Al-Qaeda 2013

Zwakke broeders?

Al-Qaeda beleeft een wederopstanding, concludeerden verschillende media nadat de VS eerder deze maand een reeks ambassades sloten. Staat het terreurnetwerk er inderdaad beter voor dan ooit?

Medium rtx12vpuweek35

Eind deze week zullen twee wereldwijde veiligheidswaarschuwingen verlopen voor aanslagen door al-Qaeda. De eerste waarschuwing kwam uit Washington. De Amerikaanse regering sloot begin augustus plotseling ambassades in het hele Midden-Oosten en waarschuwde haar burgers voor mogelijke aanslagen in de hele wereld. Bondgenoten als Nederland troffen hun eigen voorzorgsmaatregelen. Aanleiding was ‘de duidelijkste en ernstigste terreurdreiging in jaren’, volgens een Amerikaanse afgevaardigde die door veiligheidsdiensten was bijgepraat. Al-Qaeda-leider Aiman al-Zawahiri zou de al-Qaeda-tak in Jemen het groene licht voor een aanslag hebben gegeven. De tweede waarschuwing kwam uit Lyon, uit het hoofdkwartier van Interpol. Volgens de internationale politiedienst is wereldwijd het risico van aanslagen gegroeid doordat er in de afgelopen driekwart jaar honderden militanten van al-Qaeda uit gevangenissen zijn ontsnapt bij goed gecoördineerde bevrijdingsacties in Libië, Irak en Pakistan. Al-Qaeda zou hen snel in actie willen laten komen, voordat zij weer tegen de lamp lopen.

Vooral de waarschuwing uit Washington en de sluiting van de Amerikaanse ambassades hebben kennelijk indruk gemaakt. Als al-Qaeda westerse regeringen nog steeds zo kan ontregelen, schreef de Britse krant The Telegraph, ‘is het duidelijk dat het terreurnetwerk nog lang niet verslagen is’, en ‘een aanzienlijke bedreiging vormt voor onze veiligheid’. Al-Qaeda, concludeerde The Telegraph, ‘ondergaat kennelijk een renaissance’. Grote Amerikaanse media als The Wall Street Journal en ABC concludeerden hetzelfde.

De redenering dat al-Qaeda ‘kennelijk’ een wederopstanding beleeft als de Verenigde Staten waarschuwingen afgeven, klopt natuurlijk niet. Bovendien was alle paniek nogal buitensporig, omdat de aanslag die werd gevreesd een aanval op Amerikaans ambassadepersoneel betrof, analoog aan de aanslag van vorig jaar waarbij een Amerikaanse consul werd gedood in de Libische stad Benghazi. Een ‘nieuw 9/11’ zou dat dus zeker niet zijn. De reactie van de regering-Obama op de nieuwste dreiging had dan ook meer te maken met alle kritiek die zij kreeg na de aanslag in Benghazi dan met de omvang van de gevreesde aanslag.

Maar dat laat onverlet dat er onder deskundigen ook vóór de beroering van begin augustus een discussie was begonnen over de vraag hoe al-Qaeda er nu, twaalf jaar na ‘9/11’, eigenlijk voor staat. Nadat Osama bin Laden twee jaar geleden door Amerikaanse commando’s in Pakistan werd gedood, wist al-Qaeda daar geen wraak voor te nemen. Sterker nog, alleen maar meer leiders werden na degelijk speurwerk gevangen genomen of met drone-aanvallen gedood. Vorig jaar begonnen Amerikaanse politici, en ook Obama’s woordvoerder zelf, daarom voor het eerst te verkondigen dat al-Qaeda ‘bijna’ verslagen was, of dat de overwinning op al-Qaeda ‘binnen handbereik’ lag.

Belangrijke analisten waren het daarmee eens. Peter Bergen bijvoorbeeld, een journalist die in 1997 al een documentaire maakte over Bin Laden en die nu onderzoeksdirecteur is bij de denktank New America Foundation. Bergen schreef regelmatig onomwonden dat al-Qaeda verslagen was en merkte met plezier op dat hij zich voelde ‘als een sovjetdeskundige in 1989’. De Amerikaanse regeringsadviseur en hoogleraar militante islam Will McCants schreef dat al-Qaeda nergens ter wereld meer een stuk grondgebied stevig in handen heeft, en dat de organisatie in alle landen waar zij aanwezig is wordt opgejaagd en gedwongen ondergronds te gaan.

