Het grootste olieveld van Polen

Zwart goud in West-Polen

Onder het Notecka Woud is onlangs het grootste olieveld van Polen gevonden. Filmmaakster Ineke Smits heeft een portret gemaakt van de Polen die van het woud moeten leven en hun schouders ophalen voor de olie. De film is vorige week op het Idfa in première gegaan.

Een jaar geleden kwam de Rotterdamse filmmaakster Ineke Smits voor het eerst in West-Polen. In een Nederlandse krant had een verdwaald berichtje gestaan over twee burgemeesters in het Notecka Woud die ruzie maakten over olie. Die ruzie zou een onderwerp kunnen zijn voor een nieuwe documentaire. «Al heel snel bleek dat het met die ruzie wel meeviel. Toch ben ik er een week blijven hangen, vooral in de lokale bar Onder het Hert. Hier vertelden de cafébezoekers over een enorm olieveld dat kort daarvoor onder het woud, letterlijk onder hun voeten, was gevonden. Bleken ze op het grootste olieveld van Polen te wonen. De oliewinning was al begonnen, maar het leek volledig aan ze voorbij te gaan. Ze kregen geen dollartekens in hun ogen en maakten zich zelfs geen zorgen over de vernieling van het woud door die olieboringen. Terwijl zij wel van het bos, de bessen, de paddestoelen en de houtkap, moeten leven. Hoe kon dat in hemelsnaam?» Ineke Smits wilde weten wat de Polen bezielden en wat de gevolgen van de olieboringen zouden zijn voor de bewoners. Onder het Hert werd haar stamcafé.

Twee jaar geleden hadden proefboringen uitgewezen dat zich onder het woud het grootste olieveld van Polen bevond. Het zou om een kwart van de totale olievoorziening van Polen gaan. Als bewijs hiervoor had de burgemeester van Miedzychod, een stadje aan de rand van het woud, op de televisie trots een potje getoond met daarin een oliemonster. Hij begreep dat de oprukkende boortorens veel geld voor zijn gebied zouden gaan opleveren. Maar de inwoners haalden gelaten hun schouders op: zij geloofden niet dat de olie hun ook maar iets goeds zou brengen.

Ze waren niet geïnteresseerd in de toekomst van het woud, dat nooit echt hun grond, hun thuis, was geweest. Want ooit hoorde deze streek bij Duitsland. Na de Tweede Wereld oorlog werd het voormalige Duitse Pommeren Pools grondgebied. De oorspronkelijke Duitse bewoners werden verdreven en de Polen uit gebieden die nu in Oekraïne en Wit-Rusland liggen, werden er gedropt.

Sindsdien is er nauwelijks aandacht besteed aan de streek. De straten zitten er vol kuilen, de schappen in de weinige winkels zijn slecht gevuld en er is nauwelijks werk. Toch is het Notecka Woud, na de uitbreiding van de Europese Unie in 2004, het nieuwe middelpunt van Europa. Als je de landkaart pakt en je prikt je vinger in het midden van Europa, sta je in West-Polen.

De inwoners schieten daar niet veel mee op. Bij hen is het wantrouwen diep ingebakken. Zij hebben altijd al geleefd met de vrees dat de Duitsers vroeg of laat de grond onder hun voeten zouden komen opeisen en dat zij dan opnieuw alles moesten achterlaten. Dit keer komt de dreiging echter niet van de Duitsers, maar van het Poolse oliebedrijf PGNiG.

Ineke Smits: «Er is in de geschiedenis altijd gesold met de Polen, daarom is er geen nationale trots, maar eerder een constant gevoel van ondergeschikt zijn. Op de een of andere manier moeten zij, in dit postcommunistische tijdperk – dat hun ook al niet veel heeft gebracht – zien door te leven, door te sappelen.» Smits meent dit ook terug te zien bij de Poolse huisschilders in Nederland: «Die doen eigenlijk hetzelfde. Ze zijn aan het overleven. Het enige wat ze willen is geld sparen om mee terug te nemen naar hun vaderland om daar iets op te bouwen. Zij hopen op betere tijden. Heel diep in hun ziel zijn ze trots: wacht maar, schrijf ons niet te snel af.»

