Karel V was geen Europees vorst

Zwak en meedogenloos

Op 24 februari wordt de vijfhonderdste geboortedag van Karel V herdacht. Sommigen zien de hardvochtige keizer als de grondlegger van de Europese Unie. Onzin! Karel was een vorst in Europa, geen Europees vorst.

HET VERENIGD EUROPA — wat is dat eigenlijk? Niemand die de kleuterschool met goed gevolg heeft doorlopen gelooft nog in sprookjes, maar als het gaat om het verenigd Europa steken politici, deskundigen en journalisten met droge ogen en een stalen gezicht verhalen af alsof het hier gaat om iets dat werkelijk bestaat, of zou moeten bestaan. Maar voor de doorsnee bewoner van het geografische gebied dat in de atlas wordt aangeduid met ‘Europa’ is het allemaal uiterst vaag. Europa, dat zijn toch die grijze politici die eindeloos vergaderen, decreteren en declareren; dat is toch een even ondoorzichtige als immense bureaucratie benevens een kafkaëske regelgeving die ertoe leidt dat onze IJsselmeerpolders als ‘achterstandsregio’ vette subsidies krijgen; dat is toch dat staatkundig monstrum waarin de democratische controle zeer gebrekkig is en een handig voertuig voor de ambities van Frankrijk en Duitsland?


Europa, niet als geografische aanduiding maar als ‘idee’, is de tot op zekere hoogte realiteit geworden droom van een beperkt aantal drammers. De na 1945 ontstane Europese Beweging is uitermate succesvol geweest in het tot stand brengen van iets waarop — indien op de man of vrouw af gevraagd — vermoedelijk geen enkele Europeaan zat te wachten. Hoewel de Europese Unie een feit is, de binnengrenzen formeel zijn afgeschaft en we binnenkort allemaal met hetzelfde monopolygeld zullen betalen, krijg je niet het idee dat de Europese gedachte erg leeft. Wat Europa mist, is een eigen identiteit, een eigen smoel. Zoals elk land zijn eigen nationale figuren heeft, zo zou Europa gebaat zijn met een gezichtsbepalende held, wiens portret prijkt in ieder gemeentehuis van Finland tot Spanje, van Ierland tot Oostenrijk, en die gevoelens van trots en saamhorigheid oproept.


Maar wie is geschikt om als dergelijk boegbeeld te fungeren? Sinds de monumentale Helmuth Kohl na een kinderachtige smeergeldaffaire door zijn lemen voeten is gezakt, is er geen levende staatsman die in dit opzicht bruikbaar is. Ook in het recente verleden zijn er niet echt Europese helden te vinden die tot de verbeelding spreken. En Robert Schuman dan, of Jean Monnet? Beide Fransen hebben inderdaad een belangrijke rol gespeeld in de beginfase van de Europese eenwording, maar zelfs de meeste historici weten niet meer hoe de heren eruitzagen. Echt charismatische leiders waren het niet, in tegenstelling tot hun land- en tijdgenoot Charles de Gaulle, die echter buiten Frankrijk op de nodige weerstand stuitte. En Churchill dan? Een geweldenaar, dat zeker, maar ook een typische eilandbewoner en iemand die als hij over ‘Europe’ sprak altijd gene zijde van het Kanaal bedoelde. De enige echte unificator uit de voorbije eeuw was Adolf Hitler, maar of daar nu zo’n wervende kracht van uitgaat, dat valt te betwijfelen. Zelfs Napoleon ligt nog altijd gevoelig, zodat Europese pr-officials nog verder in het verleden zullen moeten graven.


Lang geleden al hebben de propagandisten van een verenigd Europa Karel V ontdekt als ideaal boegbeeld. In 1932 publiceerde de Amerikaanse schilder en schrijver Wyndham Lewis zijn boek Charles of Europe, waarin hij pleitte voor de rekatholisering van Europa, wat zou betekenen dat dit werelddeel tevens weer een staatkundige eenheid zou worden. Volgens Lewis was Karel ‘de pleitbezorger van de oude Europese Gedachte, die nu toevallig heel modern blijkt te zijn’. Na de oorlog dook de naam van de grote keizer telkens weer op in geschriften van pan-Europeanen. Niet alleen zijn verre verwant Otto von Habsburg prees Karel als eenzame pionier van het geünificeerde Europa, ook De Gaulle zag in hem een nazaat van Karel de Grote en een voorloper van Napoleon. De Europese Beweging gaf in 1973 een penning met de beeltenis van Karel uit en in 1987 liet de Belgische regering een Karel V-munt slaan ter herdenking van de dertigste verjaardag van het Verdrag van Rome. Dat de Europese verbroedering nogal wat voetangels en klemmen kent, blijkt overigens uit het feit dat de Belgen Karel hier afbeeldden als de overwinnaar van de slag bij Mühlberg. Daar werden in 1549 de Duitse protestanten in de pan gehakt! In 1989 herhaalden de Spanjaarden deze grap. Nu op 24 februari de vijfhonderdste geboortedag van Karel wordt herdacht bestaat er wederom de neiging om de man te zien als founding father van de EU.



