Zwarte weduwe

In het gesprek van R. Dulmers met mevrouw Rost van Tonningen (De Groene Amsterdammer van 25 augustus j.l.) is een serieuze misvatting geslopen: ‘Ik wou dat ik je zoon was, Florrie, ik zou je verwennen tot en met.’ Het is wáár, dat nadat ik deze dame in 1990 voor het eerst, samen met mijn vriend W.K. ontmoette, ik me geroepen heb gevoeld haar welgemanierd en als ‘een zoon’ tegemoet te treden, omdat haar eigen kinderen zich buitengewoon ongepast opstellen. Hun gedrag zou een uitzending van Jerry Springer tot een succes maken. Maar om het voor te stellen dat ik ooit zou hebben gedacht laat staan gezegd, haar te verwarren met mijn eigen moeder, die vóór de oorlog vanwege de nazi’s niet door Duitsland naar Zwitserland wenste te rijden (zie ‘Mijn vriendin Beatrix’, Papieren Tijger 199, blz. 7) berust op een onbedoelde vergissing. Desondanks heb ik de afgelopen negen jaar een aardige verhouding met mevrouw Rost van Tonningen gehad, omdat ik van mening ben dat een dame die naar de negentig loopt als een moeder en grootmoeder dient te worden behandeld, ook wanneer men het met haar politieke opvattingen faliekant oneens is. Na mijn gesprek met de Vara in het Zwarte Schaap van 21 augustus j.l. schreef zij een complimenteus briefje van de Zwarte Weduwe.

Amsterdam,