Zwart vierkant

Ik wil over iets schrijven waar ik zo'n dertig jaar te laat mee ben. Of drie weken te vroeg, het is maar net hoe je het ziet. Op 1 juni zijn in het Filmmuseum drie korte filmpjes van Peter Kubelka te zien, bij elkaar net iets meer dan een half uurtje film. Ook dit kun je anders zien. Dat half uur film vormt het bijna volledige oeuvre van een van de meest invloedrijke avant-gardefilmers van onze tijd.

Wat Malevitsj betekende voor de moderne schilderkunst en Schonberg voor de moderne muziek, dat betekende Kubelka voor de cinema. Hij maakte het zwarte vierkant van de film en knipte een streng ritmisch meesterwerk uit louter zwarte en doorzichtige filmstroken. Dit meest ‘wezenlijke’ filmpje (in de terminologie van Kubelka zelf) heet Arnulf Rainer, dateert uit 1960 en staat ook op het Filmmuseumprogramma. De naam van de bekende Weense schilder in de titel, die tegenwoordig weer veel in het Stedelijk Museum te zien is, heeft geen betrekking op de film, maar op de voorgeschiedenis ervan. Rainer vroeg Kubelka om een film over hem te maken, maar al werkende kwam Kubelka uit op de definitieve abstracte film.
Al was het maar om voor Cannes - waar het geweld van filmische eendagsvliegen weer op losbarsten staat - m'n Frans wat op te halen, lees ik het boek van Christian Lebrat over Kubelka. Overigens curieus dat de enige uitputtende publikatie over deze legendarische cineast in Frankrijk verscheen. Er is dus geen boek in het Duits over deze Weense filmmaker die al jaren doceert in Frankfurt en ook geen boek in het Engels over de man die aan de wieg stond van het Anthology Film Archive in New York en die iedere experimentele Amerikaanse cineast die na 1960 werkte, heeft beinvloed.
Lebrat dweept met de meester en tekende ieder woord dat hij mocht horen als waarheid op, wat overigens onderhoudende lectuur opleverde. Kubelka is als denker over film even radicaal als hij is als filmmaker, en hij neemt geen blad voor zijn mond. Er is buiten zijn eigen werk erg weinig film gemaakt dat zijn kritische toets kan doorstaan. Van bescheidenheid heeft hij weinig last, maar blijkbaar heeft hij zelf ook weinig meer toe te voegen aan de filmpjes die hij enkele decennia geleden maakte. Dat geldt voor meer cineasten, maar weinigen trekken er de conclusie uit dat een volgend werk dan maar moet wachten of zelfs helemaal niet hoeft te worden gemaakt.
Na 1977 is er geen nieuwe Kubelka meer in premiere gegaan, maar hij treedt nog wel regelmatig op met lezingen over film. Lezingen die lang en intensief kunnen zijn en in de vorm van een reeks soms wel een week in beslag kunnen nemen. Schijnbaar in tegenspraak met zijn compacte en strenge filmische oeuvre is Kubelka een toegewijd levensgenieter. Hij houdt van eten en koken en hij heeft die activiteiten, net als filmmaken, tot kunst verheven. Voor hem is een goede maaltijd een kunstwerk en in zijn lezingenreeksen houdt hij naast voordrachten over film ook verhandelingen over culinaire onderwerpen. En dan is er nog een derde terrein waar Kubelka zich met grote inzet op toelegt: de muziek. Met een klein ensemble treedt hij op en vertolkt hij voornamelijk anonieme middeleeuwse muziek in combinatie met enkele moderne werken uit de strenge Weense school.
Een optreden van Kubelka is dan ook eigenlijk pas compleet als er films bij worden vertoond (uit bijvoorbeeld de beginjaren van de film, maar ook van Amerikaanse avantgardisten als Brakhage), als er goed gegeten kan worden (dat wil zeggen: een met zorg vervaardigde maaltijd toebereid met eerlijke ambachtelijke ingredienten) en als er muziek ten gehore wordt gebracht (in een liefst bijzondere ruimte, waarbij het muziekprogramma op de ruimte is afgestemd). Als over enkele weken in het filmmuseum zijn inmiddels historische filmpjes over het doek gaan moet de culinaire en muzikale context er maar bij worden gedacht.