Hoofdcommentaar

Zwarte beelden

In 1853 stelde Z.M. Koning Willem II een staatscommissie in die de consequenties van een eventuele afschaffing van de slavernij diende te onderzoeken. De tijd daarvoor was rijp, maar het rapport liet op zich wachten. Het invloedrijke Kamerlid W.R. Baron van Hoëvell richtte zich daarop in een lijvig boek (Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet) tot de commissie. Het is interessant Van Hoëvell hier eens te citeren:
‘Nederland is een vrij land. Het heeft met onbezweken moed door stroomen bloeds zijne vrijheid gekocht. Maar thans, in de negentiende eeuw, is het met Turkye, Rusland en Spanje het eenige rijk van Europa, dat de slavenketenen zijner onderdanen niet heeft verbroken. Nederland is een Christenland – maar het doemt duizenden zijner kinderen, onder zijne vlag geboren, aan zijne bescherming toevertrouwd, tot een toestand, rampzaliger dan het lot van het redelooze schepsel. (…) Het schaamt zich niet, om door zijn gezag menschen te laten vernederen tot het laagste peil van stoffelijke en zedelijke ellende.’
Sterke tekst. Van Hoëvell schreef zijn pamflet vier jaar vóór Multatuli zich in eendere woorden uitliet over de ‘knevelarijen’ in de Oost, en drie jaar na de publicatie, in Nederland, van De Neegerhut van Oom Tom. Het duurde tot 1863 voor de slavernij daadwerkelijk werd beëindigd; het duurde tot 2002 voor er een monument voor werd opgericht. Wie zou beweren dat daarmee die donkere periode uit de Vaderlandse Geschiedenis is afgesloten, is niet goed bij zijn hoofd, of behoort tot het campagneteam van Rita Verdonk, wat ongeveer op hetzelfde neerkomt.
Is het dan denkbaar dat er in 2008, in het hart van de hoofdstad, in de Nieuwe Kerk, het gebouw waar de opvolgers van Willem II worden ingehuldigd en waar Michiel de Ruijter begraven ligt, een tentoonstelling wordt georganiseerd over de positie van de zwarte mens in onze cultuur, die aan die geschiedenis van rampzalige vernedering voorbijgaat? Dat lijkt ondenkbaar, en toch is het zo.
De makers van die tentoonstelling, Black is Beautiful, bieden ‘een ruime en samenhangende visie op de schoonheid van zwarte mensen in zeven eeuwen kunst van de Nederlanden’ – op de schoonheid, niet ‘de positie’, niet ‘de culturele betekenis’, laat staan de ‘sociaal-culturele betekenis’. Hier gaat het om het zwarte lichaam, het zwarte gezicht, en de ‘schoonheid’ daarvan.
De tentoonstelling is van hoge kwaliteit, dat moet gezegd. De inrichting is indrukwekkend. De getoonde werken zijn uitzonderlijk fraai, en er zijn erbij die zelden in Nederland te zien zijn. De combinatie van schilderijen met beelden, plafondstukken en delicate miniaturen is voortreffelijk. De slavernij wordt alleen en passant éven aangeroerd. Daar gaat het hier niet over, zeggen de samenstellers: ‘Er is een tendens’, schrijven zij, ‘om zwarte mensen als krachtige, zelfstandige personages te presenteren, die al begint in de late Middeleeuwen en doorgaat tot in onze eigen tijd. De keuze voor nadruk hierop betekent dat er minder aandacht is dan tot nu toe gebruikelijk voor de zwarte mens als duivel, bediende of slachtoffer van slavernij.’
Die redenatie is even elegant als absurd. Alleen al kunsthistorisch gezien klopt er geen hout van. Het ís niet zo, om te beginnen, dat zwarte mensen in de zestiende en zeventiende eeuw als zelfstandige personages werden gepresenteerd. Rubens schilderde zijn fraaie negerkoppen naar het leven, maar niet omdat hij tot de ‘schoonheid’ van de geportretteerden was aangetrokken, of tot hun persoonlijkheden – integendeel: in de kunsttheorie, maar ook in de etnografie en de biologie, gold de Afrikaan als onaantrekkelijk, lelijk zelfs, en verder als lui en primitief, de schakel tussen de Europeaan en de orang-oetan (volgens Linnaeus). De aandacht voor het zwarte lichaam was veel meer ingegeven door noties van onbeschaafde, primitieve kracht dan door een idee over het ‘zelfstandige personage’, dat erin zou kunnen huizen. Rubens had af en toe een neger nodig, voor een Aanbidding der Drie Koningen, of een personificatie van Afrika. De schets bevredigde zijn eigen artistieke ambities, en zijn nieuwsgierigheid – zoals kunstenaars ook graag een Indiaas miniatuur, een rare schelp, een toevallig passerende Rus of een tentoongestelde rinoceros vastlegden.
De samenstellers kunnen doen alsof het niet zo is, maar zwarten wáren in de Nederlandse cultuur in hoofdzaak duivel, bediende of slaaf. De merkwaardige carrière van Jacobus Capitein (1717-1747), die het van slaaf tot predikant schopte, is de uitzondering die die regel bevestigt. Zwarten wáren tweederangs mensen, een andere diersoort, die kon worden verhandeld of opgezet – de beroemde anatomische collectie van Frederik Ruysch telde ‘een zeer fraaij kindje van een zwartin, met sieraden’ op sterk water. Waarom staat dat niet in de tentoonstelling? En waar is Zwarte Piet?
Nederland is een vrij land, schreef Van Hoëvell, en dat is zo; iedereen mag de tentoonstelling maken die hij wil. Bovendien is niemand gediend met de hysterische hang naar politieke correctheid die in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk het publieke debat beheerst. Daar komt een hoop onzin uit voort (Beethoven en Lodewijk XIV zouden in werkelijkheid zwart zijn geweest, dat soort humbug). Maar bij de omvang van de oogkleppen die de makers van Black is Beautiful hebben opgezet, staat het verstand stil.