Zwarte taxi’s

DE AMSTERDAMSE Nieuwmarktbuurt, tien over tien ‘s avonds. 'Het wordt verdomme steeds gekker’, zegt Wim Smal (45). De taxichauffeur achtervolgt een snorder in de Amsterdamse hoerenbuurt. De auto van de snorder, een grijze Nissan Sunny, stamt te oordelen naar het kenteken uit het begin van de jaren tachtig. De aftandse Nissan draait het Rusland op. Taxichauffeur Smal volgt in zijn splinternieuwe Audi. ‘Nu rijden die klootzakken al vóór middernacht. Kotsziek word ik ervan.’

Normaal gesproken is het hier pas vanaf een uur of twee ’s nachts vergeven van de illegale taxi’s, maar de laatste weken barst de strijd tussen deze ‘snorders’ en de officiële taxichauffeurs steeds vroeger los. Smal draait zijn raampje open en houdt in. Hij spreekt Peter aan, een dakloze die al meer dan twintig jaar over de Wallen sjokt. 'Al veel snorders gezien vanavond? Effe melden als je er één in de smiezen hebt.’ Het raampje gaat dicht en Smal hervat de achtervolging.
SNORDERS ZIJN zo oud als het taxiwezen. Ze rijden rond in goedkope, oude auto’s en verdienen een aardig zakcentje door zonder taxivergunning betalende passagiers te vervoeren. De tarieven zijn onderhandelbaar. Wie het slim aanpakt, betaalt aardig wat minder dan in een officiële taxi. 'Broodroof’, roepen de taxichauffeurs.
De laatste jaren is het aantal snorders flink toegenomen. Alleen al in Amsterdam wordt hun aantal geschat op driehonderdvijftig. Sinds 1995 trokken de Amsterdamse taxichauffeurs, de luidruchtigsten van Nederland, enkele keren aan de bel. Nu is écht de maat vol. Vorige week legden ze, bijgestaan door taxichauffeurs uit het hele land, het verkeer rond het Waterlooplein een uurlang plat: een oorlogsverklaring aan de snorders en minister Jorritsma van Verkeer.
ALS WE OVER de Oudezijds Achterburgwal rijden, steekt de snorder zijn hand op en houdt die langdurig geheven. 'Om aan te geven dat hij me heeft gezien’, zegt Wim Smal, 'en dat hij schijt aan me heeft.’ Aangekomen op de Nieuwmarkt remt de Nissan plotseling en rijdt hij een stukje achteruit. Een lange jongen maakt aanstalten om in te stappen. Smal begint hardgrondig te vloeken, stuurt zijn taxi bijna tot op de bumper van de snorder en ramt op zijn claxon. De snorder kiest eieren voor zijn geld en rijdt door. 'Dit ritje heeft hij gemist’, zegt Smal, 'maar over een kwartiertje rijdt hij hier weer rond. En ondertussen staan onze jongens werkeloos aan de kant.’ Hij wijst op de taxistandplaats aan de rand van het plein. Die staat vol met taxi’s, maar geen klant dient zich aan. De chauffeurs leunen op hun wagens en maken een praatje. Smal: 'We kennen deze snorder wel. We hebben zijn kenteken. Binnenkort kan hij bezoek verwachten. Dan maken we een babbeltje. Z'n banden gaan eraan en de ramen eruit. Maar of het helpt?’ Smal haalt moedeloos zijn schouders op.
DE CHAUFFEURS voelen zich in de steek gelaten. Als passagier en snorder ontkennen dat voor een rit geld is betaald, heeft de politie geen poot om op te staan. Daarom pleitte de Amsterdamse politiewoordvoerder Wilting onlangs voor het aanpassen van de wetgeving.
Dat pleidooi is niet besteed aan minister Jorritsma. Als het aan haar ligt, worden de snorders van nu de taxichauffeurs van morgen. Uit de Taxinota die vorig jaar door het kabinet werd goedgekeurd, blijkt dat ze het taxivervoer wil opengooien. Het vergunningenstelsel gaat op de helling en de tarieven, nu nog wettelijk vastgelegd, worden vrijgegeven. De minister verwacht dat door de vrijemarktwerking het taxivervoer beter en goedkoper zal worden, maar de taxibranche meent juist dat de prijzen sterk zullen stijgen en dat de kwaliteit van het vervoer (goede auto en een aardige chauffeur die de weg kent) zal verminderen. De chauffeurs vrezen chaos en willekeur, net als in Zweden, waar na een dergelijke maatregel de prijzen met zestig procent stegen. Directeur D. Grijpink van de Amsterdamse Taxi Centrale zei hierover vorige week in Het Parool: 'Als Jorritsma haar zin krijgt, wordt het een grote puinhoop. Het is voor ons niet te verteren dat ze snorders de vrije hand geeft. Als we de minister haar gang laten gaan, zijn we straks een derdewereldland.’
