Racismeconferentie in Durban

Zwart geld

Een van de «verraderlijke» thema’s op de derde racismeconferentie is de door met name Afrikaanse landen gewenste vereffening van historische vormen van racisme en rassendiscriminatie.

Tijdens de VN-conferenties tegen racisme in 1978 en 1983 was het zoveel gemakkelijker. Beide bijeenkomsten stonden in het teken van de apartheidspolitiek van Zuid-Afrika: geïnstitutionaliseerd staatsracisme van een blanke minderheidsregering tegen een zwarte meerderheid. Vrijwel unaniem werd Zuid-Afrika indertijd de les gelezen. Of de veroordeling van het Zuid-Afrikaanse regime werkelijk van belang is geweest bij de uiteindelijke afschaffing van de apartheid in 1994 valt moeilijk na te gaan. Feit is dat de derde racismeconferentie, die vrijdag 31 augustus begint, niet zoals de voorgaande edities in Genève wordt gehouden, maar in Durban, in democratisch Zuid-Afrika. De conferentie tegen racisme, rassenhaat en xenofobie zal volgens Mary Robinson, de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, deze keer vooral om «subtiele, meer verraderlijke» thema’s draaien. «We moeten deze keer erkennen dat in ieder van ons potentieel racistisch gedrag schuilt», zei de Ierse onlangs in een interview. In diverse andere vraaggesprekken liet de conferentievoorzitter weten er alles aan te doen de conferentie te laten slagen. Het moet een conferentie van daden worden, niet van woorden, zei ze.

Toch ziet het er niet zo gunstig uit. Een van die «subtiele, meer verraderlijke» vergaderpunten betreft de door met name Afrikaanse landen gewenste vereffening van historische vormen van racisme en rassendiscriminatie. Op een multilaterale voorbespreking van de conferentie, januari dit jaar in Dakar (Senegal), drongen de Afrikaanse landen niet alleen aan op excuses, maar ook op herstelbetalingen voor kolonialisme en slavernij in de vorm van de oprichting van een «Ontwikkeling Reparatie Fonds», benevens herstel van economische, culturele en politieke schade. Een non-gouvernementele organisatie in Ghana becijferde dat een compenserend bedrag van 777 miljard dollar billijk zou zijn. Dit astronomische bedrag, een slordige twintig miljard dollar meer dan het nationaal inkomen van een land als Canada, zou moeten worden opgehoest door landen die in slaven handelden, waaronder Nederland, en/of koloniën in Afrika bezaten.

De voorstellen van de Afrikaanse landen zijn stuk voor stuk door Europa en de Verenigde Staten afgeschoten. Samen met het dreigement van enkele Arabische staten om zionisme te bestempelen als rassenhaat en bijgevolg voor Durban te agenderen, waren de gewraakte herstelbetalingen voor de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Powell aanleiding te dreigen met een boycot van de conferentie. Pas deze week zal bekend worden of een Amerikaanse delegatie überhaupt aan de besprekingen in Zuid-Afrika zal deelnemen. De ambtsgenoot van Powell, de Zuid-Afrikaanse gastvrouw minister Zuma, heeft al aangegeven het «onrealistisch» te vinden wanneer op de conferentie niet over de heikele thema’s van slavernij en het Midden-Oosten wordt gesproken. Een van haar ambtenaren meende enkele dagen eerder in een Zuid-Afrikaanse krant zeker te weten dat zionisme niet op de agenda komt.

Europa en de Verenigde Staten weigeren niet alleen te praten over de kostbare herstelbetalingen, zelfs een ruiterlijk excuus voor de op racistische leest geschoeide slaventransporten wordt na ampel beraad vorige maand in het VN-hoofdkwartier in Genève niet verwacht. Een land zou zo immers in juridische zin schuld bekennen, wat alsnog voor behoorlijke claims kan zorgen. De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), die de Nederlandse regering van advies diende inzake de Afrikaanse eisen, constateerde in dezen dat «historische praktijken en hedendaagse praktijken wel van elkaar dienen te worden onderscheiden, doch niet altijd zijn te scheiden». Herstelbetalingen hoeven er weliswaar niet te komen, concludeert de AIV, maar, meent het gezelschap wetenschappers met onder anderen mensenrechtenprofessor Theo van Boven in de gelederen: «Ernstig onrecht uit het verleden heeft veelal gevolgen op de leefomstandigheden en de belevingswereld van mensen van vandaag. In dit verband moet ook het leed worden onderkend dat de slachtoffers van slavernij en kolonialisme hebben ondergaan en de effecten daarvan op de nabestaanden van deze slachtoffers.»

