegen maar ook in samenwerking met Nederlanders, in het verleden had ontplooid en die Van Agt consequent negeerde. ‘Het niet benoemen van dit soort initiatieven van Molukse zijde drukt Molukkers in de slachtofferrol en doet geen recht aan de veerkracht van de Molukse gemeenschap.’

Terwijl deze discussie over de Molukse kwestie speelde, las ik Antisemitisme, een recent vertaalde tekst van de filosofe Hannah Arendt. Haar benadering past precies bij de geciteerde zin van Manuhutu en Steijlen. Wanneer je ‘Moluks’ door ‘joods’ vervangt, heb je de historische benadering van Arendt te pakken. Toch zag ik dit aanvankelijk niet voor zover het de Molukkers betrof. Het toont aan hoe moeilijk het is om onderdrukte en vervolgde groepen actorschap toe te kennen. Het is kennelijk gemakkelijker om hen grootmoedig en medelijdend als slachtoffers te portretteren.

Arendt weigerde altijd consequent om dit laatste te doen. Ook in de meest duistere omstandigheden kunnen mensen zich volgens haar nog handelend manifesteren. In de artikelen bijvoorbeeld die zij na haar vlucht naar de Verenigde Staten in het Duitstalige joodse blad Aufbau schreef, vinden we een terugkerend pleidooi voor de oprichting van een eigen joods leger. ‘Wie als jood wordt aangevallen moet zich als jood verdedigen’, luidde haar mantra. En vol enthousiasme schreef zij over het joodse verzet in het door de nazi’s overheerste Europa. De impact van dit verzet schatte zij achteraf ongetwijfeld te hoog in, maar daar ging het haar in eerste instantie ook niet om. Belangrijk was dat joden handelend optraden en zich zichtbaar maakten door zich niet als slachtoffers simpelweg uit te laten wissen.

Deze consequente zoektocht naar handelende betrokkenheid van joden die vaak alleen als slachtoffers werden voorgesteld is Arendt niet in dank afgenomen. Deze leidde tot de grootste controverse in haar leven toen zij in 1961 verslag deed van het proces tegen de nazi-misdadiger Adolf Eichmann. Haar poging om met name de Joodse Raden, die de deportatie naar de vernietigingskampen moesten organiseren, als meer dan willoze pionnen in Duitse handen te beschrijven, werd hevig bestreden. Dit zou van ‘joodse zelfhaat’ getuigen, zij zou de joden zelf schuldig hebben gemaakt aan hun uitroeiing. Een onzinnig verwijt natuurlijk, maar gezien de gevoeligheden die hier spelen wel begrijpelijk.

Arendt benadrukt de politieke lading van antisemitisme. ‘Het is een seculiere, negentiende-eeuwse ideologie, duidelijk anders dan ­religieuze jodenhaat’

Dit soort gevoeligheden komt ongetwijfeld terug bij de recent verschenen studie over antisemitisme. De eerste zin hakt er meteen in. ‘Het antisemitisme is een seculiere, negentiende-eeuwse ideologie, duidelijk anders dan religieuze jodenhaat die voortkomt uit de wederzijdse vijandigheid van twee met elkaar botsende godsdiensten.’

Wat staat er precies in deze zwaar geladen woorden? In de eerste plaats maakt Arendt een onderscheid tussen de traditionele jodenhaat uit de geschiedenis van het christelijke Europa en de veel gevaarlijkere moderne ideologie van het antisemitisme. Dat laatste wil zij in haar boek begrijpen, waarbij zij wel af en toe uitstapjes maakt naar eerdere eeuwen, die zij ook intensief bestudeerd heeft. In de tweede plaats maakt zij haar volksgenoten tot meer dan de eeuwige slachtoffers van het christendom. De geschiedenis van kerk en synagoge is in Europa nauw verweven, de opkomst van het kapitalisme is bijvoorbeeld zonder het optreden van de zogeheten ‘hofjoden’ die als staatsbankiers optraden niet te begrijpen. In de derde plaats gaat het bij het antisemitisme om een variant van de seculiere ideologie van het racisme, die vanaf de negentiende eeuw tot op heden het Westen in haar greep kreeg. Antisemitisme is het eerste deel van Arendts grote studie over het totalitarisme. In Imperialisme, het tweede deel, staat het racisme, dat zich op de wetenschap en niet op de religie beroept, centraal.