Rond de Nieuwmarkt zijn vooral Turkse en Marokkaanse snorders actief. Die worden ook steeds vaker gesignaleerd bij het Rembrandtplein, met zijn vele disco’s en kroegen. Maar het ware snordersparadijs is de Bijlmer, beheerst door Surinaamse, Afrikaanse en Pakistaanse rijders. Na één uur ’s nachts laat zich daar geen taxichauffeur meer zien. 'We hebben de Bijlmer opgegeven’, zegt Smal. 'Er is gewoon geen beginnen meer aan. Die snorders hebben allemaal een uitkering. Ze stelen niet alleen van ons, maar van de hele maatschappij. Dat kun je toch niet toelaten? Als we geen hulp krijgen van de politiek, lossen we het zelf wel op. We laten ons niet de kaas van het brood eten. Als je het mij vraagt, wordt het een slagveld. Als het moet, sloop ik de wagen van een snorder, maar ik spaar de man. Ik behoor niet tot de hardliners, maar ik kan niet instaan voor al mijn collega’s. Er zullen flinke klappen vallen als het zo doorgaat. En dan zijn wíj nog lieverdjes, hoor. In Rotterdam worden ze met autosleutels en al het water in gedonderd. En onze collega’s in Den Haag deinzen écht voor niets terug. Als ze daar een snorder te pakken krijgen, gaat de bijl erin.’
BIJLMERPLEIN, winkelcentrum Amsterdamse Poort. Drie mannen staan bij een van de ingangen van de parkeergarage. Het zijn snorders, maar dat ontkennen ze in alle toonaarden. Eén van de drie, een Hindoestaanse Surinamer met 'Indiana Polis’ in grote gele letters achter op zijn lichtblauwe winterjack, laat uiteindelijk zijn wantrouwen varen. 'In de binnenstad is het oorlog. Hier is de strijd voorbij. We hebben het allang gewonnen. Snorders zijn veel goedkoper. En dat we in oude auto’s rijden interesseert onze klanten niet. Op de televisie zei een taxichauffeur dat we om ritjes bedelen. Maar we vragen de mensen niet met ons mee te rijden. Ze komen zelf naar ons toe. Kijk maar.’
Een zwarte vrouw - twee propvolle boodschappentassen torsend, twee jengelende kids aan haar rokken - zegt dat ze naar Amsterdam-Oost moet. Een van de mannen haalt zijn autosleuteltjes te voorschijn en verdwijnt met vrouw en kinderen de parkeergarage in.
'De paar taxi’s die zich hier nog vertonen staan bij Fleerde, aan de andere kant van de autoweg’, zegt Indiana Polis. 'Ze laten de mensen geen keus. Als je midden in het winkelcentrum een snorder kunt nemen, ga je toch niet een stuk lopen voor een dure taxi? Het is niet onze schuld dat ze voor de snorders kiezen.’ Vanuit de parkeergarage klinkt geroep. Een jongeman wenkt: werk aan de winkel. Indiana Polis neemt de rit.
SNORDERS EN taxichauffeurs beschouwen elkaar als het grootste tuig ter wereld. Beide partijen takelen elkaars wagens toe en zo nu en dan wordt een snorder of een taxichauffeur in elkaar gerost. Afgelopen zondagochtend nog belandden een vrouwelijke taxichauffeur en een snorder op het politiebureau na een achtervolging gevolgd door een vechtpartij.
Taxichauffeur Wim Smal: 'Als passagier van een snorder ben je rechteloos en onverzekerd. Iedereen denkt wel dat je bij een snorder goedkoper uit bent, maar vaak verdubbelt de afgesproken prijs als je wilt uitstappen. En dan kun je maar beter betalen, want je weet nooit wat zo'n jongen aan wapens op zak heeft. De politie controleert vooral ons, terwijl ze eens zou moeten kijken wat snorders aan wapens bij zich hebben. Als ik een schroevendraaier in mijn dashboardkastje heb liggen, ben ik al strafbaar. Dat wordt beschouwd als een steekwapen.’