UITERAARD IS DIT alles grote onzin. Om te beginnen viel het rijk van Karel V niet samen met het territorium van de huidige Europese Unie. Engeland, Ierland en Zweden — om maar wat te noemen — hebben met deze Habsburger weinig te schaften, terwijl bijvoorbeeld Hongarije, Kroatië en grote delen van Amerika wel onder zijn gezag vielen. Bovendien, en dat is het belangrijkste argument, was er ook onder keizer Karel geen sprake van één rijk. Er mocht dan wel gezegd worden dat in zijn rijk de zon nooit onderging, maar dat ‘rijk’ was een ware lappendeken van gebieden die min of meer toevallig onder zijn heerschappij waren gekomen.


Door het overlijden van zijn vader Filips de Schone in 1506 erfde Karel diens titels in de Lage Landen. Een eenheid vormden deze gebieden allerminst. Nadat hij vijftien was geworden werd Karel ingehuldigd als heer der Nederlanden. De dood van zijn grootvader van moederszijde, Ferdinand van Aragon, maakte hem een jaar later koning van Spanje. In 1519 werd hij na de dood van zijn grootvader van vaderszijde meer gekocht dan gekozen tot keizer van het Heilige Roomse Rijk, dat wil zeggen de nominale leider van de hopeloze verzameling Duitse vorstendommen en -dommetjes. Tegelijkertijd zorgden de conquistadores voor een adembenemende uitbreiding van de bezittingen in Zuid- en Midden-Amerika. Deze koloniën vielen rechtstreeks onder de Spaanse kroon, of beter gezegd: onder die van Castilië, aangezien andere Spaanse volken als de Aragonezen of Catalanen zoveel mogelijk werden geweerd.


Onnavolgbare dynastieke verwikkelingen en dom toeval hadden ervoor gezorgd dat een ongelooflijke hoeveelheid territoria onder het gezag van één jongeman kwam. Omdat er dus geen sprake was van een echt, coherent rijk, was er ook geen rijkshoofdstad en dus geen administratief centrum. Zijn leven lang was Karel veroordeeld tot reizen, omdat hij van tijd tot tijd zijn gezicht moest laten zien aan al die onderdanen, die hem allemaal min of meer beschouwden als een vreemdeling. Een historicus met een ziekelijke neiging tot getallenfetisjisme heeft eens uitgerekend dat Karel, als hij tenminste nooit een veldbed heeft meegenomen, in minimaal 3200 bedden moet hebben geslapen. Ook heeft hij meer dan 120.000 brieven geschreven dan wel gedicteerd, om het zaakje nog een beetje bij elkaar te houden.


Het in stand houden van dit conglomeraat van bezittingen viel niet mee, aangezien in die tijd van langzame en problematische verbindingen, zoals Fernand Braudel het formuleerde, ‘de ruimte de grootste vijand was’. Daarnaast had Karel ook nog meer dan voldoende vijanden van vlees en bloed, al was het maar omdat hij zo verdomde hebberig was. Zijn grootste rivaal was Frans I van Frankrijk, die in 1519 eveneens een gooi naar het keizerschap had gedaan. Diens territorium werd, met uitzondering van de Atlantische kust, geheel omsingeld door Karels bezittingen. De problematische verhouding met Frankrijk was een van Karels belangrijkste aandachtspunten. De andere waren de strijd tegen de Turkse en Noord-Afrikaanse moslims en het opkomende protestantisme. In dit geheel speelden de paar lapjes grond die heden ten dage Nederland vormen een vrij ondergeschikte rol en waren ze over het algemeen niet meer dan een sluitpost in ’s keizers aandacht.


