H.J.A. Hofland

Zwartboek van vergissingen

We beschouwen president Bush, premier Blair en hun ministers als eerlijke mensen. Toen de opperbevelhebber zestien maanden geleden officieel het einde van de major operations afkondigde, hebben we hem geloofd. Het was wel een tegenvaller dat er geen massavernietigingswapens werden gevonden, geen bewijzen van een samenwerking tussen Saddam Hoessein en al-Qaeda, of pogingen om in Niger uranium te kopen, maar toen werd de dictator zelf gearresteerd en dat was weer een opluchting. Irak was definitief gered, en gereed voor de democratie.

Wat precies de oorzaken zijn, weten we nog niet, maar niet alle Irakezen waren bereid de leiding van de Amerikanen te volgen. Op de televisie zien we nog steeds straatgevechten en hoe, net als in de oorlog, grote gebouwen door met chirurgische precisie geplaatste voltreffers in de lucht vliegen. Eerst brak er een opstand uit in Fallujah, en toen het daar min of meer bedwongen was, begon het in Najaf. Daar is het nog aan de gang. In Bagdad wil het ook niet rustig worden. Dit alles ondanks de installatie van een voorlopige Irakese regering en, vorige week, de eerste grote conferentie die deze regering het begin van een democratische controle moet geven.

Er zijn reeds 716 Amerikaanse soldaten gesneuveld, van wie 607 na het einde van de major operations. En naar schatting van een paar think-tanks tussen de 11.649 en 13.652 Irakese burgers (www.iraqbodycount.net). Gijzelingen zijn praktisch dagelijks nieuws. Sabotage jaagt de wereldolieprijs op. Naast Irak worden oude vraagstukken in de regio opnieuw ontdekt: Iran dat verder werkt aan een kernwapen, Israël dat, gedoogd door Washington, nieuwe nederzettingen op Palestijns gebied bouwt, waarna Washington hoopt dat de Palestijnen, bang om voor terroristen te worden aangezien, daarmee vrede zullen hebben, om het vredesproces te kunnen voortzetten. Verderop Noord-Korea, dat niet wil doen wat de president zegt.

Zou je dan, de ontwikkelingen van de afgelopen twee jaar op het wereldtoneel overziend, niet tot de conclusie komen dat de president, hoe eerlijk ook, zich lelijk heeft vergist? In Europa waren al veel mensen tot die conclusie gekomen, en nu beginnen ook steeds meer Amerikanen te vermoeden dat er aan zijn diagnose van de problematiek in het Midden-Oosten het een en ander mankeert. De helft maakt zich zo bezorgd dat ze de buitenlandse politiek als eerste punt op de agenda van de verkiezingen heeft gezet. Critici van de president, ook uit zijn eigen conservatieve kring, ontwerpen scenario’s waardoor Amerika zich op een of andere manier, zo eervol mogelijk, uit de chaos kan bevrijden.

De strijd in Irak gaat steeds meer op een ouderwetse koloniale krachtmeting lijken, waarin de partij die de militaire oppermacht heeft voortdurend verwijst naar de zwijgende meerderheid van de goedwillenden die niet de kans krijgt zich te laten gelden omdat ze onderdrukt wordt door de kleine minderheid van terroristen. De bezetter heeft intussen een voorlopige regering geïnstalleerd – met veel teruggekeerde bannelingen – waarvan wordt aangenomen dat die de meerderheid vertegenwoordigt, zonder dat daar enig bewijs voor is geleverd. De geschiedenis van de oorlog, van het voorspel tot op de dag van vandaag, laat zich lezen als een zwartboek van vergissingen.

Dit alles is zakelijke kritiek, gebaseerd op feiten. Die worden talrijker, zonder dat blijkbaar de Amerikaanse bezetter daar iets van leert. De zakelijke, empirisch gefundeerde kritiek wordt graag beantwoord, in Amerika met pogingen de criticus verdacht te maken en in Europa met de beschuldiging dat kritiek op Bush c.s. een vorm van anti-Amerikanisme is, Europese lafheid, een buigen voor terreur, «het in de kaart spelen van Osama bin Laden». Ja, dan ben je vlug klaar. Het is een bekende truc: hysterisering van het debat. Met een uitvoerbare politiek heeft dat niets meer te maken.

De omstreeks 130.000 Amerikaanse soldaten in Irak zijn in een andere positie dan de dertienhonderd Nederlanders. Weliswaar zijn die van ons ook beroepssoldaten, die rekening moeten houden met het risico dat ze sneuvelen – dat is hun vrije keuze –, maar toen ze een jaar geleden arriveerden, leek sneuvelen rijkelijk theoretisch. Nu niet meer. Ze zijn in de werkelijke oorlog betrokken geraakt. De Amerikanen kunnen nu om allerlei voor de hand liggende redenen niet weg. Twee maanden voor de verkiezingen is dat ondenkbaar. Voor de Nederlanders, als onderuitvoerders zonder inspraak in of invloed op het wan beheer, is het anders. «We zijn er om de bevolking te helpen. Als de autoriteiten ons niet meer willen hebben, of als blijkt dat de bevolking ons niet meer wil, moeten we weg», zei minister Kamp tegen Het Parool. Zelf vond hij dat het nog niet zo ver was. Hoe ver moet het komen voor de minister dat wel vindt? Roep ze nu terug, niet uit lafheid of anti-Amerikanisme, maar omdat Nederland geen deelgenoot wil zijn in wanbeheer. Als dat voorbij is, kunnen we weer naar Al Muthannah.