Een ritje van Bijlmerplein naar Kraaiennest, elders in de Bijlmer? Geen probleem. Informeren naar de prijs is niet nodig, vertelt de Surinaamse snorder die zich Challies noemt. De prijzen liggen hier vast: vijf gulden voor een ritje binnen de Bijlmer, een tientje naar het AMC-ziekenhuis en twintig gulden naar Amsterdam. 'Het is hier anders dan in het centrum. Daar moet je onderhandelen over de prijs. Niemand van ons rijdt daar. Men is er gewapend, wij zijn dat niet. De taxichauffeurs hebben die ellende aan zichzelf te danken. Ze zijn te duur.’
Challies (55) is met vervroegd pensioen. Vroeger werkte hij bij de KLM als interieurmedewerker. Hij rijdt in een zilvergrijze Toyota Corolla die er goed onderhouden uitziet. Het snorren doet hij alleen om zijn verzekering en zijn benzinegeld te kunnen betalen, zegt hij. En voor de lol. Drie dagen per week, een paar uurtjes per dag.
Bij Kraaiennest is het oppassen, waarschuwt hij mij. De jongens daar houden niet van lastige vragen. 'Ze zullen denken dat je van de politie bent.’
TAXISTANDPLAATS Fleerde. Indiana Polis heeft gelijk; het is ver lopen van winkelcentrum de Amsterdamse Poort. De mensen bij de bushalte, nog geen honderd meter van Fleerde verwijderd, wisten niet eens dat hier een standplaats was: 'Taxi’s? Ik weet wel waar de snorders staan’, zei een meisje. Fleerde lijkt haast Grijpinks 'derdewereldland’. Welke idioot is op het onzinnige idee gekomen om een taxistandplaats aan te leggen op een winderige vlakte, ingeklemd tussen een stinkende tweebaansweg en drie betonrotte parkeergarages?
De chauffeurs die hier dienstdoen, hebben er flink de pest in. Een is ontzettend opgefokt, wat hij onmiddellijk toegeeft. Hij is blank, de rest van de aanwezige chauffeurs (op een na) is gekleurd. Hij wil graag praten over het snordersprobleem. 'Ik pak ze keihard aan. Soms staan ze gewoon onder onze neus de handel weg te pikken. Zie je die mensen bij de ingang van de parkeergarage? Die wachten op een snorder. Soms hou ik het niet meer. Dan mol ik hun auto. Echt, ik word ziek van die lui. En zij (hij wijst op zijn allochtone collega’s waarvan één met een lange, zwarte baard) doen helemaal niets!’
De chauffeur met baard: 'We kunnen niets doen. Hun klanten zeggen dat ze familie of vrienden zijn. Dat weet je toch?’ De blanke chauffeur wordt razend: 'Als ik actie sta te voeren, pikken jullie de laatste ritjes hier weg. Klootzakken!’ Hij schreeuwt het uit. De baard is nu ook boos: 'Hou je smoel, man. Ik weet wel waarom je zo fel bent. Je denkt dat ik snorders steun omdat ik zwart ben.’ De blanke chauffeur is zijn zelfbeheersing volledig kwijt: 'Dat heb ik niet gezegd, hufter! Maar als je het weten wil, je lult inderdaad als een domme neger.’ De twee vliegen elkaar aan ('Sla me dan, tyfuslijer. Dat wil je toch?’). Toegestroomde collega’s weten nog net een vechtpartij te voorkomen.
Als de gemoederen zijn gekalmeerd, legt de blanke chauffeur uit waarom hij zo woedend werd. 'Ik moet tegenwoordig dertien uur per dag rijden om genoeg geld te verdienen. Ik heb een vrouw en kinderen, begrijp je? Dit speelt al zo lang, maar de politie doet helemaal niets. Ze hoeven hier alleen een camera op te hangen om die snorders te kunnen oppakken. Ik ben geen racist, maar ik voel me machteloos. Ik heb in de buurt waar ik woon een keer een Turk gepakt die snort. Zo (grijpt denkbeeldige kaak en deelt vuistslagen uit). Niet omdat hij Turk is, maar omdat hij mijn brood rooft. Daarna werd ik aangesproken op straat: “We weten dat je die en die gepakt hebt. Pas maar op, wij slaan harder dan jij.” Als ik ook maar één deuk in mijn auto vind, maak ik ze allemaal af. Ik meen het.’