Omgekeerd heeft Karel in de Nederlandse geschiedenis nooit over belangstelling te klagen gehad. Wie nog gewoon ‘lagere school’ heeft gehad, en daarmee ordentelijk geschiedenisonderwijs, kent ongetwijfeld de plaat van Isings die de abdicatie van Karel als heer der Nederlanden in 1555 voorstelt. Heel het drama dat hierop zou volgen is in deze prent samengebald: de oude, afgeleefde en in het zwart geklede Karel kan nauwelijks op zijn benen staan en moet worden ondersteund door de jonge, in een elegant harnas gestoken en ernstig kijkende Willem van Oranje. Naast de oude keizer staat, enigszins verloren, de handen gevouwen en hooghartig toekijkend, zijn opvolger: Filips II. Twee mannen die elkaar later op leven en dood zouden bestrijden, staan aan weerskanten van een afgesloten tijdperk en de schilder maakt heel duidelijk wie volgens hem het meeste vertrouwen van de vertrekkende vorst genoot.



Dat was in 1555. Daarna pas, in de jaren zestig, zou het echt misgaan: de gruwelijke kettervervolgingen, het hooghartig afwijzen van het Smeekschrift der Edelen, de onthoofding van Egmond en Hoorne, de strafexpeditie van Alva en de schier eindeloze Tachtigjarige Oorlog. Maar dat was allemaal onder Filips II. Wat had Karel V hiermee te maken? Het lijkt een beetje op de discussie in hoeverre Lenin verantwoordelijk kan worden gesteld voor de misdaden die onder Stalin werden begaan. Velen hebben lang geprobeerd Lenin van alle schuld vrij te pleiten en sommigen doen dat nog, hoewel er niet meer de geringste twijfel bestaat aan het totalitaire en misdadige karakter van Lenin. Stalin maakte het ‘karwei’ dat onder Lenin begonnen was op zijn eigen manier af, Filips II probeerde hetzelfde te doen met het beleid van zijn vader. In Brussel stonden de eerste ketters al in 1523 op de brandstapel, twee jaar later werd in Den Haag de Woerdense pastoor Jan de Bakker gewurgd en vervolgens verbrand. De ene anti-ketterverordening volgde op de andere en het beruchte ‘bloedplakkaat’ uit 1550 was zo streng dat de autoriteiten de grootste problemen hadden met wat tegenwoordig de ‘handhaafbaarheid’ heet.


In het protestants-christelijk onderwijs werden de wandaden en het nare karakter van Filips II zo zwaar aangezet — je kon de brandstapels bijna ruiken en ik moet toegeven dat ik een tijdlang met zekere tegenzin bij onze katholieke buren op bezoek ging — dat het oordeel over Karel V relatief mild uitviel. Wel werd er uitdrukkelijk op gewezen dat de keizer onvoldoende oor had gehad voor de zeer terechte grieven van Luther en dat hij begonnen was met de bloedige onderdrukking van de brave protestanten. Mijn katholieke buurjongetjes zullen ongetwijfeld een ander verhaal te horen hebben gekregen — van hun bewering dat de geuzen zeer schandalig waren omgesprongen met de ‘martelaren van Gorkum’ geloofde ik geen barst — maar dat wil niet zeggen dat Nederlandse katholieke historici volstrekt kritiekloos waren.


Zo was het portret dat de katholieke historicus L.J. Rogier in zijn uit 1952 daterende standaardwerk Eenheid en scheiding: Geschiedenis der Nederlanden 1477-1813, van Karel schetste allesbehalve flatteus. De jonge vorst leek ‘verre van intelligent en maakte met zijn als een wijwaterbakje vooruitstekende kin, zijn bijna doorlopend openhangende mond, de lege blik van zijn uitpuilende ogen in een bleek gezicht een onaantrekkelijke, bijna wezenloze indruk, die in velen onmiddellijk de gedachte aan zijn zwakzinnige moeder moet hebben opgeroepen. Hij wás ook maar zwak begaafd naar geest en lichaam, leerde in zijn jeugd langzaam, sprak lispelend en moeilijk, beheerste alleen de Franse taal behoorlijk, had enige schamele kennis van het Latijn, kende van het Nederlands zoveel, dat hij het kon verstaan en er gebrekkig een paar zinnen in kon zeggen, en verstond van het Duits, het Italiaans en het Spaans — de talen van zijn andere landen — bijna niets.’