Enkele pagina’s verder maakt Arendt ook korte metten met de zondeboktheorie, die in het verleden bij rampen en epidemieën steeds de joden de schuld gaf van het maatschappelijk ongeluk. Zo werden bij de pest in de Middeleeuwen de joden massaal afgeslacht omdat zij de bronnen zouden hebben vergiftigd, en kregen ze in Rusland en Oost-Europa steevast de schuld om bij hongersnoden de betrokkenheid van falende overheden af te leiden. Arendt onderkent het belang van het zondebokprincipe: mensen die anders zijn, die afwijken van de normaliteit, worden er vaak uitgepikt om maatschappelijke woede op te koelen. Net voordat Arendt haar grote studie schreef, had Sartre zijn Reflecties over het joodse vraagstuk als een soort hedendaagse zondeboktheorie gepubliceerd. Arendt wijst die sterk af. De zondebok is inderdaad vaak een onschuldig slachtoffer, maar ook hier ging het niet om een willekeurig slachtoffer wanneer het de joden betrof. Bij Sartre kun je door de vervolgers tot jood worden ‘gemaakt’. Elke verwijzing naar de eigen joodse geschiedenis die Arendt zo ter harte ging, ontbreekt bij Sartre.

Wie Arendts uitgangspunten onderkent en af en toe de misschien gekwetste gevoelens weet te overwinnen, krijgt met Antisemitisme een verrassend, vooral historisch gericht werk in handen. Maar weer moet ik waarschuwen: Arendt wijkt af van de geijkte historische benadering, die lineaire lijnen in de tijd uitstippelt. Ze zoekt vooral naar de vaak verborgen onderstromen die de opkomst van het antisemitisme zichtbaar kunnen maken. Die vindt ze in de literatuur, bijvoorbeeld bij Proust, die de positie van de joodse parvenu’s in de Parijse salons rond de vorige eeuwwisseling beschrijft, of in exemplarische personen als de jood Benjamin Disraeli, die het in het negentiende-eeuwse Engeland tot een krachtig premier en een nauwe vriend van de koningin schopte zonder zijn afkomst te verloochenen. Centraal staat hierbij voor Arendt de Dreyfusaffaire, die draaide rond het gegeven dat deze officier van de Franse Generale Staf valselijk werd beschuldigd van spionage voor aartsvijand Duitsland. De emoties tussen voor- en tegenstanders van Dreyfus liepen hoog op. Arendt ziet hierin een voorafschaduwing van het Duitse antisemitisme dat later zou uitbarsten.

Belangrijk is dat het volgens Arendt hierbij om een politieke affaire ging. Terwijl de traditionele jodenhaat zich vooral op sociaal gebied met discriminatie, uitsluiting en verdrijving manifesteerde, ging het bij de zogeheten ‘Antidreyfusards’ om een politieke beweging. Net als later in Duitsland werd dit ook door de joden zelf meestal niet ingezien. Ook al heeft Arendt zich altijd verzet tegen de stichting van Israël als een nationale joodse staat die de Palestijnen buitensloot, ze looft hier Theodor Herzl, de vader van het zionisme, die de politieke lading van het antisemitisme scherp onderkende. Een politieke ideologie vroeg volgens hem om een politiek antwoord.

Een ander terugkerend thema dat hierbij aansluit is het ontstaan van nationale staten. Vanaf de Franse Revolutie zien we in Europa een nieuw soort staat opkomen, dat exclusief bedoeld is voor de eigen nationale groep. In de rijken die Europa daarvoor, deels tot de Eerste Wereldoorlog, kende, was er plaats voor meer nationale of etnische groepen. Daar komt nu een einde aan. Bretonnen en Elzassers, Catalanen en Andalusiërs moeten Fransen en Spanjaarden worden. Plotseling is er in de nieuwe natiestaat geen ruimte meer voor joden als groep. Zij zijn bovennationaal en dus bij voorbaat verdacht.

Ik gaf het al impliciet aan: Arendts meanderende stijl en haar methodologische aanpak maken het af en toe moeilijk om de weg in haar studie te vinden. De lezer van de Nederlandse vertaling van Antisemitisme krijgt gelukkig veel extra ondersteuning. Marli Huijer schreef een verhelderend nawoord en een door de uitstekende vertaler Willem Visser toegevoegd glossarium geeft veel naslagmogelijkheden bij de grote hoeveelheid namen en begrippen waarop Arendt de lezer trakteert. En wie, zoals ik, de dikke Engelse brontekst van The Origins of Totalitarianism ernaast wil leggen, vindt de paginanummers hiervan netjes aan de zijkant van de Nederlandse bladzijden genoteerd. Kortom, Antisemitisme is een zowel toegankelijke als erudiete vertaling van een klassiek werk. Dat is hiermee overigens nog niet helemaal vertaald. Het laatste deel Totalitarisme werd al regelmatig herdrukt, het wachten is nog op deel twee, Imperialisme.