Zwart maar dreigend

In de verte, uit de kamer waar ik de meeste tijd doorbreng en die je tegenover anderen de huiskamer noemt, hoorde ik de wervelende klanken van Morton Goulds Symphony for Strings.

‘De broer van Jack Palance was ook Engels’, bracht ik te berde, mijn kans schoonziend.
'Palance? Jack?’ veinsde de ui.
Mij kon het even niets meer schelen, ik begon gewoon.
'Het meisje zwom, haar schouders gleden als glanzende zandkleurige salamanderrugjes door het placentavormige zwembad. Iemand, ik weet wel wie maar zeg het niet, wees haar op iets. Iets teers. Zwart maar dreigend op de bodem van het bassin.
Voor haar reden genoeg om onmiddellijk, na een diepe zucht die dat niet was, onder water te duiken en boven te komen en daarna weer, en nog éénmaal.
Tot er drie dode spinnen, van veraf leken het sensibele snoepjes, van dichtbij waren ze zo zwart en dun en dik als de handwortelbeentjes van een Groningse gifmengster, op het bleke schoteltje lagen. Onder de johannesbroodboom.
Want dat had iemand verteld wiens naam ik niet weet hoewel ik er niets tegen heb om die wel kwijt te willen.
Die vrouw, de zwemmende vrouw die naar spinnen viste en wier spiegelzwart badkostuum als de huid van een haai om haar heen zat gegoten, was de begeleidster van de broer van Jack Palance. Voor die dag.
Elke dag was er een andere vrouw in zijn gezelschap. In tegenstelling tot wat je er, al of niet debonair geluimd, van zou denken, was daar niets mis mee.
Wat ik pas wist nadat de man die ik om even mysterieuze reden Monsieur Gérard bleef noemen, alles uit de doeken deed. Die man, die twee keer per dag, net als wij aan de rand van het zwembad zijn maaltijd gebruikte, was een Engelsman, vertelde hij: “C'est un vieux Anglais.”’
In tegenstelling tot, naar ik thans mocht aannemen alle uien ter wereld wanneer je ze maar op de juiste manier tegemoet trad, zei deze Engelsman geen woord.
'Deze Engelsman nu’, zei ik tegen de ui, 'zei geen woord.’