Op het moment dat je je afvraagt hoe het mogelijk was dat men zo’n heerser serieus nam, voegt Rogier hier echter aan toe: ‘Hij bezat de wijsheid die boven intelligentie uitgaat, een plichtsbesef dat hem nooit enige taak deed afwijzen, en ten slotte dat wonderlijke geloof in zichzelf waarmee hij zich boven alle kritiek verheven wist en waardoor hij te allen tijde de rest en het evenwicht behield. Zo slaagde deze weinig begaafde en onbevallige vorst erin vooraan te zijn en te blijven onder de krijgslieden en de diplomaten van zijn tijd, te excelleren onder tallozen van veel grotere begaafdheid. Nooit moet deze monarch het bewustzijn verlaten hebben dat hij de eerste van alle schepselen op aarde was, dat niemand boven hem was dan God alleen.’


Over de vraag in hoeverre Karel V verantwoordelijk kan worden gesteld voor wat er na zijn aftreden zou gebeuren, is Rogier duidelijk. Karels terechte streven het middeleeuwse systeem van belastingen te vervangen door een moderner stelsel, gecombineerd met het feit dat zijn oorlogen ongelooflijk veel geld kostten, en tot slot de uiterst repressieve politiek ten opzichte van religieuze nieuwlichters, vormden een voedingsbodem voor de revolutie die in de jaren zestig onder Filips II zou uitbreken.



Het scherpe maar bezonken en genuanceerde oordeel van Rogier maakte bij de grote Louis Paul Boon plaats voor een vlammend requisitoir. In zijn van woedende verontwaardiging bijkans uit elkaar barstende en kort voor zijn dood in mei 1979 voltooide Geuzenboek laat Boon niets heel van het beeld van de strenge doch rechtvaardige vorst. Gelijk op de eerste bladzijde wordt de toon gezet. Voor de geboorte van Karel greep Boon terug op een oud Vlaams volksverhaal dat luidt dat zijn moeder, Johanna van Castilië, de weeën verwarde met die andere aandrang die men in de onderbuik kan voelen: ‘Het was belachelijk, grotesk en afschuwelijk: uit de vuilnis van een nachtpot moest men deze oprapen die de grote Keizer Karel zou worden, de laatste vorst van het grote Bourgondische Rijk, de heerser die met aan niets te vergelijken hoogmoed zou zeggen: “In mijn land gaat de zon nooit onder.”’


Om zijn weerzin tegen Karel, die alleen werd overtroffen door zijn haat jegens diens psychopathische zoon, duidelijk te maken, haalde de oude anarchist Boon alles uit de kast. Walgend beschrijft hij de vreet- en zuippartijen van de vorst, die ervoor zorgden dat deze al heel jong werd geplaagd door talloze kwalen. Geen lichamelijk detail, zoals ‘de fistel in zijn aarsgat’, blijft ons bespaard en volgens Boon kende Karel ‘in het voldoen zijner vleselijke driften noch maat noch kiesheid’.


Op de schitterende tentoonstelling te Gent over het beeld van Karel V in de negentiende-eeuwse schilderkunst hangen meerdere werken die de 21-jarige vorst tonen in de kraamkamer van zijn minnares Johanna van der Ghynst. Dit eenvoudige volksmeisje uit Oudenaarde zou volgens de overlevering gevallen zijn voor de jonge Karel. Uit hun liefdesspel zou de latere Margaretha van Parma worden geboren. Ontroerend zijn de scènes met het jonge paar boven het wiegje van de latere landvoogdes. Boon schetste een ander, evenmin wetenschappelijk bewezen maar wel realistischer beeld: de nimmer verzadigde heerser, ‘volgepropt met gans en kalkoen, met taart en fruit en verhit door het overmatig drinken, eiste voor zijn nachtelijk bed een jong en nog onschuldig ding, waarop hij zijn stootkracht kon beproeven alsof hij niet een maagdenvlies maar een poort der stad Doornik moest openbeuken’.


Toch brengt zelfs Boon enige relativering aan in het door hem zo gruwelijk geschetste beeld: ‘Hij was een slecht mens, maar in de samenhang van de wereld waarin hij leefde kon hij niet abnormaal afschuwelijk worden genoemd. Alles was afschuwelijk in deze tijd.’ Boons boek, waarin ook Willem van Oranje niet erg lijkt op de ‘Vader des Vaderlands’ die hier vroeger vereerd werd, heeft uiteraard geen wetenschappelijke pretenties en is ongehoord eenzijdig, maar het is ongetwijfeld een reactie op het volstrekt onrealistische en vals-zoete beeld dat jarenlang in België van Karel werd geschetst.



