Colson Whitehead heeft zich deels gebaseerd op de verhalen die zijn ouders hem vertelden © Peter Hassiepen

De eerste keer dat ik rondliep in Harlem, NY, in 1991, meende ik enige aanspraak te kunnen maken op die beroemde, beruchte wijk aan de overkant van de oceaan. Ik was gekleurd, ik had nog een afro, en het mooiste van al: ik was geboren in Haarlem, NL. Ik kwam uit het stadje dat de naamgever was. Harlem was toen bezig op te krabbelen uit de diepten van de jaren zeventig en tachtig, toen de meeste middenklasse-bewoners de wijk ontvlucht waren en de gentrificatie amper nog op gang was gekomen. Als ik iemand iets vroeg, als ik in gesprek raakte, was het overduidelijk dat ik niet kwam ‘from around here’. Maar ook als ik niets zei of vroeg en enkel vastberaden door de straten liep, leek ik wel een bord voor mijn kop te hebben met daarop: vreemdeling. Was het mijn manier van bewegen, van kleden, de net iets te zelfverzekerde tred waarmee ik mijzelf wandeldoelen stelde?

Zelden ben ik mij meer bewust geweest van de verschillende soorten zwart en gekleurd die je hebt, juist in het land waar ik redelijk uit de voeten kon met de taal, en in ieder geval een deel van de geschiedenis mij vertrouwd was. Maar o, wat liep ik daar te kijk.

De nieuwste roman van Colson Whitehead speelt in Harlem, en dan ook nog eens in een andere tijd: eind jaren vijftig, begin jaren zestig van de vorige eeuw. De Harlem Renaissance was een wapenfeit uit het verleden, de rassenscheiding was, ook in New York, nog zeer voelbaar, en de burgerrechtenbeweging begon op stoom te komen. Maar elke zwarte of gekleurde Amerikaan die de zwarte wijk verliet en naar midtown of downtown New York ging om te werken of te winkelen, keek vanzelfsprekend over zijn schouders, want je kon nooit weten, in ‘white men’s land’.

Het is gedurfd dat Whitehead (1969) zijn lezers een blik gunt niet alleen op de zwarte, noodzakelijk besloten wereld van Harlem, maar dat hij ook de verscheurdheid laat zien van wat in witte ogen al snel een homogeen, zwart blok lijkt. De zwarten – Afro-Amerikanen zeggen we nu – worden onderdrukt door wit Amerika, en van de weeromstuit worden die gekleurde mensen, met de slavernijgeschiedenis die ze achter zich aanslepen, prachtig solidair en één met elkaar. Whitehead, zelf te jong om het jaren-vijftig- Harlem te hebben meegemaakt, heeft zich voor een deel gebaseerd op de verhalen die zijn ouders hem vertelden, over de cafés, theaters en winkels die zij aandeden toen ze in die tijd in Harlem woonden. In zijn roman versplintert Whitehead het beeld van het homogene blok. Onderling kleurverschil speelt een beslissende rol – hoe lichter, hoe beter –; stands- en klassenverschillen bepalen wie waar woont en werkt, en wie überhaupt kredietwaardig is voor een bank, om geld te kunnen lenen.

Hoofdpersoon van deze misdaadroman is Ray Carney, op het eerste gezicht een nette man met een eigen meubelwinkel en met een accountantsdiploma op zak. Deze man wil verder, wil hoger, wil dromen waarmaken voor zijn vrouw en zijn gezin: hij wil verhuizen naar het veel aanzienlijker River Side Drive, weg uit het kleine, lawaaiige appartement in Harlem. Hij wil een grotere winkel, hij wil er misschien wel meer: deze man leidt een strevend leven, als cliché van de American Dream, waar hij nu net de verkeerde kleur voor heeft.

Onnadrukkelijk schetst Whitehead een andere zijde van deze Ray Carney: in de loop van het boek leren we dat hij ook spullen verkoopt en doorverkoopt die ‘van de vrachtwagen zijn gevallen’; geen grote misdaden, maar het aanhoudende kruimelwerk. Hij is een parttime heler, de keurige meubelwinkel is deels een façade om minder toonbare feiten te verdoezelen. Het startkapitaal voor zijn bedrijfje heeft Ray te danken aan zijn vader Mike Carney, wel degelijk een naam in misdaadkringen. In de bestelauto die hij van hem erfde, vond zoon Ray tot zijn stomme verbazing dertigduizend dollars, verstopt in het reservewiel.

Ray Carney is iemand die van huis uit een ‘slechte naam’ heeft, ook in de ogen van zijn schoonouders die hem een slechte partij vinden voor hun dochter en die zelf een hoger middenklasseleven in stand proberen te houden: ze wonen in het aanzienlijke deel van Harlem, zijn schoonvader is zelfs lid van de ‘Dumas Club’, genoemd naar Alexandre Dumas (1824-1895), de gekleurde, Franse schrijver van onder andere De drie musketiers. Deze lounge voor zwarte advocaten en gegoede zakenmensen is enkel toegankelijk via ballotage: Ray probeert er ook deel van uit te maken, hij betaalt onderhands zelfs vijfhonderd dollar om zijn lidmaatschap te bespoedigen, maar ondanks die enveloppe wordt hij niet toegelaten. Ray’s geld is nu een gift geworden, en reclameren kan natuurlijk niet.

