Richtingenstrijd in politieke partijen

Zwalkende koersen, botsende karakters

De PvdA hoopte de komende jaren rustig te kunnen werken aan herstel van de organisatie, koers en misschien aan een wisseling van het leiderschap. Door de kandidatuur van Jan Pronk dreigt echter eenzelfde richtingenstrijd die D66 en VVD eerder bijna de das omdeed.

Na de negen zetels verlies bij de Tweede-Kamerverkiezingen van vorig jaar moet er binnen de PvdA wel wat aan herstel gebeuren, ook al zit de partij nu in de regering. Toen oud-minister Jan Pronk twee weken geleden zijn vinger opstak voor het partijvoorzitterschap, vervloog de hoop dat dit herstelproces rustig zou kunnen verlopen. Sommigen vrezen zelfs het ergste: Pronk als voorzitter, dat is het laatste zetje richting de afgrond.

Het lijkt wel alsof de politieke partijen de laatste jaren geen derden meer nodig hebben om zichzelf tot bloedens toe te verwonden met interne ruzies. De oorzaak voor die strijd ligt in de – vertwijfelde – zoektocht naar twee heilige gralen die elkaar voortdurend onderling in de weg zitten. Enerzijds de gunst van de zwevende kiezer, die grote, zeer diverse, steeds groeiende groep waarnaar steeds meer partijen tegelijkertijd op zoek zijn. Anderzijds concrete oplossingen voor de grote maatschappelijke en politieke problemen, die recht doen aan de uitgangspunten van de partij én de veranderende werkelijkheid niet uit de weg gaan. Een strijd, grof gezegd, tussen principes en opportunisme.

Eigenlijk leek de PvdA deze dans van interne partijruzies tot nu toe te ontspringen. Weliswaar was er het vertrek van lijsttrekker Ad Melkert na de verkiezingsnederlaag in 2002, het jaar waarin de partij 22 zetels verloor. Maar de interne verkiezing van Wouter Bos tot de nieuwe eerste man verliep rustig, ook al waren er meer kandidaten.

In het licht van wat er bij andere partijen gebeurde mag dat opmerkelijk heten. De mogelijke verklaringen zijn dat de PvdA toen nog murw was van de klap die de kiezer had uitgedeeld, dat de kandidaten voor het lijsttrekkerschap te gelijksoortig waren en dat nog onvoldoende was geanalyseerd waar het verlies aan te wijten was – waardoor er nog weinig discussie had kunnen ontstaan over de koers. De winst van negentien zetels die de PvdA het jaar daarop onder Bos’ leiding boekte, consolideerde de rust. Ten onrechte, zo is inmiddels de analyse na het zetelverlies van vorig jaar.

Bij andere partijen was de uitkomst van het proces heel anders. De reeks interne ruzies begon bij het CDA, in 2001. Een politiek koningsdrama dat toevallig opvlamde maar eigenlijk precies op tijd kwam: de gedoodverfde lijsttrekker Jaap de Hoop Scheffer en de partijvoorzitter Marnix van Rij, de twee kemphanen, ruimden na de ruzie beiden het veld. Jan Peter Balkenende werd de nieuwe leider. De huidige minister-president werd niet tot lijsttrekker gekozen door de CDA-achterban, overigens, maar door de fractie en het partijbestuur. Balkenende had in de oppositiejaren van het CDA met anderen in de partij – onder wie de huidige minister van Volksgezondheid Ab Klink – hard gewerkt aan de formulering van CDA-oplossingen voor vraagstukken als de globalisering en de vergrijzing. Hij was met die vernieuwing veelvuldig naar de achterban gegaan. Dat bleken belangrijke factoren in de snelheid waarmee de crisis kon worden bezworen en de rust binnen de partij kon wederkeren. De aanhangers van de directe interne partijdemocratie horen het misschien niet graag, maar de CDA-werkwijze is voor elke politieke partij die wil nagaan hoe ze in het begin van de 21ste eeuw haar leden het best bij de partij kan betrekken, het onderzoeken waard.

Want hoe anders verging het de kabinetspartners van het CDA in het vorige kabinet. Binnen de VVD en D66 werd maandenlang, in meer of mindere mate openlijk, tot op het bot gevochten. De eerste openlijke strijd om het leiderschap van de liberalen was onverkwikkelijk en ook al heeft Mark Rutte die strijd gewonnen, de VVD kent eigenlijk alleen maar verliezers.

Op het oog leek D66 netter ruzie te maken, maar binnenskamers ging het er ook in deze partij hard aan toe. D66 werd vervolgens door de kiezer gehalveerd.

De twee interne ruzies zijn niet één op één met elkaar te vergelijken. Maar er zijn wel overeenkomsten. Uiteraard gingen ze over de macht, maar verder – ook al werd dit graag ontkend – met name over de koers van de partij, over de toon waarop die koers voor het voetlicht moest worden gebracht, over het fatsoen waarmee je met elkaar omgaat, over de partijregels en over de manier waarop je in een democratie je verlies neemt. De directe verkiezing van een lijsttrekker is in deze gevallen een gevaarlijk speeltje gebleken als daarnaast niet is gewerkt aan goed doordachte ideeën voor het partijprogramma, aan het doordrenken van de eigen achterban van die ideeën, aan het rekruteren van goede nieuwe mensen en het opleiden daarvan tot het vak van politicus.