KAREL V WAS in de negentiende eeuw razend populair in het piepjonge Belgische koninkrijk. Het eeuwenlang door vreemde mogendheden bezette landje, dat ook nog uiteenviel in twee verschillende talen sprekende bevolkingsgroepen, had nauwelijks een nationale identiteit. Bij ontstentenis van echte Belgen, en met een Duitse koning, kon keizer Karel uitgroeien tot het symbool van de oer-Belg. Want hij was geboren in Gent en had met de Pragmatieke Sanctie van 1549 de zeventien gewesten der Lage Landen aaneengesmeed tot een staatkundig geheel. Dat die Hollanders zich later hadden losgemaakt was een ander verhaal. Keizer Karel werd gezien als een Belgisch vorst, op wie men trots kon zijn. Dat zijn bewind hard en vaak vernederend was deed daar niets aan af.


Goed beschouwd was die populariteit, die zich onder meer uitte in allerlei vrolijke en boertige volksverhalen waarin keizer Karel een rol speelde, vooral te danken aan het optreden van Filips II. Na de gruwelen die vanaf de jaren zestig over de Vlaamse en Waalse gewesten spoelden leek de periode 1515-1555 bijkans idyllisch. Het zal niet verbazen dat dit in Spanje lange tijd precies omgekeerd lag. Daar werd Karel gezien als een buitenlander, een barbaar die de Spaanse verfijning miste en die zich omringde met lompe, noordelijke raadgevers. Nee, dan Filips II, dat was tenminste een echte Spanjaard, een felle en fanatieke katholiek die oog had voor de belangen van zijn geboorteland.


Ook in Duitsland was het beeld van Karel lange tijd vrij negatief. Van Filips hadden ze daar niet zo veel last gehad aangezien die zijn vader niet was opgevolgd als Duits keizer. Wat ze daarentegen Karel vooral kwalijk namen, was dat hij de Duitse belangen onvoldoende had behartigd en door zijn starre houding ten opzichte van het lutheranisme bijgedragen had aan de vergaande desintegratie van het Duitse Rijk. Karel werd eigenlijk gezien als de man die verantwoordelijk was voor de bloedige oorlogen die Duitsland in de zestiende en zeventiende eeuw teisterden en die het land voor lange tijd degradeerden tot rampgebied.


Elk land had zijn eigen Karel V. Tot ver in de twintigste eeuw speelden historici een belangrijke rol in het creëren van een nationale identiteit en waren hun boeken in meer of mindere mate nationalistische propagandageschriften. Ook Karel V moest daarin zijn plaats krijgen. Hoewel de moderne historicus evenmin vrij is van vooroordelen, speelt als het goed is het nationalistisch motief een wat minder overheersende rol. Omdat Karel niet de heerser was over één land maar over een zeer uitgestrekt rijk, kan een niet-nationalistische invalshoek een beter begrip van zijn persoon alleen maar ten goede komen.



DE OOSTENRIJKSE historicus Alfred Kohler beschrijft in zijn recente biografie — de eerste wetenschappelijke levensbeschrijving van Karel sinds 1937 — een vorst die zich geleidelijk ontwikkelde tot de machtige heerser die hij was. De jonge Karel van Gent werd in zijn jeugd steeds hoger in rang. Van heer der Lage Landen tot koning van Spanje tot Duits keizer. Met elke stijging in rang gingen ook de ambities van Karel omhoog, terwijl de complexiteit van zijn taken onmenselijke proporties aannam. Kohler beschrijft dit proces vrij nauwkeurig en laat zien in welke mate Karels karakter en zijn lichaamskwalen van invloed waren op zijn beslissingen. Mateloos, meedogenloos, overtuigd van zijn gelijk — deze karaktertrekken maakten, samen met de intensieve lectuur van Machiavelli, Karel tot een ongenaakbaar heerser die ieder compromis afwees.


Hoewel Karel gedenkschriften heeft geschreven en er meer dan honderdduizend brieven bewaard zijn gebleven, weten we nog altijd niet veel van hem. De memoires vertellen weinig over zijn persoon en de correspondentie was bijna geheel zakelijk van aard. Ook getuigenissen van mensen uit zijn omgeving leveren relatief weinig op, omdat uiteraard niemand met hem een relatie op basis van gelijkwaardigheid had. Vandaar dat het hedendaagse onderzoek zich heel sterk richt op de functie van Karel V, op de context waarbinnen hij opereerde, of de beeldvorming door de eeuwen heen.