Uiteindelijk wordt Ray door toedoen van zijn neef, met wie hij is opgegroeid, verleid om zich te wagen aan grotere zaken. Hij wordt de heler van een grote juwelenroof uit de kluisjes van het Theresa Hotel, het ‘Waldorf’ van zwart Harlem. Ray begint serieus in de voetsporen van zijn crimi-vader te treden.

Het beeld van het geknechte volk dat als één vastbesloten massa opstaat, laat Whitehead verkruimelen

Whitehead is beroemd geworden met zijn romans The Underground Railroad (2016) en The Nickel Boys (2019) waarin het leven wordt geschetst van zwarte Amerikanen tijdens de slavernij en de aanhoudende segregatie daarna. De toon van Harlem Shuffle lijkt op het eerste gezicht luchtiger, maar is ook navranter, omdat de discriminatie terloops wordt vermeld: niet als een groot onrecht maar als een vanzelfsprekendheid. Als Ray voor zijn geheime zaken downtown moet, wordt hij door de (joodse) winkeleigenaar aangesproken met ‘Meneer Carney’.

‘Er waren niet veel witte mensen die meneer tegen hem zeiden. Niet in dit deel van de stad in elk geval. (…) De winkeleigenaar had gezegd: “Waar kan ik u mee helpen, meneer?” Waar kan ik u mee helpen in de zin van Waar kan ik u mee helpen? En niet in de zin van Wat moet je hier? Ray Carney had in de loop van de jaren alle verschillende vormen leren onderscheiden.’

De lezer heeft zich dan al vereenzelvigd met Ray en zijn wereld: diens mistige klusjes worden op z’n minst begrijpelijk in een land en een stad waar de echte grote graaiers, de witte bouwgiganten, hele stadsdelen wegvagen om er hun kantoorkolossen neer te zetten. ‘Zwart’ geld, ‘wit’ geld, het loopt allemaal ondoorzichtig door elkaar in de New Yorkse businesswereld. Denk de vader van Donald Trump en u heeft een idee.

Ook is het veelzeggend dat Ray zich afzijdig houdt van de burgerrechtenbeweging, want trammelant is slecht voor de zaken. Ook hier is Whitehead ongenadig: het beeld van het geknechte volk dat als één vastbesloten massa opstaat, laat hij verkruimelen.

De echte grote vraag van het boek luidt: hoe crimineel is ‘diefstal’ of ‘heling’ in het licht van de rechteloosheid waaronder zoveel zwarte mensen moesten leven? Wat heet ‘diefstal’ als de voorspoed van een heel land voor een deel is gebaseerd op diefstal van mensenlevens, op slavernij en diefstal van nooit uitbetaald loon?

In 1964, in werkelijkheid en ook in het boek, breekt de zogeheten ‘Harlem riot’ uit. Ray is inmiddels verhuisd naar zijn droomadres op River Side Drive, de winkel is fors uitgebreid en er hangt voorspoed in de lucht. Maar dan, op 16 juli 1964, wordt de vijftien jaar jonge James Powell doodgeschoten door een witte politieagent, voor de ogen van zijn even zwarte medeleerlingen. Nachtenlang moeten de winkelruiten in Harlem eraan geloven, Ray bevestigt meteen een bord met ‘black owned’ aan zijn winkeldeur, maar een andere eigenaar is minder gelukkig; keer koop keer worden zijn ruiten ingegooid, keer op keer zet de man er de volgende dag nieuw glaswerk in.

Tekenend is deze korte scène: Ray’s neef Freddie stapt uit de metro ‘en wil een broodje gaan eten en het wemelt op straat van de mensen. Met gebalde vuisten en zwaaiend met protestborden. Leuzen scanderend. “Wij willen Malcolm X! Wij willen Malcolm X” en “Smerissen, moordenaars”. Ik heb honger en geen zin in al dat gedoe. (…) Ze trekken auto’s omver en gooien ruiten in. Ik heb zoiets van: hoe kom ik op deze manier aan een sandwich? (…) Ik heb zoiets van, jezus, al dat gerel komt deze bro nogal ongelegen’. (N.B. De gehele Nederlandse vertaling leest zo vanzelfsprekend.)

Uiteindelijk wil Ray zich wel degelijk wreken, niet zozeer op het maatschappelijke onrecht dat hem en alle gekleurde en zwarte Amerikanen wordt aangedaan, nee, Ray’s wraak is persoonlijker. De afwijzing voor de Dumas Club, de mannen die enveloppen met geld van hem aannemen zonder wederdienst, de andere ‘omhooggevallen zwarten’ en ook de ‘witte mannen’ die hem eronder houden en blokkeren in zijn vlucht naar omhoog: daartegen koestert Ray een geduldige, broeierige wraak.

En ook begint het Ray te dagen dat de Harlem riot echt alleen in Harlem zijn sporen heeft nagelaten. ‘In midtown wees niets erop dat New York een week eerder was belegerd. De zwarte stad en de witte stad, ze overlapten elkaar, wisten niets van elkaar, leefden gescheiden maar waren onderling verbonden door het spoor.’

Deze wrange, opzienbarende roman smeekt om een vervolg.