Twee gesprekken deden mij denken aan de Franse filosoof Bruno Latour. Lang geleden wees een pvda’er mij op hem toen we het hadden over wat nu de energietransitie heet. Latour stelt dat een technologie een succes wordt als men erin is geslaagd die te accepteren alsof hij uit een zwarte doos komt en men zich niet meer afvraagt hoe dat succes is bereikt. Zou dat ook gelden voor veranderingen in de Nederlandse democratie?

Het eerste gesprek waarin ik weer aan de theorie van Latour moest denken, ging over de energietransitie zelf, want ook nu zitten we op een breukvlak, zoals hij dat noemt. Welke groene energiebron gaat het worden? Het is een hoofddossier in de huidige kabinetsformatie.

De filosoof laat zien dat achteraf altijd logisch lijkt dat deze of gene energiebron een succes werd en dat men denkt dat dit aan de superieure techniek zou liggen. Maar dat laatste is niet zo. In het verleden, maar ook nu, gaat aan dat succes een emotionele machtsstrijd vooraf. Is het succes eenmaal behaald, dan verdwijnt de voorgeschiedenis in die zwarte doos.

Het tweede recente gesprek ging ook over een breukvlak, maar toen was het nog de vraag óf we op een breukvlak leven. We hadden het over politiek, onderling wantrouwen en versplintering. Door dat woord ‘breukvlak’ dook Bruno Latour weer op. Zouden we het over pakweg twintig jaar bijvoorbeeld normaal vinden dat er een kiesdrempel is, zonder ons nog af te vragen hoe dat ook alweer zo is gekomen en hoeveel strijd daaraan is vooraf gegaan? Of zijn we tegen die tijd gewend geraakt aan minderheidskabinetten die keer op keer voor wetsvoorstellen breed draagvlak zoeken in een Tweede Kamer die dan inmiddels al jaren bestaat uit 22 of meer fracties, waarvan er zeker twaalf slechts een tot drie zetels hebben en menig partij er extreme standpunten op nahoudt om toch vooral maar op te vallen?

De versplintering in het parlement was de aanleiding tot het gesprek, want door het vertrek van Pieter Omtzigt uit het cda staat de teller bij terugkeer na zijn ziekteverlof op negentien fracties. Na de verkiezingen was dat nog zeventien, wat ook al veel was.

In één adem door krijg je het dan ook over het eens zo grote cda dat nu terug is gevallen op slechts veertien zetels en – wederom – door Omtzigt, een rumoerige tijd doormaakt. Waar staat de partij eigenlijk nog voor? Wie bepaalt er de koers? Het grote geld? En hoeveel leden gaan de partij vaarwel zeggen nu Omtzigt geen lid meer is?

Dan kun je er niet omheen het ook te hebben over die andere, eens zo grote middenpartij, de pvda, die zelfs nog maar negen zetels heeft. Ook die heeft, net als het cda, geen trouwe en vanzelfsprekende achterban meer, en is al decennialang zoekende naar een nieuwe koers en inspiratie.

Zouden we het over pakweg twintig jaar bijvoorbeeld normaal vinden dat er een kiesdrempel is?

De vvd mag dan als grootste partij nog 34 zetels hebben, dat is nog altijd twintig zetels minder dan het cda in 1989, toen de christen-democraat Ruud Lubbers aan zijn derde kabinet begon. Wat zou er van die 34 vvd-zetels overblijven als partijleider Mark Rutte vertrekt, de liberalen geen aansprekende en wendbare leider meer hebben en er mogelijk net als eerder deze eeuw weer intern ruzie uitbreekt over koers en leiderschap?

Koppel deze teloorgang van cda en pvda, en een mogelijke toekomstige klap voor de vvd aan de opkomst van tal van partijtjes die het veelal opnemen voor één doelgroep en het idee dat we op een breukvlak zitten, is niet zo vreemd. Mijn gesprekspartner had echter de indruk dat al dit gewoel geen rol speelt tijdens de kabinetsformatie. Maar is dat wel zo? Of zien we dat niet scherp genoeg omdat we er te dicht bovenop zitten?

Dat pvda en GroenLinks elkaar vast willen houden, is het resultaat van twee teleurstellende verkiezingsuitkomsten en een poging samen in ieder geval nog een machtsbasis te hebben. Of het lukt, hangt niet alleen van deze formatie af, maar wordt vooral bij de eerstvolgende verkiezingen beslist. En misschien is een fusie dan wel ‘vanzelfsprekend’.

Dat de vvd het woelige maar conservatieve cda toch als coalitiepartner wil, als tegenwicht tegen het linkse blok, is eveneens een machtsstrijd. Het is vasthouden aan het bekende. Maar wie weet gaat het cda daarna wel definitief ten onder. En vinden we dat naderhand heel ‘normaal’. Terwijl het cda juist had gehoopt dat meeregeren gunstig zou zijn.

Ook het formeren via de inhoud zou je kunnen zien als een gevolg van dat breukvlak waarop we al geruime tijd leven. Na een reeks gevallen kabinetten gingen in 2012 de twee grootste partijen, vvd en pvda, ‘gewoon’ bij elkaar zitten en mochten ze om de beurt kiezen wat ze binnen wilden halen. Bij aanvang heette dit een ‘succes’, het kabinet zat de rit ook uit, maar bij de eerstvolgende verkiezingen pakte dit ‘kwartetten’ voor de pvda desastreus uit.

Nu is informateur Mariëtte Hamer weken bezig geweest inhoudelijke overeenkomsten vast te stellen tussen de zes partijen waar het begin deze week nog om draaide. Niks kwartetten. Stel dat in haar eindverslag zichtbaar wordt dat de vvd het op menig terrein kan vinden met pvda en GroenLinks, dan wordt het moeilijker dat blok af te wijzen.

En stel dat er dan ook inderdaad een kabinet komt met deze twee. Dan lijkt dat logisch. Achteraf.