In het prachtig uitgegeven, rijk geïllustreerde, door Hugo Soly geredigeerde boek Karel V: De keizer en zijn tijd, houdt een keur van prominente onderzoekers zich bezig met deze onderwerpen. Immanuel Wallerstein plaatst Karel in het kader van wat hij noemt de opkomst van het ‘moderne wereldsysteem’, de wereldwijde kapitalistische economie. Volgens hem vormde de zestiende eeuw een uiterst belangrijke fase in deze ontwikkeling, omdat de snelle ‘globalisering’ als gevolg van de ontdekkingsreizen gepaard ging met de opkomst van nationale staten. Karel V onderkende deze ontwikkelingen niet en realiseerde zich dus ook niet dat het vestigen van één allesomvattend rijk onmogelijk was.


Het boek bevat verder zeer informatieve hoofdstukken over Karels godsdienstpolitiek, de verhouding tot zijn onderdanen en de politieke verhoudingen. De vermaarde renaissancekenner Peter Burke benadert Karel met een begrip dat tegenwoordig onder historici steeds populairder wordt, namelijk de ‘representatie’ van de vorst. Hoe keek Karel naar zichzelf en hoe wilde hij gezien worden? Hoe werd zijn image aan de man gebracht, hoe bewust werd er aan beeldvorming gedaan en wat kwam daarvan terecht? In Burkes optiek is Karel veel minder een historische figuur dan een ‘ruimte’ waarbinnen anderen optreden. De keizer werd omringd door een hele zwerm ‘managers’, die allemaal hun eigen agenda hadden. Interessant is ook dat die beeldvorming niet volledig uit de lucht kwam vallen, maar dat uiteraard gebruikt werd gemaakt van tal van oude tradities, waarbij de beeldende- en toegepaste kunsten de hoofdrol speelden. Zo vormt de propagandamachinerie rond Karel in feite een brandpunt van het hele culturele leven van de late Middeleeuwen en de Renaissance.


Na zijn dood ging die beeldvorming natuurlijk gewoon door. De reeds genoemde tentoonstelling van negentiende-eeuwse historieschilderijen laat dat heel mooi zien. En nog altijd is Karel een dankbaar object om tentoonstellingen over te organiseren, culturele manifestaties aan op te hangen, of gewoon een feestje omheen te bouwen. Alleen al in Gent worden vanaf september vorig jaar meer dan honderd evenementen rond het Keizer Karel-jaar georganiseerd — variërend van tentoonstellingen, sportwedstrijden, concerten en mysterieuze, de verbeelding op hol brengende manifestaties als ‘sneukeltochten’.


Voor horeca en middenstand is de oude Karel een uitkomst. Als politiek uithangbord is hij evenwel duidelijk minder geschikt. Daarvoor verschillen de politieke verhouding uit zijn tijd, goddank, toch te veel van die van ons, al moet gezegd dat de recente geschiedenis van de Balkan taferelen heeft laten zien die in die ‘afschuwelijke’ zestiende eeuw niet zouden hebben misstaan. De Europese Unie kan dus niet zoveel met deze oude keizer. Karel was een vorst in Europa, geen Europees vorst. Het ging hem en zijn tijdgenoten veel minder om een staatkundige of economische eenheid dan om de eenheid van de christenheid. Het enig ware geloof, dat van de heilige Roomse moederkerk, diende te zegevieren over de hele wereld. Misschien was dit nog niet echt haalbaar, maar definitief afzien van het ideaal, het sluiten van compromissen, het tolereren van andere overtuigingen, dat was allemaal uitgesloten. Alleen al uit het oogpunt van public relations kan het Verenigd Europa beter een ander boegbeeld kiezen dan Karel V.



Hugo Soly (red.), Karel V, 1500-1558. De keizer en zijn tijd. Mercatorfonds, 529 blz., ƒ235,-; Alfred Kohler, Karl V. 1500-1558. Eine Biographie. Verlag C.H. Beck, 424 blz., ƒ76,- (importeur Nilsson & Lamm); Robert Hoozee, Jo Tollebeek, Tom Verschaffel (red.), Mis-en-scène. Keizer Karel en de verbeelding van de negentiende eeuw. Mercatorfonds, 319 blz., ƒ107,-. In maart verschijnt bij uitgeverij Balans een biografie van Karel V door W.P. Blockmans.


De tentoonstelling Mis-en-scène is nog tot 19 maart te zien in het Museum voor Schone Kunsten van Gent; de historische tentoonstelling over Karel V die tot eind januari eveneens te Gent werd gehouden, is tot 21 mei te zien in de Kunst- und Ausstellungshalle der BRD te Bonn en reist daarna door naar Wenen en Toledo.