Een deel van de PvdA-leden vreest nu door de komst van Jan Pronk als partijvoorzitter ook heibel in hun tent. Pronk is als kandidaat voor het voorzitterschap nog niet betrapt op een opmerking over de partijorganisatie of het rekruteren en opleiden van nieuwe politici, iets waar hij zich als partijvoorzitter om zou moeten bekommeren. Wel heeft Pronk meteen al kritiek geleverd op de koers van de partij, en dat is in de taakverdeling het terrein van de partijleider, Wouter Bos. Bovendien vrezen Pronks tegenstanders een botsing van beider karakter.

Pronk steekt niet onder stoelen of banken dat hij droomt van de gloriejaren van de PvdA ten tijde van Joop den Uyl. Voor de goede orde: dat was in de jaren zeventig, dertig jaar geleden. Toen Den Uyl in 1977 de verkiezingen glansrijk won, maar de formatie verloor, waren nog achttien van de huidige PvdA-fractieleden te jong om te mogen stemmen. En toen Den Uyl overleed, in 1987, hadden acht van de huidige fractieleden de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt. Joop Den Uyl, dat is voor het overgrote deel van de fractie geschiedenis. Net als Willem Drees, en de jaren vijftig.

Maar Pronk droomt nog van de tijd toen hij als 31-jarige in de politiek begon. Het was de tijd waarin allochtonen nog gastarbeiders heetten, hun geloof nog geen rol speelde, laat staan angst opriep, de grootste vijand de Russen waren en de meeste kinderen opgroeiden in ongebroken gezinnen. Een tijd die andere problemen kende dan nu en dus om andere oplossingen vroeg. Ook daarom zijn de tegenstanders van Pronk tegen zijn voorzitterschap: ze denken dat hij niet de antwoorden op de vragen van deze tijd heeft, of dan toch minstens niet de door hen gewenste antwoorden.

Pronk was er niet alleen al bij in de tijd van Den Uyl, maar ook nog lang daarna, ook toen de partij onder Wim Kok haar ideologische veren verloor. Hij stapte pas op toen de PvdA bij de verkiezingen van 2002 een ongelooflijk pak slaag kreeg van de kiezer. Dat pak slaag was voor de hele PvdA bedoeld – dus ook voor minister Pronk.

Het zijn de heel jonge partijleden, die nog in de luiers lagen toen Den Uyl overleed, die Pronk nu gevraagd hebben zich te kandideren voor het voorzitterschap. Vanwege zijn ervaring en zijn passie. Pronk zelf zou het in zijn tijd niet hebben laten gebeuren dat een man van 67, die al ruim dertig jaar meeloopt en medeverantwoordelijk is voor de neergang, voorzitter zou kunnen worden. Pronk is van de generatie van André van der Louw, Marcel van Dam en Bram Peper, Nieuw Linksers die de partij gingen vernieuwen, zich organiseerden en de macht en de goede banen naar zich toe trokken. Het is ook de generatie die zich nog steeds roert en van geen wijken lijkt te weten. Tot ergernis van veel jongere partijleden.

Die jongere partijleden, de dertigers en veertigers van nu, hebben de kandidatuur van Pronk mede aan zichzelf te danken. Ze zijn uit de tijd van Niet Nix, de generatie die in de jaren negentig speelde met vernieuwende ideeën, die leuk bezig was netwerken op te bouwen, die een beetje invloed wel aardig vond, maar macht eigenlijk vies. Deze generatie heeft dan ook niemand als tegenkandidaat voor Pronk naar voren geschoven, want deze generatie heeft geen zwaargewichten. Echt partijtijgergedrag hebben ze niet geambieerd en niet geleerd.

Pronk weet echter al sinds de jaren zeventig dat je zonder macht geen invloed hebt, dat je macht moet organiseren en dat daar corveetaken bij komen kijken. De kans dat hij partijvoorzitter wordt is dan ook groot. Als de niet-Pronk-aanhangers komende maand geen blok weten te vormen, maar hun stemmen uitstrooien over de andere kandidaten, zal Pronk daarvan profiteren. Ook zijn verkiezing tot partijvoorzitter hebben de jongeren die hem niet zien zitten dan wederom aan zichzelf te danken. De partijvernieuwing binnen de PvdA lijkt zich zo tegen zichzelf te gaan keren: juist dankzij die vernieuwing krijgt een man van de oude stempel invloed en macht. Ook dit gegeven moet partijvernieuwers aan het denken zetten.

Of een voorzitterschap van Pronk gaat leiden tot onverkwikkelijke interne ruzies zal afhangen van de manier waarop Pronk en Bos uiteindelijk met elkaar en hun verantwoordelijkheden omgaan. Het is nog niet gezegd dat het de PvdA hetzelfde zal vergaan als de VVD en D66. Misschien weten de twee heren wel het mooiste van elkaar naar boven te halen en komt er door het gedram, waar Pronk om bekend staat, een duidelijke, eigenzinnige PvdA-koers bovendrijven.

Als dat niet lukt, dan dreigt opnieuw een partij zichzelf al ruziënd ernstig te verwonden.