Enkele maanden na haar eerste kennis making ging Smits opnieuw naar West-Polen. Ze had besloten een film te maken waarin ze de schijnbaar apathische houding van de woud bewoners tegenover de olievondst wilde laten zien. Ze vestigde zich met een Poolse crew in het café van kroegbaas Andrzej, dat uitgroeide tot het kloppend hart van de filmset. Smits: «Eigenlijk hadden we in het woud willen draaien, waar het intussen lente was geworden en de mensen bezig gingen met het verzamelen van paddestoelen en bessen en de jacht, waar ze van moeten leven, want ze zijn voor een groot deel zelfvoorzienend. Maar het regende constant. In de plaatselijke bar werd over de olie gesproken zoals over het weer of een zieke in het dorp.»

De filmmaakster was er inmiddels geaccepteerd. De woudbewoners namen haar aan wezigheid voor lief en lieten haar haar werk doen. Ze bemoeiden zich verder niet met de reden van haar aanwezigheid. Hoewel de Polen zelf het onderwerp van de film waren, wilden ze daar absoluut niet bij stilstaan. Zij hadden zich al lang neergelegd bij hun situatie en aanvaardden hun lot zonder er veel over na te denken. Uit schaamte, maar ook uit trots.

«Het mooiste voorbeeld hiervan is tevens mijn lievelingsscène geworden. Op een dag nam barman Andrzej ons mee naar een van de vele meren in de omgeving waar vaak illegaal gevist werd. Er hing een dikke lage mist over het meer, zo mooi, daar kunnen geen zes mistmachines voor een speelfilm tegenop. Hij laadde de netten uit de kofferbak en wij stonden klaar met de camera. Toen zei Andrzej tegen een vriend, die ook was meegekomen, dat-ie niet zo breeduit moest lachen voor de camera, want dan zouden de kijkers zijn rotte tanden kunnen zien. Volgens Andrzej gaf je anderen daarmee de kans om over je te oordelen. Het slechte gebit verraadt de belabberde staat waarin de Polen en hun land verkeren. ‹Laat het dus niet zien›, zei Andrzej, ‹want wacht maar, het is nog niet zo ver, maar ooit zal het ons ook beter kunnen gaan.›»

Die veerkracht van de kroegbaas Andrzej maakt deze scène. Smits: «Mensen hebben fantasie nodig om te overleven. En Andrzej weet dat ook. De mogelijkheid om te kunnen ontsnappen aan de werkelijkheid toont zijn veerkracht. Op zo’n moment blijkt dat onder die apathische houding van de Polen nog iets anders schuil gaat. Daarmee kom ik op het thema waar ik in mijn werk steeds naar terugkeer: dat rare evenwicht tussen fantasie en werkelijkheid. Daar is mijn liefde voor film op gebaseerd. Ik wil verhalen vertellen zodat anderen kunnen ontsnappen aan de werkelijkheid. Maar ook om zelf de werkelijkheid aan te kunnen.»

Eerder al werkte Smits die dunne scheidslijn tussen werkelijkheid en fictie uit in haar documentairedebuut Poetins mama uit 2003. Hierin beweert een oude vrouw de moeder van president Poetin te zijn. Tot in de verre om geving van het Georgische dorp waar zij woont, staat zij zo bekend. In het fotoalbum van de oude vrouw zit een zwart-witprentje van een blond ventje: «Zie je die ogen? Sprekend!»

Smits hoorde het verhaal over Poetins moeder toevallig van een vriend uit Georgië. «Het dorp werd vaak overspoeld door journalisten die via Vera Poetin iets over de president te weten wilden komen. De vrouw had een hekel aan die journalisten. Ik was vanaf het begin veel meer geïnteresseerd in haar verhaal. Ze kon prachtig vertellen. Ik begreep dat de film over haar moest gaan en niet over of ze wel of niet de waarheid sprak.» Het werd een film over de tekortkomingen, maar ook de kleine geneugten van het leven, tegen een decor van een uit gestrekt Georgisch lentelandschap. Poetins mama werd twee jaar geleden genomineerd voor de Zilveren Wolf tijdens het International Documentary Festival Amsterdam. Wereldwijd heeft de film gedraaid, behalve in Rusland.

