TONEEL Phaedra

Zwarte nachten zwart kliederen

Het nachtpersonage bij uitstek uit de klassieke toneelliteratuur is waarschijnlijk Phaedra, of Phèdre bij Jean Racine, die de klassieke mythenstof rond haar figuur, middels enkele minimale wijzigingen bij de tegenspelers, meer reliëf gaf.

PHAEDRA houdt van haar stiefzoon Hippolytos. Dat het hier een plagerij van de goden betreft doet er, anderhalve pagina na haar eerste opkomst, al nauwelijks meer toe. Niemand spreekt meer over die pestkop Venus. Phaedra koestert in haar geest een geheime passie, die is incestueus en derhalve verboden, punt uit. Maar dan komt het bericht binnen dat haar man, koning Theseus, is omgekomen. Van de kern van het taboe verhuist Phaedra opeens naar de rafelrand ervan: ze is nu Theseus’ opvolger, ze heeft macht, en een erfkwestie (Theseus’ koningschap van Athene) vereist dat ze haar stiefzoon meteen onder ogen komt. In die scène bekent ze haar liefde aan het verboden object van haar verlangen. Maar de arme Hippolytos, zijn hele korte leven nog maagd gebleven, is net gevallen voor de charmes van de Atheense prinses Aricia. Nu zijn stiefmoeder, vlammend van begeerte, voor hem staat, wijst hij haar af, eerder impulsief dan beredeneerd. Opeens beseft Phaedra dat ze een stap te ver is gegaan, ze wil alleen nog maar sterven.

Dan hoort ze dat het bericht van Theseus’ dood een vergissing was, én dat Hippolytos zijn hart aan een ander heeft verpand. Vrouwen bij Racine verdragen geen liefdesgeluk van de begeerde man met een ánder dan zijzelf. Dus beschuldigt Phaedra haar stiefzoon van aanranding en Theseus reageert zoals ze wil: hij vervloekt Hippolytos. De stiefzoon en de moeder overleven het beiden niet. Door de toevoeging van een jonge liefde voor de stiefzoon (in Euripides’ en Seneca’s versie afwezig) wordt het thema van de veronderstelde tegenstelling tussen liefde en kuisheid uit de klassieke Griekse en Romeinse tragedies hier bij Racine teruggedrongen ten faveure van het groenogig nachtmonster, de jaloezie. Het maakt de spanning tussen fysiek begeren en listig opereren van Phaedra eigenlijk alleen maar spannender.

Tenminste, als de regisseur die spanning wil zien.

Waarmee we zijn aangeland bij de regie van de Racine-tekst door de Pool Grzegorz Jarzyna. Wat er in het repetitielokaal van Toneelgroep Amsterdam is gebeurd onttrekt zich aan onze waarneming - we zien alleen het eindresultaat - maar ergens in dat werk moet er iets wanhopig zijn misgelopen. Om te beginnen in de combinatie decor-licht-kostuum-muziek. Het kwartet daarvoor verantwoordelijke Poolse personen heeft ofwel een aantal cruciale ontwikkelingen in de scenografie van de laat-twintigste, begin 21ste eeuw gemist, of lapt die gewoon aan hunne laarzen, wat overigens niet verboden is, als er maar iets moois voor in de plaats komt. Quod non. Het nominale resultaat is van een bespottelijke protserigheid, traagheid, gewilde veelbetekenendheid, ontaardend in volstrekte betekenisloosheid. Wanden draaien om hun as, er wordt verkleed en bepruikt dat het een aard heeft, de muziek is irritant; het leidt allemaal enorm af.

En dan de acteursregie. Laten we met de regisseur aannemen dat Phaedra (Chris Nietveld) manisch-depressief is. Tijdens haar eerste opkomst zegt ze, in de magistrale vertaling van Laurens Spoor: ‘Het daglicht dat ik weer aanschouw, verblindt mijn ogen/ Mijn knieën wankelen en weigeren mij dienst.’ Misschien lijdt ze derhalve ook aan lichtallergie, ze is per slot een kleindochter van de zonnegod Helios, en door de aan waanzin grenzende begeerte heeft ze een extra motief om een dochter van de nacht te worden. Maar dat is nog geen reden voor de regie om haar inktzwarte nachten roetzwart te gaan kliederen, en bovendien nachtblind te zijn voor de list en berekening in Phaedra’s karaktertrekken. Door al het gesteun, gewring van handen, geblaas en gekreun in het toneelspel van Chris Nietveld wordt ons het zicht op de keuzes van deze vrouw ontnomen. Kitty Courbois als Oenone, de voedster van de ongelukkige koningin, kan weinig anders doen dan verbijsterd toekijken, wat ze overigens met verve doet.

Hoeveel krachtiger, preciezer, beheerster in de fysieke aanwezigheid van beide actrices was het samenspel van Nietveld en Courbois toen zij Andromache en haar verzorgster Cephise speelden in de regie van Gerardjan Rijnders, twintig jaar geleden, in Racine’s Andromache, ook bij Toneelgroep Amsterdam. Goed, daar was de inzet een vruchtbaar huwelijk tussen retorica en passie, verdriet doorleefd in alexandrijnen. Maar waar beoogt déze speelstijl dan een proeve van te zijn, behoudens larmoyante en archaïsche overdrijving waar niemand op zit te wachten?

De denkbare tegengeluiden zijn trouwens overvloedig aanwezig binnen deze Phaedra, met name in de vertolking van Hippolytos door een broos en kwetsbaar spelende Eelco Smits. In de grote confrontatie tussen Nietveld en Smits is er even een glimp van wat de voorstelling had kunnen worden. Maar dan gaan de versregels weer aan flinters in wat ten onrechte voor tragédienne-toneelspelen wordt aangezien. Zelfs een geaard acterende toneelreus als Hans Kesting (een mooi massieve Theseus) wordt erdoor weggeblazen. Behalve tegen het eind, als-ie alleen is met Hippolytos’ opvoeder Theramenes, een prachtrol van Hugo Koolschijn. Als hij komt vertellen over het verschrikkelijke einde van zijn pupil, komt hij - de eerlijkheid gebiedt het te zeggen - ook een lesje geven in het spelen van versregels, als ingehouden wenen op het ritme van alexandrijnen. Ik was alsnog blij dat ik dat, in deze voorstelling die in misverstanden omkomt, tegen het eind alsnog mocht meemaken.

Phaedra, tweede helft december (t/m 23-12), Stadsschouwburg Amsterdam