Maar tegengeluiden zijn er ook. De veel geciteerde hoogleraar Bruce Hoffman denkt dat de vele drone-aanvallen op al-Qaeda-leiders en -verdachten ‘een vals gevoel van veiligheid’ verstrekken, en dat ze zeker niet betekenen dat de dreiging van al-Qaeda voorbij is. Zijn collega Mary Habeck schreef eerder voor Foreign Policy dat ‘elke netto-afweging van al-Qaeda tot de conclusie moet leiden dat de groep, ondanks haar onmacht om een nieuwe grote aanslag in de VS uit te voeren, op wereldschaal er veel beter voor staat dan tijdens welk moment dan ook in haar geschiedenis’. En ex-cia-analist Bruce Riedel, nu onderzoeksdirecteur bij denktank Brookings, schreef dat er ‘anno 2013 meer al-Qaeda-cellen en -afdelingen zijn dan ooit, vanwege de chaos die volgde op de Arabische lente’.

Veel hangt in dit debat af van de vraag wat we onder ‘al-Qaeda’ moeten verstaan. De groep die door Bin Laden werd opgezet, met zijn kampen in Afghanistan en Pakistan en zijn slapende cellen in Hamburg, Londen en andere steden, heeft de afgelopen twaalf jaar ontegenzeggelijk enorm aan kracht ingeboet. Bin Laden zelf is natuurlijk dood en zijn opvolger Aiman al-Zawahiri heeft een reputatie te verliezen als on-inspirerende bemoeial. Als het inderdaad klopt dat een persoonlijke goedkeuring van Zawahiri voor een aanslag in Jemen onderschept is, bevestigt dat alleen maar het beeld dat hij een inefficiënte terroristenleider is. Daarnaast zijn vele al-Qaeda-militanten gevangen genomen, gedood of zelfs (in het geval van Saoedi-Arabië) bekeerd tot vreedzaamheid. Natuurlijk opereert al-Qaeda in het geheim en is er niets met zekerheid te zeggen over de kracht van het netwerk, maar zeker is dat al-Qaeda sinds de aanslagen in Londen van 2005 geen grote aanslag in het Westen meer heeft kunnen uitvoeren.

‘Het al-Qaeda van 2001, dat de aanslagen van 11 september uitvoerde, was een organisatie met een gedetailleerde boekhouding, een strikte commandostructuur en verschillende comités en subcomités. Van dat al-Qaeda is weinig meer over’, zegt Steve Coll, een veelbekroonde Amerikaanse journalist en schrijver van boeken over Bin Laden en de cia-bemoeienis in Afghanistan, in antwoord op telefonische vragen. ‘Deze “kern-al-Qaeda” is gedecimeerd door de oorlogen na 2001. De capaciteit om op grote schaal te plannen, communiceren en coördineren is zij kwijt. De vraag of die kerngroep verslagen is, is belangrijk. Het Amerikaanse Congres verleende de Amerikaanse regering uitgebreide mogelijkheden om oorlog te voeren om de aanslagplegers van 9/11 te bestrijden. De vraag is dan: wanneer is deze oorlog voorbij?’

Het antwoord daarop is moeilijk te geven, omdat deze ‘kern-al-Qaeda’ al lang niet meer alleen staat. In de afgelopen twaalf jaar zijn er lokale afdelingen bij gekomen in andere landen, die soms worden voorgesteld als ‘franchises’ die het bedrijfsconcept van de ‘kern-al-Qaeda’ hebben overgenomen. Als die lokale takken van al-Qaeda worden meegenomen in de afweging ontstaat er een heel ander perspectief op de kracht van het netwerk. Waar al-Qaeda in 2001 opereerde vanuit een handvol kampen in één land (Afghanistan), is ze nu actief in een reeks andere landen: Pakistan, Jemen, Somalië, Nigeria, Mali, Irak en Syrië. In delen van die landen vormen de lokale al-Qaeda-groepen schaduwregeringen die de sharia opleggen. In Afghanistan, Irak, Syrië en Mali vechten hun soldaten oorlogen uit, in de andere plegen ze aanslagen. Het Westen mag dan al een tijd geen aanslagen hebben gezien, in Pakistan waren er deze zomer zeventig in zeventig dagen. In elk islamitisch land waar de regering is verzwakt probeert al-Qaeda verder voet aan de grond te krijgen, zoals in Libië en Tunesië. Het is om die redenen dat al-Qaeda er volgens Mary Habeck zo goed voor staat: ‘Het meest veelzeggend is nog dat al-Qaeda actief is – soms zwak, soms sterk – in elk land met een moslimmeerderheid ter wereld.’

