Zwarte aardbeien

Wie doden tot leven wekt en hen laat meedoen aan gesprek en handeling in film moet van goeden huize komen. Sentimentaliteit, kitsch, ze liggen op de loer. Maar als het lukt dan hakken levende doden er in. De hoogbejaarde professor die in Wilde aardbeien zijn ouders naar hem ziet zwaaien als toen hij een kind was, de man die in Taviani’s Kaos met zijn dode moeder praat - het ráákt. En het is stof waaruit dromen zijn gemaakt. Want daarin leven de doden voort.

In de laatste scène van Zwarte sneeuw zit een jonge vrouw met een Russisch jongetje, van wie ze heeft ontdekt dat hij haar halfbroer is, bij een vuur. Hun vader, die in een Amsterdams ziekenhuis in coma ligt en stervende is, is er ook. Daardoor is er vrede. Hij heeft haar verteld over zijn schaamte: toen ze kind was heeft hij haar op een sleetocht bijna dood laten vriezen. Door een vuur te maken als dat waaraan ze zitten, heeft hij haar nog juist gered. Zij heeft het zich eerder herinnerd en hem al lang vergeven. Maar er is veel meer, zegt hij, dat hij haar nooit heeft verteld. ‘Ik hoef toch niet alles te weten’, zegt ze. En ik vroeg me af of er nog iets was wat ze niet wist, nadat ze twaalf afleveringen lang het verbijsterende dubbelleven van deze ogenschijnlijk keurige psychiater had ontrafeld: een ge- heime Amsterdamse woning, een buitenechtelijke verhouding, een kind daaruit, drugs en de smokkel daarvan (waaraan zijn minnares, moeder van het kind, overlijdt), contacten met de Russische onderwereld, vriendschap met een voortvluchtige crimineel en object van aandacht van de politie.
Twaalf uur - naar mijn gevoel te lang. De thrillerelementen, die me toch al zelden boeien, lieten me steeds onverschilliger; dus moest alles komen van sfeer, van de psychologie van hoofdpersoon Eva, van haar tocht door Wonderland en Onderwereld, en van de betrekkingen tussen de personages, voor zover die universeler waren dan het door misdaad bepaalde deel. Ik bleef kijken, ook toen het voor m'n gevoel begon in te zakken vanwege het feit dat de makers op al die terreinen inderdaad iets, soms minder, soms meer, te bieden hadden; en vooral vanwege de fenomenale prestatie van de hoofdrol, Tamar van den Dop. Zij droeg de zoektocht naar de identiteit van de vader - en daarmee naar die van zichzelf. Vrij van moralisme, met begrip voor het menselijk tekort, kwetsbaar maar sterk. Het hardste verwijt dat ze haar dode moeder en stervende vader maakt is dat ze over wezenlijke dingen nooit iets zeiden. Dat bereikt haar in de laatste aflevering als een boemerang wanneer een vriendin haar dezelfde geslotenheid verwijt.
Lof voor de jongen die haar verdierlijkte halfbroertje speelde. De scène waarin dit schuwe kind in een stortvloed van Russisch alle nog niet verklaarde raadselen oplost, is huiveringwekkend. Nog bij de slotscène aarzelde ik 'tussen kitsch en kunst’. Een levend-dode vader, een kampvuur, een sterrenlucht en verzoening. Steeds hoger de camera en kleiner de vuurcirkel. Ontroering.
Ben dus sentimenteel. Of Zwarte sneeuw was uit- eindelijk toch goed.