Dat leed, bij voorkeur aangeduid als «onverwerkt leed», was de laatste jaren evident aanwezig op bijeenkomsten in Nederland waar Surinamers en Antillianen debatteerden over een monument ter herinnering aan de slavernij. De aanwezigen zeggen zich nog immer nakomelingen van de verhandelde slaven te voelen en de druk van de «zwarte holocaust» voortdurend te beleven. De financieel-economische achterstand van Afrikaanse landen én van de zwarte mensen in Europese landen en de Verenigde Staten is terug te voeren op de slavenhandel. Alledaags racisme is voor hen nog altijd een gevolg van de handel in slaven, een misdaad tegen de menselijkheid die volgens VN-verdragen niet kan verjaren en derhalve voor herstelbetalingen in aanmerking zou moeten komen. De Nederlandse wetenschappers die vaak worden opgetrommeld bij dit soort debatten, zijn vrijwel unaniem in hun oordeel: voor herstelbetalingen zijn geen objectieve criteria te formuleren en het is daarom maar goed dat er een zekere weerstand tegen de Afrikaanse voorstellen bestaat.

Professor Gert Oostindie, bijvoorbeeld. De Caraïben-specialist van de Universiteit van Leiden die in 1999 nog een boek samenstelde over het herdenken van de slavernij, wijst erop dat de Ghanese miljarden «uit de lucht gegrepen» zijn. Bij de discussie over herstelbetalingen zijn er volgens hem meer vragen dan antwoorden. Wie heeft schuld? Profiteren de Verenigde Staten en Europa nog altijd van de toenmalige slavenhandel? Welke landen of individuen zouden in aanmerking moeten komen voor Nederlandse herstelbetalingen? Afrikaanse landen als Ghana die hun mensen kwijtraakten of ook de landen in het Caraïbisch gebied waar de slaven naartoe werden gebracht omdat de plantages er waren gevestigd? «De grondslag voor herstelbetalingen is zeer dubieus», zegt Oostindie. «Bij de Tweede Wereldoorlog gaat het om gemakkelijk identificeerbare personen, bij de nazaten van slaven gaat het om groepen als geheel. Dat het in de wereld ongelijk verdeeld is, dat is duidelijk. Maar om daar iets aan te doen, heb je middelen als ontwikkelingssamenwerking. De discussie over herstelbetalingen is een naar achteren gerichte discussie. Zouden wij voor de Tachtigjarige Oorlog dan ook nog financiële genoegdoening van de Spanjaarden moeten krijgen?»

Zijn collega Alex van Stipriaan Luiscius, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit, vindt dat een «kul-argument». Van Stipriaan: «Er zijn toch geen mensen die zeggen op een of andere manier last te hebben van de erfenis van de Tachtigjarige Oorlog? Groepen die argumenten hebben dat de huidige samenleving doordesemd is van de gevolgen van die oorlog en dat die gevolgen hen als groep belemmeren in hun volledige ontplooiing als mens? En is die Tachtigjarige Oorlog altijd buiten de geschiedenisboekjes gehouden en zijn de slachtoffers van die oorlog tot in het zoveelste geslacht nooit erkend? Het antwoord op dit alles is nee, natuurlijk.»