Paradoxaal genoeg is het dus allebei waar: dat al-Qaeda ernstig verzwakt is én dat al-Qaeda er beter voor staat dan twaalf jaar terug. Welk perspectief iemand prefereert, hangt ervan af of iemand vooral kijkt naar de dreiging voor westerse landen en naar de originele al-Qaeda van Bin Laden cum suis, of naar de wereldwijde positie van de originele groep plus al haar lokale afsplitsingen. De meest prominente daarvan is wellicht de Jemenitische tak van al-Qaeda (‘al-Qaeda op het Arabisch Schiereiland’), die al tweemaal probeerde een vliegtuig op te blazen boven de VS. De cia vermoedt dat hun bommenmaker experimenteert met nieuwe bomontwerpen (er wordt bijvoorbeeld gespeculeerd over vloeibare explosieven die in kleding kunnen oplossen). De Iraakse poot leverde enkele jaren openlijk strijd met Amerikaanse troepen en heeft meegewerkt aan de oprichting van een afsplitsing in Syrië. Die groep, Jabhat-al-Nusra, trekt honderden vrijwilligers per maand aan en heeft een groeiende rol in de Syrische burgeroorlog. Minder prominente loten van al-Qaeda opereren in Mali, Somalië en Nigeria.

‘Het is altijd zo geweest dat sommige groepen van al-Qaeda dichter bij de mondiale oorlogsmissie van Bin Ladens groep stonden en andere meer neigden naar lokale strijd of naar criminaliteit’, zegt Coll. ‘De Jemenitische groep lijkt in ambities en communicatie het dichtst bij de kern-al-Qaeda te staan. Ze werken met een lijst Amerikaanse en Europese doelen en bestaan uit geradicaliseerde Saoediërs en Jemenieten. Die vormden ook de ruggengraat van Bin Ladens groep. De groep in Irak is nauw verbonden met de strijd tussen soennieten en sjiieten daar. Er is al heel lang frictie tussen Al-Zarkawi en de Iraakse poot over hun doelen. De Syrische groep is nu een lokaal leger, maar het is te verwachten dat ze hun ambities breder maken als er een einde komt aan de oorlog in Syrië. Nu hebben ze er geen belang bij om van de VS en Europa een vijand te maken, maar als de oorlog stopt, zal het niet lang duren voor ze Amerikaanse doelen in hun buurt in het vizier nemen.’

Bij al deze groepen is het de vraag of we hier nog werkelijk te maken hebben met al-Qaeda of met groepen die alleen dat label gebruiken. Coll pleit voor een beperkt gebruik van de naam. ‘Sommige groepen die zich al-Qaeda noemen, lijken meer op de Siciliaanse maffia dan op de groep van Bin Laden’, zegt hij. ‘De Malinese groep was gewoon een bende kidnappers die een paar jaar geleden bedachten dat ze meer losgeld konden krijgen van westerse landen en bedrijven als ze zich “al-Qaeda in de Islamitische Maghreb” noemden. Uit documenten die in Bin Ladens schuilplaats werden gevonden, blijkt dat hij soms bijna wanhopig probeerde met hen in contact te treden, een keer zelfs via open radioboodschappen. Ook al-Shabaab, de Somalische tak die claimt deel uit te maken van al-Qaeda, communiceert weinig met de kern, net als het Nigeriaanse Boko Haram. Als we elke groep radicale islamieten die zin heeft om zich al-Qaeda te noemen direct beschouwen als urgente dreiging, dan zijn we gegarandeerd verzeild in een oneindige oorlog.’

Het blijft evenwel een lastige afweging. In een document van de Malinese al-Qaeda-tak, dat door Franse commando’s werd bemachtigd, drukte de lokale leider van de groep zijn volgelingen op het hart dat het ‘beter is om te zwijgen en te doen alsof we een “lokale” beweging zijn, dan duidelijk te maken dat we een expansionistisch, jihadistisch al-Qaeda-project hebben of iets in die richting’. Alle geijkte analyses over de lokale aard van de al-Qaeda-takken stonden met die zin direct weer op losse schroeven.


Beeld: Khaled Abdullah/Reuters