De Nederlandse Opera met ‘Katja Kabanova’

Zwarte doos

Dit keer bleef het boegeroep uit. De Nederlandse Opera zette een aangrijpende ‘Katja Kabanova’ van Leos Janácek neer.

Misschien was het wel een historisch moment in de geschiedenis van de Nederlandse Opera: bij het slotapplaus voor Katja Kabanova was geen wanklank te bespeuren. Het boegeroep dat steevast elke première begeleidt, bleef geheel en al uit. Dat is zacht gezegd opmerkelijk, want regisseur Willy Decker maakt het zijn publiek niet gemakkelijk. Een kleine twee uur lang kijkt het tegen hetzelfde decor aan, dat niet meer behelst dan een kale sombere zwarte doos. Binnen deze naargeestige ambiance weet Decker met ijzeren consequentie een onontkoombaar drama neer te zetten.

Katja Kabanova, de heldin uit Leos Janáceks gelijknamige opera, hoort thuis in het rijtje onschuldige slachtoffers waartoe ook Judith (Blauwbaards burcht) en Desdemona (Othello) behoren. Katja is niet zozeer de dupe van haar echtgenoot als wel van haar schoonmoeder, een tang van de zuiverste soort die haar verstikkende moraal als gal om zich heen spuwt. Janácek geeft dit personage op een sublieme manier vocaal gestalte: verteerd door woede en bitterheid dreigt ze haast te stikken in haar woorden.

Katja wordt door haar schoonmoeder ervan beschuldigd geen goede echtgenote voor haar zoon te zijn. Deze verwijten gaan werken als een self-fulfilling prophecy: Katja wordt verliefd op een ander. De druk die uitgaat van de strenge verstikkende dorpsgemeenschap en, nog meer, het schuldgevoel waaronder Katja gebukt gaat, doen haar uiteindelijk zelfmoord plegen. In navolging van Tosca neemt ze een fatale sprong de diepte in – hier die van de Wolga.

In veel opzichten is deze opera een juweeltje. Vooral de manier waarop de muziek haar eigen verhaal vertelt los van, en soms in tegenstelling tot de tekst, is van een adembenemende dramatiek. Een theatraal raffinement dat je eigenlijk alleen bij Verdi aantreft. Zo dringt de eerste ontmoeting tussen Katja en Boris, de man op wie ze heimelijk verliefd wordt, door merg en been. Ze komen elkaar tegen op straat en kijken elkaar aan zonder een woord te zeggen. Op het toneel gebeurt niets, maar de muziek laait zo hartstochtelijk op dat je ter plekke zelf een scheut van verliefdheid voelt. Even spannend is de scène waarin Katja haar schoonmoeder wanhopig bezweert: ‘Ik houd net zoveel van u als van mijn eigen moeder.’ De vlakke emotieloze muziek vertelt op hetzelfde moment echter een heel ander verhaal. Een andere rolverdeling tussen Katja en het orkest doet zich voor als ze haar angst en verwarring bezingt vanwege haar overspel. 'Het is alsof ik aan de rand van een afgrond sta en er is niets om me aan vast te grijpen’, roept ze in doodsangst uit. Nu lijkt het orkest haar te willen troosten met warme tedere akkoorden waaruit compassie spreekt.

Het is de verdienste van Willy Decker dat hij Janáceks schitterende partituur volledig tot haar recht laat komen. Het decor is sober, op het saaie af. Sommige rollen zijn een beetje grotesk aangezet, maar dat gebeurt altijd in overeenstemming met de muziek. De symboliek in de voorstelling is erg nadrukkelijk, maar wel doeltreffend. Tegenover de zwarte doos die Katja’s sociale en innerlijke gevangenis verbeeldt en de dorpsbewoners die allen in het zwart gekleed gaan alsof ze in een permanente rouw zijn gedompeld, staat een grote hoeveelheid vogels – als silhouetten aan de horizon en als tekeningen ingelijst aan de muur. Is een ondubbelzinniger verwijzing naar het verlangen naar vrijheid denkbaar?

Het sterkst is Willy Decker op de momenten dat hij aan de gelaagdheid in tekst en muziek nog een derde nonverbale laag toevoegt. De loopgravenoorlog tussen moeder en schoondochter wordt meest duidelijk in de ijzige neerbuigende blikken die Katja toegeworpen krijgt. Dat de personenregie zo goed werkt is ook te danken aan een uitstekende casting, zowel in stem als in uitstraling. Dame Josephine Barstow is zo’n afschuwelijke bitch dat ze aan het eind slechts een mager applausje kon halen. Haar zoon Tichon, echtgenoot van Katja, is letterlijk en figuurlijk een watje: een klein rond mannetje met een warme, ietwat zwakke stem.

Katja’s minnaar Boris, vertolkt door David Kuebler, heeft een sterke, soms zelfs felle stem die goed is opgewassen tegen Katja (Susan Chilcott). Chilcott, die met Katja de eerste dragende hoofdrol in haar carrière zingt, zet een grillige, gepassioneerde vrouw neer. Nu eens een klein meisje, dan weer een hysterische furie. Verrassend is de uitzonderlijk goede bezetting van twee bijrollen. Kudrasj (Rainer Trost) en Varvara (Charlotte Hellekant) zijn twee jonge geliefden die Katja en Boris als het ware een spiegel voorhouden. Terwijl Katja eigenlijk alleen maar dood wil vanwege haar verboden verliefdheid, genieten Kudrasj en Varvara van een aanstekelijk sensueel en ongecompliceerd liefdesspel.

Alles bij elkaar opgeteld een buitengewoon aangrijpende voorstelling die inderdaad geen enkele aanleiding vormt voor boegeroep.


De Nederlandse Opera, Katja Kabanova. Muziektheater Amsterdam, tot en met 30 mei