Ineke Smits: «Na het succes van Poetins mama word ik steeds vaker gezien als documentairemaakster. Maar mijn hart ligt vooral bij het maken van speelfilms. In eerste instantie ben ik fictieregisseur.» Een script voor een nieuwe speelfilm, De vliege nierster van Kazbek, ligt al weer een tijdje klaar. Vier jaar geleden kwam haar eerste lange speelfilm Magonia uit. Nu is het wachten op geld. Het budget voor de nieuwe speelfilm is nog niet rond. Wel heeft het Filmfonds inmiddels toegezegd. Smits: «Ik ga niet zeuren, want ik wist van tevoren dat je veel geduld moet hebben als je een film wilt maken. In de tussenliggende jaren ben ik documentaires gaan maken als vingeroefening. Dat had ik van tevoren niet gedacht, maar ik had niet veel keus. Ik kan niet slechts eens in de zoveel jaar een speelfilm maken. Dat wordt dan een topzwaar project. Een molensteen om je nek. Een opeenhoping van frustratie en verheugen op.

Ik heb het bovendien nodig om me compleet te verliezen in een verhaal – dat kan fictie of documentaire zijn –, door een camera te kijken en aan de montagetafel te zitten. In die zin ben ik een ouderwetse romanticus, een dromer, hoewel ik wel steeds minder naïef ben. In Rotterdam voel ik me bijvoorbeeld steeds minder op m’n gemak. Soms schaam ik me voor de hardheid van mensen, hun egoïsme en het gebrek aan collectiviteit. Als ik dat vergelijk met Georgië, mijn tweede vaderland, waar een goede vriend en mijn vaste componist vier jaar lang zijn demente moeder verzorgde, dat kun je je hier nauwelijks voorstellen. Ik vraag me af wat het inhoudt een Rotterdammer of Nederlander te zijn. Ik weet het niet. Maar mijn Georgische vrienden houden me ook de mooie kant van Nederland voor. Hier ben je vrij om films te maken. Mijn componist heeft na het overlijden van zijn moeder heel wat maanden nodig gehad om uit te rusten, hij deed dat in Amsterdam. Die sterke familiebanden in Georgië kunnen ook beklemmend zijn.»

Dat Ineke Smits Georgië als haar tweede vaderland beschouwt, heeft alles te maken met haar toenmalige Georgische partner, de getalenteerde filmmaker Tato Kotetisjvili, die acht jaar geleden overleed. Ze is opnieuw getrouwd en heeft nu haar eigen productiemaatschappij, Voyafilms. Uiterst geconcentreerd en gedreven werkt ze aan haar oeuvre. Smits: «Ik wil films maken tot ik tachtig word. Daar word ik pas echt gelukkig van.»

Ze houdt van de snelheid waarmee een documentaire gedraaid kan worden, in tegenstelling tot een speelfilm. Bovendien zijn haar documentaires bijna speelfilmachtig te noemen. Zo wordt Zwart goud onder het Notecka Woud nergens een aanklacht tegen de Poolse regering of het staatsbedrijf PGNiG. De verantwoordelijken, evenals de burgemeesters van de nabijgelegen stadjes, zijn bijna helemaal uit de film geschrapt. De olie is naar de randen van de film verdrongen. Zoals de olie zich ook in de levens van de West-Polen slechts aan de randen afspeelt. «Het is een film geworden over gewone mensen, over hoe de Polen zich, ondanks alles, staande proberen te houden. Ik heb me voor genomen om er terug te keren om mijn film te laten zien. Toch weet ik niet zeker of ik het ook echt zal doen. Bij het afscheid zei Andrzej tegen me: ‹Jij hebt van ons wat je hebben wilde, wij zien je hier nooit meer terug.› Misschien heeft hij gevoeld dat het afscheid definitief kan zijn. Na een intensieve draaiperiode gaat iedereen uiteindelijk toch weer zijn eigen weg.»

In het Poolse woud gaat het kappen van bomen om pijpleidingen aan te leggen en fabrieken te bouwen intussen gewoon door. Vorig voorjaar is het bos eenvoudigweg verwijderd van de Europese lijst van beschermde gebieden. De ecotoeristen – vooral vogelaars en vissers – die het gebied bezochten wegens de prachtige ongerepte natuur, hebben hier niets meer te zoeken. In de stadjes Miedzychod en Drezdenko, die elk aan een kant van het Notecka Woud liggen, gaat het leven echter gewoon z’n gangetje. In Onder het Hert blijft de olie onderwerp van gesprek, maar wordt het ook snel weer terzijde geschoven.