Van Stipriaan voelt veel voor herstelbetalingen. «Vooral omdat dat de enige manier is waarop overheden als vertegenwoordigers van samenlevingen — en dus ook de vertegenwoordigers van de geschiedenis en het geheugen van die samenlevingen — kunnen laten zien dat ze de erfenis van de slavernijgeschiedenis serieus nemen», zegt hij. «Excuses en monumenten zijn mooi, maar ook gemakkelijk te geven en te vergeten. Een substantiële langetermijninvestering is iets waar een overheid wat voor over moet hebben.»

In 1992, toen werd gevierd dat Columbus vijfhonderd jaar eerder in Amerika landde, claimden indianenleiders ook hoge bedragen ter compensatie van wat hen in het verleden is aangedaan. Omdat rond de financiële eisen een zweem van (persoonlijke) zelfverrijking hing — het was niet direct duidelijk of de achtergestelde positie van de indianen op enigerlei wijze zou worden verbeterd — is indertijd niets uitgekeerd. Bij de claims van de Afrikaanse landen is wederom niet helder wie het geld zou moeten krijgen. De Senegalese president Abdoulaye Wade liet vorige week in de New York Times weten mede daarom de claims «absurd» te vinden. Hij erkent dat Afrikaanse landen nog steeds te lijden hebben onder de «effecten van slavernij en kolonialisme», maar ziet niet in dat «drie eeuwen onderwerping» afgekocht kan worden met welk bedrag aan dollars ook. Hij wees er voorts op dat Afrikanen zelf meewerkten aan de slavenhandel en soms, bijvoorbeeld in het leger, ook zelf slaven hielden.

Volgens Van Stipriaan zou het geld uitgekeerd moeten worden aan de samenlevingen waaruit de slaven zijn weggevoerd en waar ze naartoe zijn vervoerd, en aan «instellingen die zich inzetten om de erfenis van de slavernij teniet te doen». Hij erkent, wat de Senegalese president zegt, dat sommige Afrikanen hebben meegewerkt aan de slavenhandel en daarvan hebben geprofiteerd. «Sterker nog, er zijn zelfs processen van staatsformatie in gang gezet of versneld door die deelname», zegt hij. «Hoewel dat niet verdoezeld mag worden, valt niet te ontkennen dat de aard en de motor van het transatlantisch slavenhandelssysteem geheel Europees van snit waren en ongekend in de geschiedenis. Ook zou het niet erg vreemd zijn geweest als de enorme en expanderende vraag en de snelle rijkdom die het bracht niet ook door lokale groepen zou zijn gebruikt. Dat is precies zoals het kolonialisme overal heeft gewerkt, namelijk met behulp van lokale groepen wier eigenbelang aan de doelen van het kolonialisme kon worden gekoppeld, onder meer door aan te sluiten bij bestaande systemen maar die vervolgens duizend keer te intensiveren en uitvergroten en in eigen richting bij te sturen. Zodra de gemeenschappelijke doelen niet meer met elkaar spoorden, bijvoorbeeld toen de slavenhandel werd afgeschaft, liet men die lokale groepen ook weer als een baksteen vallen en stortten de economieën van die lokale machthebbers als een kaartenhuis in elkaar, omdat ze hun hele structuur inmiddels hadden afgestemd op dat koloniale belang, in dit geval de slavenhandel. Ook dat is een erfenis van de Europese slavenhandel.»

De 777 miljard dollar zal er nooit komen, en het is nog maar de vraag of dit bedrag op de conferentie van volgende week überhaupt zal worden uitgesproken. De Afrikaanse landen hebben op een van de voorbesprekingen in Genève ondertussen laten doorschemeren ook akkoord te gaan met kwijtschelding van de schuldenlast — evenmin een gering bedrag. Excuses moeten er sowieso komen. En dat is waarschijnlijk geen overbodige luxe. De Nederlandse ambassade in Accra, de hoofdstad van Ghana, plaatste onlangs nog in een lokale krant een paginagrote advertentie waarin «driehonderd jaar diplomatieke betrekkingen» tussen Nederland en Ghana werden gehuldigd. Als beginjaar wordt 1701 aangehouden: het jaar waarin de Nederlandse gezant David van Nijendaal de slavenhandel met de Ashanti veiligstelde.