Zwart gat

Van haar vader leert Maria Mitchell hoe ze een telescoop moet gebruiken. ’s Avonds na haar werk als bibliothecaresse zitten ze op het dak van het gebouw van de Pacific Bank in Nantucket, Massachusetts, waar een klein observatorium is neergezet. Samen zoeken ze naar gaswolken en dubbele sterren en berekenen ze breedte- en lengtegraden. Op 1 oktober 1847, Maria is 28, ziet ze door haar telescoop een object dat haar nog niet eerder is opgevallen. Het is een komeet, een nog niet ontdekte komeet.

In januari 1848 publiceert ze onder de naam van haar vader een bericht over haar ontdekking in een wetenschappelijk tijdschrift. Een maand later stuurt ze de berekeningen van de baan van de komeet erachteraan, nu onder haar eigen naam, en claimt de ontdekking. De komeet wordt ‘Miss Mitchell’s Comet’ gedoopt, Maria wordt beroemd.

Jaren later, ze is inmiddels de boeken ingegaan als Amerika’s eerste vrouwelijke, professionele astronoom, geeft ze les aan Vassar College in Poughkeepsie, New York. Cijfers en absenties houdt ze niet bij; ze wil kleine klasjes zodat ze haar studenten zo veel mogelijk individuele aandacht kan geven. Als ze erachter komt dat ze een stuk minder verdient dan veel van haar jongere, mannelijke collega’s, eist ze een salarisverhoging, die ze krijgt.

Soms streef ik naar alwetendheid – een neiging die eigenlijk alleen wordt geaccepteerd door kinderen. Ik ben 28 en loop, op familievakantie in de Algarve, met mijn neefje van drieënhalf over de boulevard. Het is al donker, de zee ruist zachtjes naast ons. ‘Dat is de poolster’, zeg ik en ik wijs naar het lichtje. De hemel vouwt zich onverklaarbaar boven ons uit, ik onderbouw mijn fragiele astronomische kennis door mijn handen moederlijk om de schouders van het jongetje te leggen. Houding is alles, vrees ik weleens.

‘NEE HOOR!’ zegt mijn neefje. ‘Dat is geen ster dat is een planeet zegt papa.’

Ik kijk goed. Hij heeft gelijk, de poolster staat heel ergens anders. Waar was die alwetendheid ook alweer goed voor? Maria Mitchell zei dat in de wetenschap meer verbeelding nodig is. ‘It is not all mathematics, nor all logic, but it is somewhat beauty and poetry.’ Ik denk aan een dichtregel van Mustafa Stitou: ‘Pers een planeet van pak ’m beet/ tien triljard ton samen/ in je mond, bijvoorbeeld/ en je hebt een zwart gat.’

‘Jij bent scherp’, zeg ik. ‘Heel scherp. Goed hoor.’
‘Het is een planeet’, zegt mijn neefje. Hij kijkt mij aan, stil. Hij verwacht iets van mij.

Pers een planeet van pak ’m beet
tien triljard ton samen

in je mond, bijvoorbeeld,
en je hebt een zwart gat.

Zal niet iedereen voor mij op
de vlucht slaan dan? Iedereen

behalve de idioot die er een gewoonte van heeft gemaakt
zacht maar aanhoudend gillend

voor de rouwstoet uit te lopen
terwijl mist van de berg af rolt.

Mustafa Stitou
Uit: Tempel, De Bezige Bij, 2013