kijken

Zwarte hardheid

Meestal is kunst, met haar pracht van kleuren, verleidelijk mooi. De karige werken van Jannis Kounellis zijn in wezen het tegendeel.

Er is een werk uit 2011 van Jannis Kounellis dat er als volgt uitziet: op de vloer een rechthoek bestaande uit van die lange, klassieke, zwartwollen mantels, gebruikt. De kunstenaar zelf heeft ze neergelegd maar niet zorgvuldig gerangschikt. Ik heb hem ermee bezig gezien. Omdat hij kort van gestalte is moet hij een mantel (bij de schouders) met gestrekte armen recht voor zich uit houden en die dan met een abrupte, voorwaartse beweging van zijn lichaam eigenlijk naar voren werpen. Als dat goed gaat valt de mantel mooi voor hem neer – in de vorm van een smalle rechthoek die wat onregelmatig oogt omdat er bij het vallen van de jas natuurlijk plooien ontstaan. Het werk dat ik Kounellis heb zien maken is zeven bij zeven mantels groot, met de mantels zo dicht mogelijk tegen elkaar maar niet overlappend. Op deze rommelig geplooide, zwarte rechthoek werd vervolgens op elke jas een donkere vilten hoed gelegd en een paar zwarte schoenen.

Eerst, bijvoorbeeld, leek dit rechthoekige werk enigzins op een hobbelige sculptuur van op de grond gerangschikte keien van Richard Long, maar dan van geplooid naast elkaar gevallen jassen. In zijn formele opzet hoort het in die omgeving ook thuis. Maar met de hoed en de schoenen wordt elke neergelegde jas (achter­gelaten, lijkt het, door de afwezigen) eigenlijk een graf met een maat zo smal als een doodskist. De ordening van het werk, jas na jas na jas, is de regelmatigheid van het kerkhof. Alle dingen zijn zwart of grijs, in ieder geval donker, dus zonder kleur. Zo lijkt dit karige werk een droeve elegie. De bezonken stilte ervan doet denken aan de grandioze elegie die Joseph Brodsky (tijdgenoot van Kounellis) schreef voor zijn held de dichter John Donne, die zo begint: John Donne is dood en alles slaapt rondom./ De muren, vloer, het bed, de schilderijen,/ de tafel slaapt, de kleden, het plafond,/ de linnenkast, de kaarsen, de gordijnen./ De fles, de kopjes, schalen. Alles slaapt./ Brood, broodmes, porcelein, kristallen glazen,/ het nachtlampje, de lakens, kast, de vaat,/ trap, deuren, alles is in nacht verzonken. De dingen worden door Brodsky genoemd of misschien gepreveld zoals in een ander werk van Kounellis, van hard plaatstaal, kapotte brokstukken op richels gelegd zijn, afkomstig uit een vervallen huis of van oude, kapotte meubels – behoedzaam in volgorde als woorden in de regels van een gedicht. De stukken hout zijn dode fragmenten geworden. Ze herinneren aan een voorbij leven. Het zijn overblijfselen die echt zijn. Net als de mantels, de hoeden, de schoenen, en alle materialen en voorwerpen die Kounellis als figuren altijd in zijn werk gebruikt. Dat maakt veel van die werken navrant.

Het kerkhof van mantels is voornamelijk elegisch van stemming: het is een klaagzang voor de doden, maar vreemd onbestemd omdat het alle doden, denk ik, betreurt. In onze tijd is daar alle reden toe. De richels met houten brokstukken vind ik eerder melancholisch van karakter. Beide werken, zoals de meeste dingen van Kounellis, zien er materieel nogal labiel uit. Ze zijn behoedzaam vormgegeven. Nochtans is hun visuele aanwezigheid buitengewoon sterk. Meer nog in een werk dat hij zojuist in Turijn gemaakt heeft: een groep strakke, ijzeren ezels die elk een ijzeren paneel dragen en laten zien waarop aan grote vleeshaken weer die mantels hangen. Het zijn er een paar per paneel, met stukken touw ruw aan elkaar genaaid tot een cluster van jassen die, door de manier waarop ze hangen, vreemd vertrokken zwarte vormen opleveren, abstract en onbestemd in aanblik. Omdat de ezels zo streng in het gelid staan, is de mise-en-scène onverbiddelijk. Meestal is kunst, met haar pracht van kleuren, verleidelijk mooi. Deze dingen van Kounellis zijn het tegendeel. Er is een duister schilderij van Caravaggio dat de jonge David laat zien, ten halve lijve, die zwijgend het bloedende hoofd van Goliath bij diens haren ophoudt en laat zien. Zo zie ik het zwarte regiment van Kounellis, maar eigenlijk nog agressiever. Het goede woord voor deze zwarte hardheid is terribilità – een karakterisering die in de zestiende eeuw werd gebruikt voor het late werk van Michelangelo, zijn meedogenloze Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel. Over die strengheid hebben we het.


PS Het nieuwe werk, waaronder dat regiment, van Kounellis is tot eind juni te zien bij Galleria Giorgio Persano in Turijn, www.giorgiopersano.com, en het paneel met oud hout zit in de collectie van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Zie ook Jannis Kounellis, catalogus 2011, Museum Kurhaus Kleve, met daarin een reproductie van het kerkhof van mantels.

Gedichten van Joseph Brodsky: De herfstkreet van de havik, redactie Kees Verheul, De Bezige Bij 1989