KRAAIENNEST. Ook hier is een taxistandplaats. Een paar keer rinkelt de telefoon, maar van een taxi geen spoor. Vijftig meter verder hangen vier mannen rond bij hun auto’s. De portieren staan open. Ze weten twee dingen zeker. Ze staan toevallig allevier op iemand te wachten. En ik ben van de politie. Hun wijze raad: zo gauw mogelijk oprotten. Anders gebeuren er ongelukken.
Bij de ingang van de parkeergarage moeten twee Surinaamse jongens lachen om zo veel naïviteit. Ze vertellen dat hier laatst twee snorders zijn opgepakt door agenten in burger. Zelf rijden ze altijd met snorders. 'Dat zijn onze eigen mensen.’ Taxi’s zien ze hier nauwelijks. En bovendien stoppen de chauffeurs zelden voor een neger met een baseballcap. Bang om beroofd te worden, lachen de jongens schamper. Een van hen vertelt dat hij besloot nooit meer een normale taxi te nemen nadat een blanke chauffeur hem beval plaats te nemen op de achterbank, achter de bijrijdersstoel. 'Dan kon hij me beter in de gaten houden. Kennelijk zijn in hun ogen alle negers messentrekkers.’
Van Kraaiennest terug naar Amsterdam is zo gepiept. Snorders zat. Kanus (32) is Ghanees en woont sinds tien jaar in Nederland. Voor twintig gulden snort hij me terug naar de stad. Een rit van meer dan twintig minuten: het is spitsuur. Kanus werkt via een uitzendbureau in de schoenenindustrie. Hij rijdt niet vaak tegen vergoeding, maar nu kan hij het geld goed gebruiken. Zijn auto, een witte Opel uit 1990, werd hem de laatste tijd te duur. Hij is met geen stok de Nieuwmarkt op te krijgen. 'Te gevaarlijk. Te veel taxi’s’, zegt hij in gebroken Nederlands.
NIEUWMARKT, half drie zaterdagnacht. Op de taxistandplaats staan slechts taxi’s met gedoofde lichten. Negen mensen staan bij de paal te wachten. Waarom gaat niemand met een snorder? Er rijden er genoeg rond. Drie taxichauffeurs zitten in café het Daklicht. Een Duitse jongen die graag naar zijn hotel wil worden gebracht, probeert ze zonder succes te bewegen niet allemaal tegelijk pauze te nemen. Sjon Bartels (54) haalt zijn schouders op: 'Neem maar een snorder.’
Het actievoeren tegen snorders heeft Bartels allang opgegegeven. Hij zit al 33 jaar in het vak en heeft zijn best gedaan. Bartels: 'Ik heb geen zin om wéér een beschadigde auto op te lopen. Vijfentwintig jaar geleden had je maar een paar snorders. Die reden het vuile werk van de Wallen. Mensen die zo dronken waren dat wij ze niet meer in de auto wilden hebben. We groetten elkaar gewoon in die tijd. De snorders van nu rijden hoeren en junks. Ze zijn een stuk linker dan vroeger.’
Het snorderswezen rond de Nieuwmarkt is veel minder relaxed dan in de Bijlmer. Mohammed stopt op nog geen dertig meter van de taxistandplaats. Zijn auto valt bijna uit elkaar van ellende. 'Snel instappen. Het is hier oorlog.’ De bijrijdersstoel schiet bijna los als hij hem naar voren trekt.
Mohammed is Marokkaan en woont al vijfentwintig jaar in Amsterdam. Hij heeft een uitkering en snort twee dagen per week, voor 'een paar honderd gulden extra’. Hij vindt het eerlijk werk, beter dan drugsdealen. Hij rijdt snel en soepel en kent de weg. Maar hij let niet goed op. Ter hoogte van de Prins Hendrikkade rijdt hij bijna tegen een voorbijrazende taxi op. Mohammed: 'Ik was ooit taxichauffeur. In die tijd kostte een vergunning nog anderhalve ton. Nu is dat het dubbele. Ik had net mijn auto gekocht en toen moest ik al duizenden guldens aflossen. Ik ging failliet (maakt een hand-langs-keelgebaar).’ Nu zijn de taxichauffeurs zijn vijanden. 'Als ze me aanvallen, schiet ik ze neer.’
Aangekomen op de plaats van bestemming begint Mohammed opeens moeilijk te doen over de prijs. Vijftien gulden hadden we afgesproken, maar hij heeft niet terug van 25. Na wat stoerigheid over en weer trekt hij toch nog een tientje. Het pistool blijft in het dashboardkastje. Hij draait een rondje en scheurt toeterend weg. In geen velden of wegen is een taxi te bekennen.